Tour du Mont Blanc

Tour du Mont Blanc

Drie landen, één berg

 

De Mont Blanc is geen eenzame berg, die fier oprijst uit het dal. Het is een ovale, besneeuwde top in een rij van scherpere, ruigere pieken. Pas onder een helderblauwe lucht maakt de Mont Blanc indruk als de grootste reus van de Alpen. De berg en zijn gletsjers zien vanaf Le Brevent is het hoogtepunt van de Tour du Mont Blanc, een wandeling van 170 kilometer rond het bergmassief door Italië, Zwitserland en Frankrijk.

 

Dag 1 Col de la Forclaz – Arpettehut, 15 km

De bus zet me af op de pas. Een hotel, kiosk en verder alleen de rust van groene weides omringd door bergen. Het vrolijke geluid van koeienbellen maakt meteen duidelijk dat ik in Zwitserland ben. Naast de kiosk stap ik de Tour du Mont Blanc op en ik begin meteen goed met de hoge variant over de Fenêtre d’Arpette van 2.665 meter. Het pad begint met een snelle beek erlangs die geluidloos door zijn smalle geul stroomt. Ik volg dit vriendelijke pad vol goede zin. Het is een prachtige dag en in de verte glinstert de gletsjer van Trient. Ik kom verschillende wandelaars tegen, een man uit Birmingham die aan andere route loopt en drie Denen. Het voelt niet druk, eerder gezellig. Na een kleine hut begint de klim naar de Fenêtre d’Arpette, het hoogste punt van de Tour du Mont Blanc. Met elke 50 meter omhoog komt de gletsjer dichterbij en toont hij een andere aanblik. De melkwitte rivier, de grijze, kale rots waarnaar de zich terugtrekkende vingers uitstrekken. De laatste paar honderd meter gaan steil omhoog langs en over een puinhelling. Zo af en toe moet ik klauteren, maar na de GR20 kan ik alles aan. Eenmaal boven houd ik lunchpauze terwijl ik uitkijk over de kale wanden van de Val d’Arpette. Na een half uurtje ga ik verder, steil naar beneden. Er ligt grind en het is oppassen geblazen. Ik steun met mijn volle gewicht op mijn nieuwe trekking poles en kies zorgvuldig de rotsen uit waarop ik mijn voeten neer laat komen. Ook hier een puinhelling, ik klauter over de enorme rotsblokken en ben blij als ik weer op een pad sta. Langzaam wordt de vallei groener. In de verte zie ik Champex liggen, een best dorp met houten huizen. Naarmate ik lager kom, wordt het pad makkelijker, al wordt het nooit zo eenvoudig als op de Col. Een beek huppelt mee naar beneden en waar het over het pad stroomt, vergeet ik dat de rotsen droog zijn, maar mijn schoenzolen niet. Ik ga onderuit, met mijn benen in de lucht en mijn hoofd in het gras. Oeps! Ik krabbel overeind, wat nog niet zo makkelijk gaat met een rugzak van 20 kilo, en stel de wandelaars na mij gerust. Ik wandel verder en voel alleen een schaafplek op mijn rechterheup. Ik trek door een bos waar drie bivaks uitnodigen om wild te kamperen, maar ik heb zin in een douche en loop door naar Arpette, een hut vol wandelaars en een kleurrijk pallet aan tentjes op het grasveld erachter. Kijk, dat is toch gezelliger dan in mijn uppie in een bos.

 

Dag 2 Arpettehut – La Peule melkboerderij, 24 km

Zo ’s ochtends vroeg ligt het dal nog in de schaduw en het is koud. Wel heb ik een prachtig uitzicht op de col, waar de pieken zich scherp aftekenen tegen een helderblauwe lucht. Iets na achten ga ik op pad, langs de bulderende rivier naar beneden. Bij een sluisje wordt een deel van het water naar een andere bedding geleid. Ik volg de molenbeek tot aan de rand van Champex, dat afgezien van vroege wandelaars nog in rust is. Ik loop om een met helder water gevuld meer heen en daal af naar een educatief pad vol boomsculpturen van paddestoelen. Het pad slingert en zwaait door het bos, talloze boomwortels houden mijn blik naar beneden gericht. Uiteindelijk daal ik af naar het dorpje Issert, waar ik een weg en de Drance de Ferret oversteek, een gletsjerrivier vol grijs water. Na Issert volgt een weg langs de heuvels naar Praz de Fort, waar klassieke Zwitserse houten huizen en schuren zo dicht opeen staan dat een bescheiden auto er maar net tussendoor past. Daarna steek ik de rivier weer terug over en begint een langzame, gestage klim. De schaduw van het dennenbos biedt een welkome verkoeling, want het is weer erg warm. Zo af en toe heb ik uitzicht op de bergen, die fraai zijn, maar zeker niet spectaculair. Tot ik iets hoor rommelen en opkijk: een geweldige waterval stort zich honderden meters naar beneden. Kijk, dat maakt mijn dag de moeite waard. Wanneer het pad een hoge rotswand schampt zijn er voor de veiligheid kettingen aangebracht, hoewel er minstens een meter pad is tussen de klif en de diepe afgrond. Na nog weer een kleine stijging daal ik af naar een speeltuin en klimbos en loop zo La Fouly binnen. Hier heb ik een geweldig uitzicht op een rijtje pieken en kleine gletsjer. Na een korte rustpauze loop ik het dorp uit. De route loopt over de weg, waar buiten de rijbaan geen veilige ruimte is voor wandelaars. Waarom lopen we niet nu al over het karrespoor langs de rivier, waar we volgens de routebeschrijving straks pas naar afdalen? Eigenwijs loop ik terug en daal af naar het karrespoor. Even later… oh… Daarom dus. Een rivier stroomt dwars over het karrespoor naar de Drance de Ferret. Maar dit is niet mijn eerste rivieroversteek en het water is niet diep. Iets stroomopwaarts zijn er verschillende geulen. De eerste twee steek ik over met stapstenen. De derde bergt het meeste water, hij is dieper en sneller. Ik kijk en puzzel en steek hem al springend over. Helemaal droog blijven mijn schoenen niet, maar gelukkig heb ik gamaschen om. Iets verderop kom ik bij de brug vanaf de weg en pak de officiële route weer op. Er is een makkelijk grindpad naar Ferret, waar alleen de lage route is gemarkeerd als TMB. Ik volg de weg het dorp uit tot een boerderij en daal af voor een laatste brug. Dan begin ik een steile klim. Af en toe over een slingerende weg, af en toe een smal pad dat de stijgende lussen afsnijdt. Uiteindelijk kom ik bij een melkboerderij waar de koeien rustig in de rij staan om gemolken te worden. De rij strekt zich uit over de grindweg en na het even te hebben aangekeken, loop ik tussen de koeien door naar de boerderij. Daar zet ik mijn tentje op naast twee yurts met uitzicht op het dal. En dat ze hier ook lekker koude melk verkopen is een onverwachte traktatie.

 

Dag 3 La Peule – Courmayeur, 25 km

Twee mannen zetten een rugzak vol bamboestokjes met felgekleurde vlaggen tegen de muur. Markeerders van de UTMB of een van de kortere afstanden van de ultraloop die deze week plaatsvindt. Vanaf de melkboerderij zigzag ik omhoog tussen de weilanden. Zo nu en dan hoor ik het gefluit van een alpenmarmot en even later zie ik er ook een paar, zij het niet heel dichtbij. Over de pas verschijnt een vierkant top, met sneeuw bedekt. Een indrukwekkende, kille berg, maar nog niet de Mont Blanc. Op de pas zijn het de gletsjers die de aandacht trekken. Twee valleien vol ijsrivier, met een roestbruine rotspartij ertussen. De pas is ook de grens tussen Zwitserland en Italië en het ‘bonjour’ waarmee wandelaars elkaar begroeten wordt onmiddellijk vervangen door ‘bongiorno’. Ik daal steil zigzaggend af naar Refugio Elena, waar ik kort rust. Daarna daal ik verder, een gestage stroom wandelaars en toeristen passerend. Gezin met kleine kinderen, mensen op sandalen, een vrouw die haar vermoeide hond draagt en een man die elke schuifelstap zet met zijn hand op de rotsen alsof hij elk moment in de afgrond kan storten. De vallei nadert, maar ik maak nog even een uitstapje naar de waterval die de route omlaag dwingt. Dit is iets anders dan dat trapje in Loenen. Eenmaal beneden mag ik aan de andere kant van het water weer omhoog. Hoewel het in feite dezelfde bergwand is, geven de bomen en struiken het landschap een veel aangenamer aanblik dan de eerdere kale helling waar gras en mos om ruimte vechten. Het groen voelt heilzaam en hoe hoog ik ook kom, ik raak nooit boven de boomgrens. Eenmaal boven vlakt het pad af. Het is breed, egaal en zonder lastige stenen en wortels. Het loopt heerlijk. Tussen de bomen door vang ik glimpen op van de bergen. Het is als een toneeldoek waarachter je glimpen opvangt van de rekwisieten die worden klaargezet. De snelle, gestolen blikken doen het verlangen naar de hoofdact alleen maar toenemen. De bergen stellen niet teleur. Telkens wanneer ik iets verder loop, verandert het perspectief, zie ik de bergen als nieuw. Vanaf Refugio Bonatti heb ik maar liefst drie opties om verder te gaan: de nieuwe route, de oude en een slechtweer-variant. Alleen de nieuwe route is als TMB gemarkeerd en daarom volg ik de vallei Val Ferret verder naar de Refugio Bertone. Daar heb ik uitzicht op Courmayeur in het dal. Een grote, drukke stad met de ingang van de Mont Blanctunnel, een kartbaan, flats en huizen. Na een dag lang verwend te zijn met een supermakkelijk pad zijn de stenen op de afdaling weer even wennen. Het gaat langzaam, maar het gaat. Bijna beneden kom ik drie jongens tegen die er doorheen zitten. Ze vragen naar een kampeerplek, maar moeten dan eerst nog helemaal omhoog tegen de heuvel op naar Refugio Bertone en dan verder. Ik raad ze aan in het bos wild te kamperen voor het donker wordt. Even later volg ik mijn eigen advies op, want de camping, waarvan een andere wandelaar zei dat die pal op de route lag, is in werkelijkheid zes km van Courmayeur. En dat is 5,5 km meer dan ik bereid ben om nog te lopen. Ik zoek een vlakke plek in het bos en maak het mezelf gemakkelijk terwijl boven me de ene donderbui na de andere voorbij rolt.

 

Dag 4 Courmayeur – Rifugio Elisabetta Soldini, 18 km

Vanaf mijn plekje in het bos daal ik af naar Courmayeur. Bij de kerk is het even zoeken, maar uiteindelijk kom ik uit bij het busstation waar de route verder gaat richting Dolonne. De wolken hangen laag en onttrekken de bergen aan het zicht. Bij een kabelbaan begin ik te klimmen. De markering van de UTMB gaat mee omhoog en ik moet er niet aan denken dit te rennen. Het pad zigzag en klimt en eenmaal boven glijden de cabines hun eindstation in. De kabelbaan ligt aan de voet van een skigebied, dat zo voor de winter een zielloze indruk maakt. Zo hier en daar wordt er gewerkt om het gebied klaar te maken voor de wintersneeuw. De katrollen van een kabelbaan worden geolied door twee mannen die er in een bakje onder hangen, een trekker doet wat ze hier met trekkers doen. Bij de volgende kabelbaan is het opnieuw even zoeken. Er staat een pijl naar rechts, volgens mijn richtingsgevoel terug naar Courmayeur. Ik geef de markering het voordeel van de twijfel, maar even later bevestigt een handwijzer dat ik precies de verkeerde kant opga. Terug dan. Ik volg de skihelling verder omhoog tot ik bij een café kom. Hier houd ik een pauze die nadat het begint te regenen uitgroeit tot een uur. Een luie dag vandaag, maar dat was ook het plan. Na drie dagen stevig doorlopen, houd ik het bij een enkele etappe. Wanneer ik weer uit het gebouwtje tevoorschijn kom, is het opgeklaard. Ik laat de skihelling achter me, er is weer alleen het pad en de bergen. Nieuwe gletsjers komen in beeld, half verborgen achter een dunne laag wolken. Voor me staan twee wandelaars stil bij iets op het pad. Als ik dichterbij kom, zie ik een jonge alpenmarnot die rondjes draait om zijn lengteas. Hoewel hij niet gewond is, is er duidelijk iets mis. Ze vragen of we iets voor het beestje kunnen doen, maar we durven hem niet uit zijn lijden te verlossen en hopen dat een roofvogel hem snel grijpt. Na een behoorlijke klim daalt het pad af naar de vallei die zich voor me uitstrekt. Een rivier slingert door het groen van Lac de Combal. Wat een plaatje. Ik begin trek te krijgen en maak een kort uitstapje naar een hut die tien minuten van de route af is. Lui van de zon keer ik op de route terug. Ik volg een grindweg langs een helder meer waarin de bergen zich spiegelen. Op een grasveld staan al tenten en een generator klaar voor een rustpost van de UTMB die daarna langs de bergwand omhoog slingert. De gletsjer De la Lex Blanche komt steeds dichterbij tot ik bij Refugio Elisabetta op 2.100 meter bijna op ooghoogte met het ijs sta. Wildkamperen mag pas vanaf 2. 400 meter en op de kale helling rond de hut valt mijn tentje erg op. Ik heb zin in een echt bed en verwen mezelf met een plekje in de Refugio.

 

Dag 5 Refugio Elisabetta Soldini – Les Contamines, 23 km

De zonsopgang boven Lac Combal is magisch. Terwijl de bergen langzaam verkleuren van paars naar grijs, slingeren glinsterende linten water over de bodem van de vallei, om te verdwijnen in een stille laag mist. De gletsjer baadt in de eerste zonnestralen en steekt fraai af tegen de helderblauwe lucht. Mooier dan dit kon ik het niet wensen. Ik popel om op pad te gaan en hijs mijn rugzak weer om, terwijl andere wandelaars hun bagage op een muilezel binden en het lastdier achterna sjokken. Bij de militaire gebouwen onder de Refugio sla ik af naar de Vallon de la Lex Blanche, een vallei vol gras waar verderop het geluid van koeienbellen klinkt. De route voert over een grindweg en ik loop lekker door. Alleen bij het eind van de vallei, als ik wat moet klimmen, zakt het tempo wat in. Ik kom langs een oud douanekantoortje dat nu een museum is en vraag me af hoeveel bezoekers ze krijgen. Vlak voor de Col de la Seigne ontdek ik bij een rotspartij een stel alpenmarmotten. Ze scharrelen ongestoord rond en slaan geen alarm als ik voorzichtig nader. Het eerste beestje zit met zijn kont naar mij toe, wat geen fraai portret oplevert. Dan ontdek ik een groot exemplaar, waakzaam luierend op een rots. Het lukt me om een paar mooie foto’s te maken, voor hij of zij zich verlegen terugtrekt. De laatste meters naar de col, waar ik Frankrijk binnenstap. Ook hier staan de spullen voor een rustposten van de Utmb klaar, hoewel ik geen markeringen zie. Rechts rijst een kom bergen op met een fascinerende gletsjer, die niet voor niets de naam glaciers des glaciers draagt. Hoe lager ik kom, hoe beter ik hem kan zien. Wow. Er komen me een hoop wandelaars tegemoet en wederom klinkt het bonjour volop. Ik daal af naar de bodem van de vallei, waar de Refuge des Mottetes wordt klaargemaakt voor een nieuwe dag. Iets verder op het pad staat een stel stil en kijkt intens naar iets dat op het pad scharrelt. Ik volg hun voorbeeld en zie een jonge alpenmarmot die zeker niet verlegen is. Als ik uiteindelijk heel rustig langsloop, rent hij een metertje naar beneden, maar gaat dan heel kalm verder met grazen. Niet verkeerd! Tien minuten later bereik ik het gehucht Village des Glaciers. Vanaf hier is de hoofdroute zo onaantrekkelijk dat de hoge variant de enige serieuze optie is. In plaats van een anderhalf uur over de weg naar Les Chapieux neem ik een grindweg die gestaag omhoog slingert. Voorbij wat koeienstallen gaat een paadje verder de heuvels in. Langs een beekje klim ik omhoog, tot ik wat daal om het water over te steken. Bewonderend kijk ik naar een schitterende waterval. Meestal trekt het vallende water de aandacht, maar hier is het juist de gladde rots, als gestolde golven, die bijzonder zijn. Over een groene heuvel trek ik verder en daal dan weer iets af naar de voet van een formidabele puinhelling. Zigzaggend hijs ik mezelf omhoog. En hoger, tot ik net over de top een hoogspanningsmast zie verschijnen. Niet helemaal het uitzicht waarop ik had gehoopt op de Col des Fours. De oranjebruine rotsen aan mijn rechterhand zijn fraaier en er is een uitzichtpunt even verderop. Ik gun mezelf er geen tijd voor. Ik heb nog een lange weg te gaan en de hoogspanningsmast belooft niet veel goeds voor het landschap aan de andere kant van de bruine rotsen. Ik daal af naar de Col de la Croix du Bonhomme en de nog iets lager gelegen hut. Daar rust ik maar kort, de vele vliegen, aangetrokken door de latrine, jagen me snel weer weg. De volgende etappe is volgens het boekje met zo’n drie uur een makkelijke wandeling en dat kan er nog wel bij. Het pad is echter behoorlijk rotsachtig en het is opletten geblazen. Na de Col du Bonhomme hebben de Fransen bovendien vers grind en stenen op het pad gestort, wat het lopen er niet makkelijker op maakt. Hoewel ik de hele weg daal, gaat het beslist niet snel. Uiteindelijk kom ik bij de Refuge de la Balme, waar ook een bivak is. De eerste sla ik nog over, want ik wil door naar Les Contamines, maar het tweede bivak is zo mooi gelegen dat ik mijn verlangen naar een warme douche nog even parkeer. Aan de rand van het bos zet ik mijn tentje op, poedel in een ijskoude bergbeek en eet soep met versgeplukte paddenstoelen met een stel Zwitsers.

 

Dag 6 Les Contamines – Les Houches – hoge route 24 km

Ik had het niet beter kunnen treffen. De lucht is stralend blauw en ik verheug me op de hoge route naar Les Houches. Maar eerst moet ik nog naar Les Contamines. Ik daal verder af over de grindweg, terwijl vrijwilligers met markeringen en vrachtwagens met een generator, meloenen en andere spullen voor een rustpost zich moeizaam omhoog werken. De Utmb start vandaag in Chamonix, maar gelukkig pas om 18.00 uur. Het is nog een aardig eind naar het Les Contamines, maar een rivier die zich door een smalle kloof perst maakt het de moeite waard. Bij een prachtige kerk, de Notre Dame de la Gorge, volg ik een gletsjerrivier naar de stad. Bij een andere kerk begin ik te klimmen, steil, maar makkelijk. Langs fraaie houten huizen loop ik de stad uit. Aanvankelijk over een grindweg, later een veel fijner bospad. Tussen de bomen door zie ik in het dal een stad liggen, met fraaie bergketens aan weerskanten. Eindelijk bereik ik de Chalets du Tuc, vanwaar ik een mooi uitzicht heb op alweer een kom bergen die een gletsjer draagt. Over een smal pad daal ik af naar de Chalets du Miage en een idyllischer plek ben ik op deze trektocht nog niet tegengekomen. Een kom bergen, een gletsjer, een melkwitte rivier, typische houten huizen en witte koeien. En een pad. Naar de Col de Tricot. Meestal nader je een col omzichtig, zijdelings en sluipenderwijs, moet je eerst de mindere heuvels overwinnen en verschijnt de laatste klim daarna als een konijn uit een hoge hoed om je nog een laatste keer uit te dagen. Zo niet deze keer. Hier sta je aan de voet van een berg en kunt mensen als speldenknopjes op de pas zien staan, 561 meter hoger. Voor die 561 meter rekent de gids anderhalf uur en dat is niet overdreven. Langzaam zigzag ik omhoog. De speldenknopjes worden legopoppetjes. Het gaat traag, maar gestaag. Af en toe pauzeer ik om mijn hart tot rust te laten komen en te genieten van het serene uitzicht op het dal. Twee oudere dames halen me in, maar zij hebben dan ook geen twintig kilo op hun rug. Tientallen zweetdruppels later ben ik boven. Ik zie de rand van de gletsjer de Bionnassay en tot mijn grote verbazing een futuristisch gebouw op de rand ervan, een Refuge voor alpinisten. Ik daal af en plaats twee markeringen van de Utmb terug die los in de struiken liggen. Terwijl ik afdaal, heb ik steeds beter zicht op de gletsjer en het is geweldig. Het is zo stil dat ik het ijs hoor werken. Wat een fantastisch geluid. Ik ben blij dat ik de rust heb om dit te horen en te luisteren naar de kracht van de natuur. Het pad daalt verder, gelukkig niet heel steil, en ik kom uit bij een hangbrug boven de gletsjerrivier. Nu ben ik vlakbij het eindpunt van de tramlijn naar de Mont Blanc en ik wacht vol ongeduld tot de toeristen de smalle wiebelbrug hebben verlaten. Stilstaan doet pijn aan mijn voeten en aan de andere kant klim ik snel omhoog. Een stukje maar. Tot ik weer bij een weiland kom, waar het geluid van koeien ellen een gevoel van rust en vrede in mij ontketent dat ik op deze trek nog niet eerder zo sterk heb ervaren. Een heerlijke dag. En toch loop ik door naar het onvermijdelijke eind ervan. Een makkelijk pad naar het leegstaande hotel Bellevue volgt. Vandaar is het maar een klein stukje naar de Col de Voza, waar ik via een brede grindweg langs groene skipistes afdaal naar Les Houches. In het dal zie ik Chamonix liggen met een heel donkere lucht erboven en even later een regrnboog. Langs de route kom ik meer en meer mensen van de Utmb tegen en als ik op mijn horloge kijk is het half zes. Oeps! Over een half uur beginnen 2.300 ultralopers vanuit Chamonix aan hun 171 km. Ik rep me naar beneden, terwijl supporters juist omhoog klimmen. Het voelt als een race tegen de klok. Hoewel de grindweg breed is, wil ik de ultralopers niet in de weg zitten. Terwijl de race al gaande is en mensen de eerst lopers op hun mobiel live volgen, bereik ik de rand van Les Houches. Nog iets verder over het parcours en dan bereik ik het punt waar de TMB naar links gaat en de Utmb van rechts op de route komt. Nu wil ik de lopers voorbij zien komen ook en ik doe mijn rugzak af terwijl ik wacht op de eerste lopers. Met andere bewonderaars moedig ik de lopers aan wanneer ze de bergen intrekken. Na een tijdje besef ik dat het al later wordt en daal verder af naar Les Houches op zoek naar een camping. Een agent stuurt me precies de verkeerde kant op, maar twee superlieve Fransen geven me een lift naar een camping die wegens een afzegging nog precies een plekje heeft.

 

Dag 7 Les Contamines – Les Houches – lage route 16 km

Omdat de ultralopers de paden vanaf Chamonix onveilig maken, heb ik twee rustdagen gepland. Maar ja, ik en rust? Na een dag vind ik het wel mooi geweest. Daarom loop ik vandaag opnieuw van Les Contamines naar Les Houches, maar dit keer de lage route. Vanaf het centrum van Les Contamines daal ik af naar de rivier waar een bospad langsloopt. Bij een houtzagerij steek ik de rivier over en ga aan de andere kant verder. Er zit behoorlijk wat asfalt in deze etappe en ik loop lekker door. Gehuchtjes volgen elkaar op, waaronder Les Hoches, geboorteplaats van astronoom Alexis Bouvard, ontdekker van acht kometen. Ik steek de weg over en klim langzaam omhoog naar La Vilette en Le Champel. Er komen me behoorlijk wat wandelaars tegemoet en dat verbaast me. De hoge route is veel mooier, het is dat ik die al gelopen heb. De dag begon bewolkt en grijs, maar inmiddels is het zonnig en het uitzicht vanaf de Col de Tricot moet weer mooi zijn. Ik volg een grindweg verder omhoog, tot ik over een bospad afdaal naar de gletsjerrivier die aan de Bonnassaygletsjer ontspringt. Daarna is er een bospad omhoog en bij Le Crozat een grindweg tot aan de Col de Voza. Vanaf hier is het terrein bekend, al is het nu een stuk rustiger dan twee dagen geleden. Het licht op bergketen Chamonix aiguilles is schitterend. Dit zijn niet de gebruikelijke bergen, verzacht door groen gras of witte sneeuw, maar kale rots waarin de lagen van eeuwen druk zijn af te lezen. Ook aan de andere kant van het dal geniet ik van de pieken en gletsjers. Vrijdag was het te laat en was ik te druk bezig met het zoeken naar een camping om goed om me heen te kijken. Dit laatste stuk is een herkansing en daar ben ik superblij mee.

 

Dag 8 Les Houches – Tête aux Vents bivak, 21 km

Vanochtend vroeg zag ik nog sterren. Daarom maak ik me geen zorgen over de wolken die laag in het dal hangen. Vanaf Les Houches daal ik af naar het station en aan de andere kant van het spoor begin ik aan de klim van 1. 546 meter naar de top van Le Brevent. Langzaam zigzag ik omhoog door het bos. Mensengeluiden dringen diep door. Het geruis van een snelweg, een shovel die achteruit rijdt, het zware gedonder van een laadklep. Er is geen ontkomen aan. Ik probeer de herrie uit mijn hoofd te houden en concentreer me op de mist tussen de bomen en de wortels onder mijn voeten. Het wordt lichter en nu betreur ik de bomen die me het uitzicht beletten. Na een kort stuk asfalt zie ik op een rots een houten hek: een uitzichtpunt! Ik klim omhoog en dan is het puur genieten. Het met wolken gevulde dal onder mijn voeten. En Pl nog: de bergen aan de overkant. De Mont Blanc ligt er stralend bij, onschuldig ogend door de besneeuwde top, maar onmiskenbaar de hoogste. De andere toppen zijn minstens zo imponerend, juist het spel tussen rots en sneeuw maakt dat ze ruiger ogen dan de Mont Blanc zelf. Gletsjers reiken omlaag naar het dal, rivier als smalle linten verder gaand waar de gletsjers ophouden. Met moeite scheur ik mezelf weg van het tafereel en duik het bos weer in. Hoger en hoger klim ik, tot ik bij een Refuge kom, die ik vanwege de bizar hoge prijzen snel voorbij loop. Eenmaal uit het bos het ik een onbelemmerd uitzicht en ik kan het niet laten te stoppen en te genieten. De hele TMB heb ik niet geweten welke top nu precies de Mont Blanc was en juist op het punt dat ik er het dichtstbij ben, openbaart de berg zich in zijn volle glorie. Ik zie de aiguilles du midi met zijn kabelbaan en  uitkijktoren, de enige plek waar het uitzicht op de Mont Blanc nog beter is dan vanaf hier. Een smalle kam brengt me naar Le Brevent, met 2.526 meter de ideale plek om me nogmaals te vergapen aan de bergen tegenover me. Maar ook aan de andere kant laten de bergen zich van hun beste kant zien. Een totaal ander karakter dan het Mont Blanc massief, maar even fascinerend als de Grand Canyon. De kabelbaan naar de top van Le Brevent levert met regelmaat nieuwe toeristen af die zich na een selfie op het terras neerzetten. Nadat ik iets heb gedronken, ga ik verder naar de lagergelegen col. Het pad is berekend op toeristen en geplaveid met grote, platte rotsen. Ook de toeristen zelf hebben hier huisgehouden met een uitgebreide verzameling nutteloze, maar fraaie cairns op een uitstekende rotspunt. Iets lager is er een ijzeren ladder en wat losse, uit de rots stekende plaatjes om je voeten op neer te zetten. De GR5, die al een paar etappes meeloopt, neemt afscheid en ik daal af naar Plan Praz, waar zowel de kabelbaan als de skilift er werkeloos bijligt. Het pad golft verder langs de helling, grijze rotsen tornen boven me uit en op een ervan zijn klimmers met touwen in de weer. Ik kom uit bij de Refuge LA Flegere, die deze zomer gesloten is. Ernaast wordt aan een groot gebouw gewerkt, ongetwijfeld een hotel. Ik had gehoopt hier water te tappen en begin aardig door mijn voorraad heen te raken. Een Israëlische jongeman die op weg is naar het dal vult mijn camelbak bij zodat ik het in ieder geval red tot de rivier die over een half uurtje over het pad stroomt. Vanaf de Refuge is het even zoeken naar de juiste route. Lac Blanc staat aangegeven, maar dat is een alternatief dat alleen in de wandelgids beschreven staat. Uiteindelijk volg ik op basis van de routebeschrijving het pad naar Lac Blanc en niet veel later is er een splitsing naar Tetr aux Vents, een tweede piek. Vlak voor de top zie ik in de verte wat bewegen. Een gems! Even later zie ik er twee, een geit en een kleine. De route loopt net onder de top langs. Inmiddels begint het wat later te worden en ik begin naar een vlak plekje voor mijn tent te zoeken. Een meertje ziet er veelbelovend uit, maar een Fransman wringt zich langs mij heen en claimt het plekje voor zichzelf. Tot mijn ergernis komt die zelfde Fransman even later weer voorbij als ik iets lager op de berg ben. Uiteindelijk vind ik een klein plekje, precies groot genoeg voor mijn tent. Terwijl de schemering valt blijft de Mont Blanc prachtig in het zicht en beginnen er op onmogelijke plekken luchtjes te twinkelen van refuges voor alpinisten.

 

Dag 9 Tête aux Vents Bivak – Col de la Forclaz, 16 km

De ochtendzon streelt de sneeuw op de Mont Blanc wanneer ik mijn tent inpak en het pad opstap voor de laatste wandeldag. Vrijwel meteen daalt het pad snel en steil. Houten bielzen en dikke boomstammen zijn met ijzeren staven aan de rotsen geklonken om een trap te vormen. Even later zijn er ijzeren ladders recht  naar beneden en zelfs even naar binnen buigen om een uitstekende rots heen, zodat ik met mijn volle gewicht aan de trap hang. Gelukkig is het maar een klein stukje, want de treden zijn ijskoud aan mijn vingers. Er is geen ruimte om elkaar te passeren en twee wandelaars wachten geduldig tot ik beneden ben voor ze zelf omhoog klauteren. Daarna daalt het pad verder tot ik op de weg naar Tre les Champs uitkom. De parkeerplaats staat al vol met auto’s en zowel wandelaars als bergbeklimmers gaan op pad. Ik steek de weg over en begin aan de eerste klim van vandaag. Het pad zigzag omhoog door een prachtig bos en de schaduw voelt koel op mijn huid. Eenmaal boven de boomgrens kan ik de verleiding van rijpe bosbessen niet weerstaan en pluk een paar handjes vol. De Mont Blanc ligt nu achter me, maar prijkt nog fier boven zijn buren uit. Voor me ontdek ik een eerste herkenningspunt, een dam die ik op de eerste dag ook vanaf de Frenete d’Arpette zag. Ik klim en klim en snoep af en toe een besje. Dan bereik ik de top

Ik daal weer af naar een groene vallei. Terugkijkend strekt de hé vallei zich voor me uit, met Tre Le Champs en Chamonix daarachter, gedomineerd door de Mont Blanc en andere fraaie pieken. Ook hier wachten skiliften op de sneeuw. Ik klim omhoog naar de Col de Balme en daal dan weer af naar Trient. De afdaling is lang en lastig, een grindweg vol ongelijke stenen. Lager kom ik in een bos en wanneer de eind door de dennen takken rolt, besef ik hoezeer ik dat geluid in de bergen heb gemist. Ik kom uit bij Le Peuy, een gehuchtje dat tegen Trient aanligt. Nog een laatste klim naar de pas. De markering van de Utmb zijn hier nog niet weggehaald en dat maakt het vinden van de route makkelijk. Wanneer ik even langs een weg loop, keert iemand zijn auto en biedt me een lift aan, maar nee. Dat zou afbreuk doen aan mijn wandeling. Ik heb hiervoor gekozen en ook al is deze laatste klim weer pittig, ik geniet ervan.