Schotland

West Highland way: Het mooiste pad van Schotland

Dag 1: Milgnavie – Milarrochy bay, 32km

De dag begint nog goed. Als ik bij de obelisk aankom die de start van de West Highland Way in Milngavie markeert is het grijs, maar droog. Het enige water dat ik hoor is een beekje dat over de rotsen kabbelt en in een duiker onder de winkelstraat verdwijnt. Ik volg het Allander Water Milgnavie uit, vrijwel meteen in een tunnel van groen. Rechts is een weg en aan de overzijde vermoed ik industrie, maar als wandelaar krijg je er amper iets van mee en heb je het gevoel direct in de natuur te zijn. Via iets wat lijkt op een oude spoorlijn bereik ik een bos. Dieppaarse bloemen bedekken de bodem, de bomen zijn getooid met het frisse groen van de lente. Bij Allander park is er de eerste, stevige klim weg van het water. Het uitzicht dat je hier zou verwachten blijft verborgen in de witte wolken die zich laag over de heuvels draperen. Even later gaat het park over in Mugdog Wood en dat is een van de hoogtepunten van deze eerste dag. Een bos als een sprookje, vol groen en bloemen. De beek laat zich weer zien, al zweeft het water nu geluidloos door de brede bedding. Een koekoek roept in de verte, een ander verslikt zich even en antwoordt dan. De route slingert en klimt om daarna weer te dalen. Een klein paadje, waarover ik me verbaas. Zo’n 50.000 mensen lopen jaarlijks deze route, het oudste lange afstandspad van Schotland. En allemaal over dit prachtige, kleine slingerpaadje? Maar waarschijnlijk ben ik iets van de route afgedwaald, want ik kom uit op een asfaltweg waar ik geen markeringen meer zie. Iets terug in het bos zie ik een breder pad, wat me logischer lijkt voor zo’n populair pad. En daar ontdek ik weer een handwijzer met de inmiddels vertrouwde distel. Dan begint het te regenen. Aanvankelijk nog een vriendelijk spetterbuitje, maar die gaat over in de stortregen waar Schotland bekend om staat. Onder een boom trek ik mijn regenbroek aan, maar de regenhoes voor mijn rugzak kan ik zo snel niet vinden. Optimistisch als ik ben, heb ik hem ergens diep weggestopt en ik heb geen zin om de rugzak helemaal uit te pakken. Goedgemutst loop ik verder. Een beetje regen krijgt mij er niet onder en zo erg is het nu ook weer niet. Bovendien was het de afgelopen drie weken  strakblauw en zonnig in Schotland, heb ik al gehoord, en zowel de natuur als de boeren zitten te springen om regen. Op een paaltje liggen wat snoepwikkels, volkomen in tegenspraak met de wandelgewoonte om alleen voetstappen achter te laten. Verbaasd neem ik ze mee en in één ervan zit nog een Mars. Kijk, dat laat ik me even later goed smaken. Over een breed grindpad loop ik langs Craigallian loch en even later langs een paar fraaie vakantiehuizen die Carbeth loch omringen. Tot nu toe heb ik nog niet veel wandelaars gezien, maar nu word ik door een flink aantal ingehaald. Zonder uitzondering dragen ze dagrugzakken, ik ben de enige zijn bagage niet laat vervoeren, lijkt het. Ook hoor ik tot de 10 % van de wandelaars die kampeert. Voor mij is het de eerste keer dat ik een trektocht met een tentje maak en ik ben benieuwd wat me te wachten staat. Na een kort stukje weg laat ik het bos achter en trek een landschap in van laag gras. Aan de horizon verschijnt de eerste heuvel, Dumgoyach als een Monatoetje oprijzend uit het landschap. Iets verderop, bij Dumgoyach Bridge, draait de route een oude spoorweg op en die volg ik enkele kilometers lang. Dat zou saai kunnen zijn, maar doordat het opklaart is het dat niet. De heuvels aan weerszijden worden groen in plaats van grijs en zo nu en dan klinkt het blikkerige geluid van een fazant. Ik loop een restaurant voorbij en plof even neer op een bouwsel van de spoorweg voor een snack. Door gaat de spoorlijn, steeds minder als zodanig herkenbaar. Diverse beekjes kruipen onder het talud door en roodborstjes zingen dat het een lieve lust is. Ik herken zelfs het rollende geluid van de tureluur, die ik dit jaar zelfs in Nederland nog niet vaak heb gehoord. Als ik de spoorweg dan eindelijk mag verlaten, is dat aanvankelijk geen verbetering, want ik verruil strakke lijn voor een stuk langs de drukke A81. Gelukkig is het maar kort en mag ik algauw afslaan naar Gartness. Daar is de waterval een ware attractie. Aan de rechterzijde van de brug komt het water kalmpjes aanstromen over een dammetje en je zou totaal niet vermoeden dat juist de linkerzijde zo spectaculair is. Daar stort het water zich over bruine stenen, waarin het bijzondere vormen heeft uitgeslepen. Perfect ronde gaten, maar ook een steen waar het water van onderaf aan knaagt. Gartness is een gehucht van maar een paar huizen, via de rustige asfaltweg wandel ik richting Drymen. De route passeert het dorp aan de rechterkant en hoewel ik best trek heb, loop ik niet om voor een kopje thee. Gelukkig is er even verderop bij een B&B een ‘honesty box’, een koelbox vol lekkers, de betaling in de brievenbus te deponeren. “No euro’s”, staat erop en blijkbaar is dat nodig. Na een kort stukje weg draai ik een bos in, al stelt het als bos niet veel voor. Een brede grindweg tussen donker productiebos. Zo hier en daar heeft een storm een ravage aangericht, maar er zijn ook kale hellingen waar er zonder mededogen is geoogst. De meeste wandelaars zijn in Drymen gestopt en het wordt rustig op de route, tot ik een Schotse vader en zoon tegenkom met wie ik een tijdje oploop. Er komen ons ook nog wandelaars tegemoet die op weg zijn naar Drymen of verder. Er is een jongeman die er niet naar uitziet alsof hij het nog naar zijn zin heeft en een dertiger met overgewicht die opgelucht ademhaalt als ik hem verzeker dat het niet ver meer is. Even verderop vind ik een Dextro-energyreep op het pad en als iemand me duidelijk wilde maken dat ik het met hardkeks alleen niet redt, is die boodschap inmiddels wel doorgekomen. Vlak voor ik het bos verlaat moet ik kiezen: hoog of laag. De hoge route gaat langs Conic Hill. Vanwege het lammerseizoen is de hoge route gesloten voor honden, maar wandelaars zijn welkom. De lage route gaat langs de weg naar Balmaha en dat lijkt me erg saai. Uiteraard kies ik voor de hoge route en ik voel me nu veilig genoeg om mijn warme regenbroek uit te doen. Al ruim voor ik zijn flanken betreed, verschijnt Conic hill aan de horizon, aanvankelijk nog grijs, maar als de zon doorkomt aangenaam groen. Het is de eerste van een reeks van bergen die zoetjes aan afdalen naar de lichte glinstering van Loch Lomond in de verte, waar ik de komende dagen mee kennis zal maken. Het landschap is hier ruiger, zonder tekenen van menselijke beschaving of die ontsierende hoogspanningsmasten die ik eerder vandaag nog betreurde. Een lappendeken van bruintinten en groene graspolllen, met een eenzame boom die afsteekt tegen de steeds grijzer wordende lucht. Dit keer hoor ik de koekoek niet alleen, ik zie ze ook, twee zelfs. Het is dat ze tijdens hun vlucht roepen,anders had ik ze in dit slechte licht voor een duif aangezien. Via een bruggetje steek ik Burn of Mar over en begin te klimmen. De route gaat niet over de top, maar hoewel 361 meter niet hoog leek, is het toch flink intimiderend als je aan de voet ervan staat. En dan begint het weer te regenen. Eerst misleidend zacht, dan een zondvloed die niet te stuiten lijkt. Te laat om mijn regenbroek weer aan te doen en koppig loop ik verder. Toch valt er nog genoeg te genieten, want aan de achterzijde van Conic Hill ontvouwt zich een uitzicht op Loch Lomond dat misschien niet zo spectaculair is als op zonnige dagen, maar wel aangenaam mysterieus. Grijze vinger rollen vanaf het water de heuvels in, eilanden weten zich omsloten door bleek vocht. Verrassend genoeg kom ik hier juist weer veel mensen tegen. Een wandelaarster met volle bepakking die nog op weg is naar Drymen, maar ook veel dagjesmensen die vanaf de parkeerplaats aan de rand van Balmaha een uitstapje maken naar de top van Conic Hill. Zij liever dan ik, als ik niet de West Highland Way liep, bleef ik met dit weer toch mooi binnen. Gelukkig wordt het beter naarmate ik lager kom en als ik afdaal door een bos met varens die als pijlen uit de grond steken, wordt het zelfs droog. Toch begin ik het onderhand fris te krijgen en heb ik het wel gehad voor vandaag. De camping is een echter een eindje buiten Balmaha, dus ik mag nog even. Er is nog een fraaie slinger door het bos naar een heuvel waar ik op een andere dag zeker stil zou staan voor het uitzicht en vandaar weer ga ik weer naar beneden. Het laatste stukje gaat over het steenstrand van Milarrochy Bay en hier vergeet ik prompt mijn natte jas en zere voeten. Midden tussen de stenen staat een boom, zijn wortels hoog uitstekend boven het strand, tegen een spectaculaire achtergrond van water en heuvels. Verderop staan soortgelijke bomen, telkens één in de open ruimte, als een vliegden in een heideveld, maar geen is zo spectaculair als die eerste. Mogelijk lag hier vroeger aarde die is weggespoeld, de bomen in deze onwaarschijnlijke setting achterlatend. Het is hoe dan ook een bijzonder gezicht en ik geniet. Vooral wanneer ik aan de andere zijde van het strand tenten ontwaar. Het is genoeg geweest voor vandaag.

Dag 2 Milarrochy Bay – Cailness + Ben Lomond 30 km

Zo grijs en vochtig als het gisteren was, zo fraai is de ochtend die Loch Lomond nu begroet. Aan de overkant tonen de heuvels geelgroene vlekken waar de zon ze raakt en ik zie zelfs blauwe lucht. Als een van de eersten ga ik op pad, na een klein stukje weg een bos induikend. De hele dag, en ook nog een stuk van morgen, volgt de route Loch Lomond naar zijn einde. Dat betekent allerminst dat dit stuk van de West Highland Way saai is, al kan ik me voorstellen dat mensen die kortere etappes lopen er wel genoeg van krijgen. Maar het bos verandert telkens van karakter, van een open loofbos vol paarse bloemen tot een dennenbos dat heerlijk geurt en dan weer een bos vol jonge varens. Het pad golft op en neer, ingesloten door het groen. Ik begin het bijna te betreuren dat er geen kaal, open stuk is vanwaar ik de bergen kan bewonderen die af en toe zo verleidelijk door de boomtoppen pieken. Dan volgt er een kort stukje langs de weg en heb ik vrij uitzicht op het water, de eilandjes en de heuvels aan de overzijde. De heuvels aan deze kant van het meer blijven een verrassing. Bij een boothuis waar een apparaat luidruchtig staat te brommen draait de route weg van het water, om de landtong van Ross Wood heen. Af en toe kan ik vanaf het pad een berg zien en langzaam borrelt het plan op om Ben Lomond te beklimmen, wat eigenlijk niet op mijn programma stond. Met 914 meter is hij niet zo hoog als Ben Nevis, maar op fraaie dagen moet de berg een spectaculair uitzicht op Loch Lomond bieden. En een fraaie dag is het, dus waarom niet? Ik beloof mezelf de top, mits ik mijn zware rugzak ergens kan parkeren. Het pad komt weer uit op de weg, die Rowardennan indraait, een dorpje dat eigenlijk nog te klein is om gehucht te heten. Een hotel, bar en een veerpont naar het veel grotere Tarbet aan de overkant, veel meer is het niet. In de bar geniet ik eerst van een zware cake, het uitzicht op het water en de top van Ben Lomond. Zo nu en dan is de top van de berg in grijs gehuld, maar het zijn telkens korte buitjes. Ik laat mijn rugzak achter in de schuur van het hotel waar de vervoerde bagage aankomt en ga met alleen een dagrugzak verder. Heerlijk licht voel ik me opeens. Ik loop naar de parkeerplaats even verderop waar de openbare weg eindigt en het pad naar Ben Lohmond begint. Dat het pad enorm populair is, wordt meteen duidelijk. Ik ben zeker niet alleen. Tientallen wandelaars gaan omhoog, een aantal met hun hond. Anderen komen alweer naar beneden, wat een stuk rapper gaat. Het pad is moeilijk noch zwaar, alleen volhardt het in het stijgen, zes kilometer lang. Er zijn trappen van stenen, grind, rotsen. Langzaam worden de bomen kleiner tot ik voorbij de boomgrens ben en er alleen nog gras en mos rest. Hoe hoger ik kom, hoe spectaculairder het uitzicht op Loch Lomond en al zijn eilandjes. Het is zo helder dat ik de verre punt van het meer voorbij Balmaha kan zien. Maar ook het achterland mag er wezen. Een prachtige aaneenschakeling van bruintinten, een meanderende beek in de diepte, een ver loch. Wat ben ik blij dat ik deze uitstap heb gemaakt, een hoogtepunt in een verder niet heel bijzondere dag. Op weg naar de top maak ik me even zorgen of ik Inversnaid vanmiddag nog zal halen. Dan geef ik mezelf een standje. Loop ik hier een geweldige wandeling, ben ik in mijn hoofd bezig met mijn schema. Leef in het hier en nu, houd ik mezelf voor en richt mijn aandacht weer op mijn voeten en het pad naar de kruin van Ben Lomond. De top is gemarkeerd door een onopvallend betonnen paaltje en zelfs dat is overbodig. De talloze mensen die er zitten, uitrustend voor de afdaling, zeggen genoeg. Een mountainbiker, die zijn fiets zes km omhoog heeft gesjouwd, krijgt een welverdiend applaus. Ik kijk naar alle kanten en overal is het mooi. De rotsen, het water, de eindeloze horizon vol heuvels, de klif met geel mos waarover stilletjes lichtgrijze plukjes wolk drijven. Het waait echter te hard om lang  stil te staan en al na een kwartiertje richt ik mijn voeten weer naar hetzelfde pad terug. Er is ook een andere route naar beneden, maar die  komt een eind buiten Rowardennan uit en ik weet niet précies hoe ver. Ik wil niet al te ver terug hoeven lopen om mijn rugzak op te halen en kies voor de bekende weg. Op deze hoogte en met deze wind is het koud en ik begin mijn vingers te voelen. En verdraaid, prompt vind ik op het pad een stel handschoenen in mijn maat. Heerlijk warm. Naar beneden gaat sneller dan omhoog en het pad lijkt me makkelijker dan ik van de heenweg herinner. Het wordt rustiger op het pad, nog slechts een enkeling kom ik tegen die al zwetend en fotograferend omhoog zwoegt. Eenmaal terug in de bar bestel ik eerst de sandwich gerookte zalm die ik mezelf heb beloofd. Daarna pik ik mijn rugzak en de West Highland Way weer op. Ik ben gelukkig. Het pad blijft de oever volgen door de meest prachtige bossen. Er zijn beekjes, bruggen, plankieren over vochtige grond. Mos in allerlei kleuren en ik vermoed dat er dan ook zonnedauw moet zijn, al heb ik geen zin om ernaar te zoeken. Alleen de drukke A2 naar Inverness aan de overkant van Loch Lomond werpt een smet op de idylle. Het verkeer van de avondspits is goed hoorbaar, met af en toe een motor of vrachtwagen om te benadrukken dat de beschaving niet zo heel ver weg is. Mijn uitstapje naar Ben Lomond heeft zo’n vijf uur gelost en ik loop flink achter op mijn schema voor vandaag. Toch ben ik niet moe en stap flink door. Het is heerlijk het pad even voor mezelf te hebben, alleen met de vogels. Na een trappetje kom ik drie Schotten tegen, druk in de weer met blarenpleisters. Ze willen nog naar Invervoran, maar beseffen dat ze dat niet gaan halen. Inversnaid, mijn beoogde eindpunt, is nog zes kilometer, vermoeden ze als ze hun gps raadplegen. Dat is te doen, tot mij lichaam het onmiskenbare signaal geeft dat ik er teveel van vraag. Ik ben inmiddels het Nationaal park uit en wildkamperen mag. Nadat ik voor de tweede keer in korte tijd de bosjes in moet duiken, besluit ik dat het genoeg is geweest. Op de eerste geschikte plek zet ik mijn tent op tussen de bomen en bloemen, terwijl de vogels me in slaap zingen.

Dag 3: Cailness –Inverarnan 13 km

Ik heb het geluk dat ik mijn tent nog droog kan opvouwen, maar kort nadat ik weer op pad ga, begint het te regenen en daar houdt het de hele verdere dag niet meer mee op. Gelukkig ben ik dit keer goed voorbereid en begin ik de dag met mijn regenbroek aan en de regenhoes strak om mijn rugzak. Toch valt er nog genoeg te genieten en ik weet niet of het landschap er met zon zoveel fraaier had uitgezien dan nu. Het pad golft door aangenaam groen bos en de paarse bloemen zijn overal. Er zijn talloze stroompjes die ik via stapstenen oversteek. Af en toe vang ik door de bomen een glimp op van Loch Lomond, waar de bergen als grijze schimmen bovenuit rijzen. Een vreemde cairn van stenen en takken langs het pad blijkt een monument voor Bill Lobban te zijn.

De 41-jarige leraar gaf in november 1975 zijn leven om twee andere leraren en een 17-jarige studente te redden toen ze bij het doorwaden van Cailness Burn hun evenwicht verloren en door het water werden meegesleurd naar Loch Lomond. Ik passeer rotsen, opgebouwd uit laagjes,alsof millennia geschiedenis in steen is vastgelegd, wat waarschijnlijk ook zo is. Ik kom nog geen andere wandelaars tegen en de paar tentjes die ik langs het pad tussen de bomen aantref, zijn stil. Net als de weg aan de overkant, waar de ochtendspits voorbij lijkt te zijn. Of misschien staat de wind vandaag gunstig. Ik hoor hem in ieder geval amper en daar ben ik maar wat blij mee. Alleen het bekende gebonk van een trein laat zich tot ver over het water volgen. Inversnaid is verder dan ik dacht en naarmate de tijd verstrijkt en ik het ene klimmetje na het andere trotseer, weet ik dat ik er gisteren goed aan heb gedaan te stoppen waar ik deed. Dit had ik gisteravond echt niet meer gekund. Nu gaat het echter prima en na ongeveer anderhalf uur kondigt een diep grommel de waterval van Inversnaid aan, die groter is dan alle watervallen tot nu toe. Het is een indrukwekkend gezicht en de regen draagt daar zeker aan bij. Over twee trappen stort het water zich naar beneden en ik loop langs het hotel naar beneden om een foto te kunnen maken waar geen overhangende takken op staan. Na wat geklauter over niet helemaal officieel toegankelijke stenen, maar ik de foto die ik wilde. Even twijfel ik of ik hier zal afslaan naar een camping, ongeveer 1 kilometer van de route, maar ik ben amper begonnen en wil door. Die regen kan toch nooit de hele dag duren? Ik zie geen markering en gedachteloos volg ik de weg langs ontbijtende hotelgasten omhoog. Pas als de weg landinwaarts draait, voel ik dat ik verkeerd zit. Voor het eerst deze vakantie raadpleeg ik de route in mijn gidsje en keer dan op mijn schreden terug. En inderdaad, langs het water staat een versleten markering,die me op de heenweg niet opviel vanwege de twee touringcars op de parkeerplaats ervoor. Wat volgt is een pad dat rustig begint, maar algauw uitdagender wordt. Er zijn trappen van steen, rotsen en wortels. Het is klauteren en puzzelen, leuk maar zwaar. Des te verrassender dat me twee mountainbikers achterop komen, die de West Highland Way fietsen. Alleen valt hier niet veel te fietsen en regelmatig dragen ze hun mountainbikes op hun schouder over lastige punten heen. Wanneer ze dan wel weer even op de fiets springen, klinkt hun voortdurende remmen als een nagels op een krijtbord. Gelukkig verdwijnen ze al snel om een bocht en hoor ik ze niet meer. Ik klauter gestaag verder, tot nu toe opgewekt en optimistisch kijkend naar de lichter wordende lucht in de verte. Soms neemt de regen af tot een miezerbui, waardoor het bijna droog lijkt. Ook het bos blijft steeds weer nieuwe wonderen mijn kant op werpen. Bomen groeien pal op de rotsen, beide zo dik begroeid met mos dat ik alleen kan raden waar de een ophoudt en de ander begint. Na een bijzonder venijnig stuk daal ik af naar een bordje dat Rob Roy’s cave aankondigt, maar van een echte grot is geen sprake. Dan is er een open stuk, waar ik volop uitzicht heb op het meer en de bergen. Het stuk direct voor mijn voeten is zo mogelijk nog fraaier: paarse bloemen en het rood van dode varens wisselen elkaar af, met daartussen enkele wit bloeiende bomen. Het is een plaatje. In het meer komen enkele eilandjes dichterbij en ik weet dat het opschiet. Plotseling zie ik de mountainbikers weer, hun fietsen op de schouder als omineus teken van wat komen gaat. Het is een steile trap naar een brug, die een miezerig beekje overspant. Een waterval kun je dit niet noemen, het water vloeit langs een slijmerige rots en verzamelt zich dan in een nauwe bedding om door te stromen naar Loch Lomond. Ik loop vooruit en laat de twee al snel een eind achter me. Hoewel Loch Lomond nog een eindje doorgaat, buigt de West Highland Way bij een zandstrandje weg van het water naar een bos,waar ik een bijzonder aantrekkelijk beekje omhoog volg. De mountainbikers, die nu echt kunnen fietsen, halen me weer in en verdwijnen om een bocht. Als ik ze volg, blijkt dat de route een schijnbeweging heeft gemaakt, want aan de andere kant van een heuvel strekt het meer zich weer voor me uit. Aan het water staat iets wat lijkt op een vervallen boerderij, maar het blijkt Doune Byre Bothy te zijn, een hut waar wandelaars kunnen overnachten of, zoals vandaag, even kunnen schuilen voor de regen. Terwijl het buiten blijft gieten, voeg ik me bij de mountainbikers en twee wandelaars die kort na mij binnenkomen. Ik begin te beseffen dat ik Tyndrum niet wil halen vandaag. Ik zet een joker in. Na de West Highland Way had ik twee rustdagen gepland en een ervan offer ik op, zodat ik de eerste camping na Inversnaid kan pakken. Omdat ik wel in Tyndrum wil overnachten, loop ik die etappe morgen wel. De camping daar heeft een wasmachine en een droogkamer en de eerste dag zijn de kleren in mijn rugzak aardig vochtig geworden. Dat betekent vandaag wel een erg korte dag, maar daar is het weer ook naar. Hopelijk krijgen we niet nog zo’n dag,want mijn tweede rustdag wil ik Ben Nevis beklimmen. Rusten ligt me nu eenmaal niet zo. Wanneer ik verder ga, krult de route weg van het water om een paar fikse heuvels heen. Ik kom twee wandelaars tegen die Nederlanders blijken te zijn. Hoewel ze regelmatig NS-wandelingen lopen, is dit hun eerste ervaring met een trektocht. Ze slapen in hotels en b&b’s en moeten dus wel verder, ondanks hun blaren en de aanhoudende stortregen. Ik geniet van het vooruitzicht dat ik niet zo heel ver meer hoef en blijf om me heen kijken. Aan de overzijde van de vallei stroomt een krachtige waterval langs de bergwand naar beneden. Ik verbeeld me dat ik hem hier kan horen. Dan verschijnt na alweer een flinke beek eindelijk het langverwachte Inverarnan, hoewel ik niet verder kom dan de bar van Beinglas, een backpakkersaccomodatie met kleine, ovale hutjes voor wandelaars en een groen veldje voor tenten. Het dorp zelf ligt aan de overzijde van de rivier en kan me even gestolen worden. De bar zit vol wandelaars die hier hun toevlucht hebben gezocht voor de regen. Een Brits trio wil doorlopen naar Tyndrum en schrikken als ik ze vertel dat het nog twintig kilometer is. Ze dachten zelf aan veertien. Wanneer ik onder het genot van een tonijnsandwich de gids raadpleeg,zie ik dat er geen campings staan aangegeven tot Auchtertyre, vlak voor Tyndrum. Nu ja,dan blijf ik toch gewoon hier? Ook geen straf. En zo zit het er voor mij al na x km op en krijg ik alsnog de korte dag die ik eigenlijk gisteren had zullen hebben. Ik weet alleen niet hoe goed ik slapen zal met het gedonder van Ben Glas Burn in mijn oren.

Dag 4 Inverarnan – Tyndrum 19 km

Als ik s ochtends wakker wordt hangt de mist laag over de heuvels. Ik trek de kap van mijn mummieslaapzak over mijn ogen en blijf nog even lekker liggen. Bij mij tweede poging is het uitzicht beter. Al ben ik niet de eerste die op stap gaat, het is nog redelijk vroeg. En wat ben ik blij dat ik dit stuk gisteren niet heb gelopen. Met de camping laat ik ook het bos achter me en daarmee elke beschutting tegen de elementen. Nu is het redelijk zonnig en ik zou aardig op kunnen schieten op deze brede grindweg, ware het niet dat ik steeds word afgeleid door de talloze watervallen van Falloch River. Soms loopt de weg er pal langs, soms iets erboven. Steeds daal ik voorzichtig af om te zien of het donderend geweld er net zo spectaculair uitziet als het klinkt en waar drie beken samenkomen is dat inderdaad het geval. De rotsen zijn geen partij voor het water, uitgeslepen in spectaculaire vormen. Het volume en kracht van het water zijn indrukwekkend. Er is een prachtig uitzicht op de heuvels, talloze tinten groen. Schitterend,als je de hoogspanningsmasten erbij wegdenkt. Zelfs de weg kan ik ze nog vergeven en ook de spoorlijn maakt geen al te grote inbreuk op het landschap. Maar die masten vloeken en drukken je met je neus op het feit dat de mens domineert. Gelukkig raak ik aan de praat met een Engelsman die de West Highland Way al voor de derde keer loopt en dat leidt me aardig af. We gaan door een lage ‘sheep creep’ onder de spoorlijn door en even later door een iets hoger tunneltje ook naar de andere kant van de A82. Het pad waar ik op loop is een oude militaire weg, ooit aangelegd door de Engelsen om het makkelijker te maken de opstandige Schotten in bedwang te houden. Terwijl de weg langzaam afzwaait naar Crianlarich, zie ik een aantal wandelaars staan bij een informatiebord dat het middenpunt van de West Highland Way schijnt te zijn. Heel interessant is het niet en ik ga gauw het bos in, waar het pad slingert en stijgt. Het is productiebos, maar gelukkig zijn de bomen hier met rust gelaten en een heerlijke dennengeur omringt me. Bij een kabbelend beekje doe ik iets ongewoons, ik plof neer op een verhoging van gras en mos en geniet ongecompliceerd van de natuur om mij heen. Het geluid van stromend water verdrijft alle gedachten. Ik knabbel wat hardkeks weg en vul mijn camelback met fris beekwater. Heerlijk. Achter me komen wandelaars langs over het pad, maar ik heb geen zin om op te staan en het duurt even voor ik verder ga. Ik volg de beek naar een sierlijke spoorbrug en de weg er vlak achter. Er wordt aan een weghelft gewerkt en een verkeersregelaar die auto’s om de werkzaamheden heen dirigeert, komt ook voor de wandelaars goed van pas. Ik steek de rivier over en kom dan op een weg naar een verre boerderij terecht. Langs de weg staan informatiebordjes met de namen van de omringende heuvels, maar die zijn door de wolken niet te zien. Onder een groepje bomen ligt de ruïne van St. Fillan’s church en even later passeer ik heuvel vol grafstenen. Het begint weer te druppelen en even later stortregent het. Juist dan passeer ik een camping met een klein winkeltje en een overdekte picknicktafel. Prima timing. Met een halve liter melk, een koekje en een Sunday Times van een paar weken oud wacht ik tot het droog wordt. Al gauw krijg ik gezelschap van een echtpaar, terwijl andere wandelaars van top tot teen ingepakt stug doorlopen. Na een uurtje klaart het op en waag ik het erop. Terwijl het echtpaar afslaat naar hun overnachtingsadres volg ik de rivier stroomopwaarts. Vlak voor Tyndrum is nog een klein heidegebiedje met een waterpoel waaraan een legende is verbonden. Nadat hij was verslagen in Dalrigh zouden Robert de Bruce en zijn leger hun wapens in dit meertje hebben gegooid en de wapens zouden er nog steeds liggen. Een informatiebordje verhaalt de legende en ontkracht hem meteen. Op een kaart uit 1867 liggen Dalrigh en het bijbehorende meertje verder naar het zuiden. Waarom de legende zich naar dit meer heeft verplaatst, is helaas niet meer te achterhalen. Even verderop komt het pad uit op een lelijk en troosteloos plekje, als een afgedankte parkeerplaats. Ook hier historie, maar dan minder fraai. Het is een hier stond een oude loodverwerkingsfabriek en op de vergiftigde grond groeit niets meer. Ik ga gauw het klaphek door om deze levenloze plek achter me te laten en trek aan de rand van Tyndrum het bos in. Ik volg een riviertje dat achter de campings langs slingert. De eerste camping sla ik over, de tweede is mijn eindpunt. En juist als ik er  aankom, breekt de zon door. Met dit weer zou ik nog uren door kunnen gaan. Toch loop ik niet verder. Na vier dagen wil ik eindelijk wel weer eens droge schoenen hebben.

Dag 5: Tyndrum – Kingshouse Hotel 30 km

De zon schijnt. Het is onverwacht, maar waar. Juist deze etappe is goed weer belangrijk, want hij loopt grotendeels langs de rand van Rannoch Moor, een kaal heidegebied zonder enige beschutting. Enthousiast pak ik mijn spullen en ga op pad. Het is nog vrij koud en met frisse tegenzin doe ik alvast wat laagjes uit, omdat ik het al lopend binnen de kortste keren warm ga hebben. Dan verlaat ik de camping en stap direct de West Highland Way weer op. Om meteen weer stil te staan,want het beekje dat door een ondiepe stenen bedding meandert is prachtig. Een rode tent staat op een heuveltje en even ben ik jaloers, wat een prachtige plek om wild te kamperen. Ik steek de drukke A82 over die dwars door het dorp loopt en passeer de laatste winkel voor Kinlochleven. De route loopt tussen de spoorlijn en de A82 in, langs een rivier die in een diepe, groene kloof stroomt, maar ik heb vooral oog voor de bergen die rechts van de rivier oprijzen. De eerste is gekarteld als plooien in een oude huid. De tweede steekt prompt naar voren als de boeg van een schip dat de zee doorklieft en ik krijg het woord ‘Titanic’ maar niet uit mijn hoofd.

Ik loop weer over een oude militaire weg, breed en gemakkelijk. Geen wonder dat deze etappe lekker lang kan zijn. Tot mijn verbazing zie ik een wandelaar langs de weg richting Tyndrum lopen. Hoe kun je nu de voorkeur geven aan asfalt boven de rust van de militaire weg? Ik begrijp er niets van. De weg kronkelt naar de voet van de bergen en de beek huppelt mee aan mijn linkerhand, opgefleurd door gele brem. Het is zo’n vrolijk gezicht dat ik er spontaan blij van word. Door een tunneltje duik ik onder de spoorweg door, die een brede slinger maakt om de rivier iets gemakkelijker over te steken. Juist dan komt er een trein aan en ik maak een foto voor mijn vader, die treinengek is, al vallen de blauwe wagonnetjes nauwelijks op in het imponerende landschap. Ik volg het spoor terug naar Bridge of Orchy, waar wandelaars al ruim van tevoren worden gewaarschuwd dat er op het station geen openbare toiletten zijn. Blijkbaar zijn ze de wandelaars moe die er met hoge nood om komen vragen. Ik daal steil af naar het dorp, een dozijn huizen en een hotel. Als ik de weg oversteek, zie ik slagbomen die kunnen worden afgesloten als de weg door sneeuw onbegaanbaar is. De belangrijkste weg naar Inverness? Dicht? Ik sta even met mijn ogen te knipperen dat zoiets mogelijk is. Bij het hotel las ik een korte pauze in, want ook al is de nood niet heel hoog, een pittstop is wel heel welkom. Na een kwartiertje hijs ik mijn rugzak weer om en vervolg mijn weg. Maar opnieuw kom ik niet heel ver. De stoere stenen brug uit 1750 is op zichzelf al fraai, maar verliest het dik van het geweldige uitzicht. Een ondiepe, brede rivier die klaterend over de stenen tuimelt op zijn weg naar de bergen aan de horizon. Een schier eindeloze verte. Mijn camera snort tevreden en ik loop door met nieuwe energie en vreugde in mijn stappen. Zeker als ik direct een bosgebied betreed, waar ik langzaam omhoog klim tot ik dan eindelijk ben omringd door kale heuvels met hier en daar een groepje bomen en een loch. Weg van de beschaving, een landschap zoals het hier al duizenden jaren bestaat. Onveranderd en natuurlijk. Hier ligt mijn hart. Hoewel ik geniet van bos en bloemen, maakt niets me blijer dan de oneindige diversiteit van de bergen. Het uitgebreide kleurenpallet, de naakte ruigheid. Om elke bocht verandert het uitzicht, met elke wolk en zonnestraal ontvouwt zich een nieuwe regenboog aan kleuren. Er zijn zelfs bergen waar eeuwige sneeuw ligt. Aanvankelijk loopt de route over een oude militaire weg en dat loopt prima. Een loch verschijnt en ik daal ernaar af. Zo komt ik uit bij Inveroran Hotel, het enige gebouw in de wijde omtrek. Volgens mijn oorspronkelijke planning zou ik hier vandaag stoppen. Maar als ik één ding geleerd heb de afgelopen dagen is dat je van droog weer moet profiteren zolang het aanhoudt. En na twee korte dagen heb ik energie te over. Mijn voeten jeuken om door te gaan en met plezier geef ik ze hun zin. Ik volg de asfaltweg voorbij het hotel naar een riviertje, waar een tentje in de bocht van een rivier het meest jaloersmakende uitzicht heeft dat ik tot nog toe ben tegengekomen. Er is een reden waarom wildkamperen me trekt en dit uitzicht is dat alles en meer. Een volgende rivier dient zich aan, ook al ansichtkaartwaardig, zoals zowat elk uitzicht naar alle kanten. Bij een eenzame B&B duikt de route een stukje bos in en krijgen we een ‘drovers road’, een weg waarover highlanders hun vee naar de markt brachten. Scherpe, ongelijke stenen en dat is even lastig. Uiteindelijk volgt er grind en dat loopt weer beter. Als ik even zit om te rusten zie ik in de diepte een ree lopen. Als ze niet had bewogen, had ik haar niet gezien. Ik loop langs de rand van een bos terwijl verschillende wandelaars me achterop komen of even in het gras zitten voor een lunchpauze. Aan het eind van het bos is weer een open vlakte. Rechts een paar lage bergen, links een weids uitzicht met heel in de verte de weg waarover piepkleine auto’s en vrachtwagens zich geluidloos voortbewegen. Het is niet saai. Elke meter heeft zijn eigen aantrekkingskracht. Een grillig gevormd ven. Het zonlicht dat met twee bergen speelt. Een beek die zich over de rotsen stort. Een paar plantages, vierkante postzegels bos, midden in de leegte, onnatuurlijk strak en storend. Ik passeer een meertje, Lochan Mhic Pheadair Ruaidhe, en houd even verderop bij Bà Bridge een korte pauze. Hier stort het riviertje Bà zich slingerend naar beneden om zich daar bij een andere rivier te voegen, die weer uitmondt in een groot loch in de verte. Het voelt zo vredig en ik heb het gevoel dat ik alleen op de wereld ben. Een gevoel dat ruw wrdt verscheurd als een grijs militair vrachtvliegtuig ontzettend laag door de vallei komt zetten. Het bevindt zich ruim onder de toppen van de heuvels, hooguit een paar honderd meter hoog. Later hoor ik dat de Engelsen hier laagvliegoefeningen houden en ik zal het vliegtuig de komende dagen nog een paar keer voorbij zien komen. Bijzonder. Langzaam begint de route de vallei uit te klimmen en ik verheug me op nieuwe verrassingen die het landschap zal onthullen. Eerst is er een stoeltjeslift  van het Glencoe Mountain Resort skicentrum die tegen een heuvel opkruipt. Gelukkig is er geen kaalslag gepleegd om een skipiste te maken. Tenminste, niet aan deze kant van de bergen. Ook de A82 komt weer aanzetten, hoewel ik het verkeer nog niet hoor. Maar wat vooral mijn aandacht trekt, blijft toch de natuur. Indrukwekkend is l Buachallie Etive Mór, de grote herder van Etive. Een driehoekige berg die op het snijpunt van twee valleien staat, Glen Etive en Glencoe. Hoewel de berg enorm is en het weer helder, lijkt het alsof de berg zijn eigen mist produceert, want hij blijft wazig en vaag. En inderdaad, uit het linkerdal komt een dikke laag bewolking aandrijven, terwijl de rechtervallei volkomen helder is. Ik steek een rivier en de weg over en loop over een parallelweg naar Kingshouse Hotel, dat flink wordt verbouwd. Een wals is bezig grond te egaliseren en maakt een kabaal van jewelste als hij achteruit rijdt. Tot mijn stomme verbazing trekken de hindes in de voortuin van het hotel zich er niets van aan. Even vermoed ik dat het een hertenkamp is, maar nee, ik zie nergens een hek. Ontspannen liggen de dieren in het gras, wachtend tot ze gevoerd worden met restjes uit de keuken. Het is pas 16.00 uur en hoewel ik even de bar aandoe, overweeg ik om nog een stukje door te lopen. Juist dan begint het te stortregenen en ik voer me bij de talloze kampeerders die hun tentje langs de rivier hebben opgezet. Dan zie ik een klein eilandje waar nog maar één tentje staat. Veel leuker. De rivier is ondiep en ik zoek mijn weg over de stenen naar deze oase van rust te midden van het dorp wildkampeerders.

Dag 7: Kingshouse Hotel – Glen Nevis Campsite 34 km

Als ik het ijs van mijn tent heb geschud en mijn matje, slaapzak en al het andere losse spul in mijn rugzak heb gepropt, ga ik op pad. Het is pas half zeven, maar zoals gewoonlijk ben ik vroeg wakker en de frisse ochtendlucht is te verleidelijk om te blijven liggen. Een uur geleden nog was alles zeeblauw en keek de maan neer op de vele bergen. Nu zijn ze gehuld in een dikke laag mist, maar de zon is boven de horizon en ik gok erop dat het helder is wanneer ik de top van de Devil’s Staircase bereik. Bovendien geeft de mist het landschap iets mysterieus en verwachtingsvols, dat zou ontbreken wanneer je elk detail kon onderscheiden. Nu is er steeds het gevoel van verrassing, achter elke mistflard en sluier kan schoonheid verborgen liggen en het samenspel van wat je kunt zien en waar je op hoopt, heeft zijn eigen aantrekkingskracht. Met volle bepakking zoek ik mijn weg van het eilandje door de ondiepe beek naar de oever, waar ik talloze tentjes met nog slapende wandelaars passeer. Eenmaal op de verharde weg loop ik langs de met heide begroeide heuvels. Vrijwel meteen zie ik een aantal hinden die opkijken bij het geschraap van mijn stokken en daarna rustig verder grazen. Even later hoor ik het rollende geluid van een korhoen en een vogel vliegt naar een heuveltje verderop. Helaas komt hij niet dichterbij om zijn territorium te verdedigen, zoals twee jaar geleden op de Coast to Coast. De weg buigt naar de A82 toe, waar nog maar enkele auto’s en vragenwagens rijden en draait er dan weer vanaf. Hoewel het achter mij steeds lichter wordt, blijft er in het dal Glencoe een muur van mist hangen. Ik heb echter niet het gevoel dat ik veel mis en stap stevig door over de oude militaire weg. Dan daalt de weg weer, tot ik pal naast de snelweg loop. Dit zou vervelend kunnen zijn, maar ik heb slechts oog voor de bergen, die af en toe hun indrukwekkende pieken laten zien. Waar de snelweg met een ruime bocht in de mist verdwijnt, beschijnt de zon een wit huis, terwijl de rivier aantrekkelijk door een stenen bedding meandert. Het is schitterend. Dan keer ik het huis en de bergen de rug toe en begin aan de klim met de bijzondere naam Devil’s Staircase. De klim is niet heel moeilijk en ook niet erg zwaar. Zo nu en dan laat een korhoen van zich horen en eentje houdt me scherp in de gaten vanachter een struikje. Naarmate ik hoger kom, volgen de ziggen en zaggen elkaar sneller op, maar het is slechts 259 meter klimmen en algauw ben ik boven. En dan blijkt dat het loont om hier als eerste te zijn, want net over de top kijken drie hindes me verbaasd aan. Een staat links van de cairn die de top markeert en twee bijelkaar iets verderop rechts van het pad dat weer naar beneden afbuigt. Even is er sprake van een patstelling en bewegen we geen van alle. Dan slaakt de leidhinde een soort korte blaf, iets wat ik nog nooit een edelhert heb horen doen, en de eenling voegt zich bij de andere twee om zich daarna kalmpjes over een verre heuvel terug te trekken. Pas als ze een eind van me zijn verwijderd, heb ik aandacht voor het adembenemende panorama aan mijn voeten. Het is onverwacht helder, een reeks van scherpe pieken en heel in de verte een stompe top die de Ben Nevis zou kunnen zijn. Het is ongelooflijk mooi en ik blijf een kwartiertje zitten om ervan te kunnen genieten. Als ik even van het pad afstap, ontdek ik een haring en ben even jaloers. Wat een geweldige plek om te kamperen! Wat een uitzicht om ’s ochtends wakker bij te worden. Als het gisteren niet zo hard had geregend, had ik hier misschien ook wel gestaan. Toch heb ik geen spijt en ik hijs mijn rugzak weer omhoog om langzaam af te dalen. Het uitzicht blijft echter fantastisch en ik blijf foto’s maken, zeker wanneer rechts een loch verschijnt om het plaatje af te maken. Als ik omkijk, zie ik op de top een hele groep figuurtjes staan. Wandelaars, vermoed ik, al kan ik me niet voorstellen dat er zoveel tegelijkertijd bij Kingshouse Hotel zijn vertrokken. En mijn twijfel blijkt terecht, want even later stap ik van het pad af om een hele groep mountainbikers voor te laten die zich met een halsbrekende snelheid de berg af storten. Om een heuvel heen krijg ik het eerste uitzicht op het dal en de witte huizen van Kinlochleven. Het pad komt uit bij de onderhoudsweg naar een spuisluis, vanwaar zes dikke, lelijke buizen zich gezamenlijk naar beneden buigen, om in het dal een turbine te laten draaien en de regio van energie te voorzien. Dat ik Kinlochleven kan zien, betekent niet dat het dorp ook al dichtbij is. Ik volg de weg naar beneden door een berkenbos en op een brug sta ik even stil om de vormen van de rotsen en de kracht van het water te bewonderen. Door dan, door een parkje langs de rivier Leven, waarin al dat water uit de pijpen met enorme kracht wordt geloosd. Bij de brug verlaat ik de route om het dorp in te gaan. Het is begonnen te miezeren en in het dorp is ook de laatste winkel voor Fort William. Hoog tijd voor een pauze in de gastvrije pub. Een paar andere wandelaars en fietsers druppelen binnen, schuilend voor de regen die nu gestaag valt. Gelukkig duurt het niet lang en nadat ik boodschappen heb gedaan, pak ik de route weer op. Na een stukje langs de weg stijgt de West Highland Way door het bos met enkele sprankelende beekjes. Langzaam worden de bomen schaarser en zowel het uitzicht op Loch Leven als het door bergen omringde dorp is spectaculair. Eenmaal boven slaat de route linksaf over een breed grindpad, terwijl er in de verte weer een nieuwe bui aankomt. Eventjes lijkt het een korte bui te zijn, maar als de regen aanhoudt, neem ik toch maar gepaste maatregelen: regenbroek aan, regenhoes om de rugzak en twee mini-oreo’s voor de moeite. En net als ik mijn hele outfit in orde heb wordt het weer droog… Tien minuten en twee mini-oreo’s later ga ik in T-shirt weer verder. We delen het dal met een kudde schapen en een elektriciteitsleiding, maar de bruine, houten masten vallen amper op in het landschap en storen niet. Talloze stroompjes bubbelen en murmelen langs en over het pad. Ik hoef niet veel te klimmen of te dalen en als de zon doorkomt, doe ik iets wat voor mij een zeldzaamheid is: even lekker liggen in het gras. Al gauw kondigt een grijs gordijn dat door de vallei schuift een nieuwe bui aan en dit keer ben ik goed voorbereid. Ingepakt ga ik verder. Het blijft bij een lichte regen en die is door het ontbreken van wind alleen maar nat en niet koud of hinderlijk. Het is niets vergeleken met de slagregens van gistermiddag. Uit niets blijkt dat de vallei ooit bewoond is geweest, tot ik bij de ruïne van een klein huis kom, Tigh-na-sleubhaich, wat ‘huis naast de heuvel met kloven’ betekent. Het is vrij klein en ik kan me niet voorstellen dat hier een heel gezin heeft geleefd. Alleen de kralen ernaast lijken nog in gebruik. Even verderop een tweede ruïne, nog minder dan de eerste herkenbaar als huis. Een wandelaar heeft een zeiltje gespannen over de resten van de deurpost om even droog te kunnen zitten. Terwijl ik op het eind van de vallei afloop, vraag ik me af welke berg ik zodadelijk mag beklimmen om eruit te komen. Maar zowel de weg als de vallei maken een bocht naar het noorden, al houd ik het gewoon op rechts, en ik volg de weg op zijn pad omlaag naar een kleine plantage. Volgens de kaart en mijn gids zou ik nu door een bosgebied moeten lopen, maar de bomen die hier groeiden zijn al lang geleden geoogst. Wat achterbleef zijn slordige rijen bruine boomstronken, als een speldenkussen tegen de bergwand. Niet erg aantrekkelijk. Inmiddels nadert de middag zijn einde en ik begin uit te kijken naar een geschikte plek om wild te kamperen. Maar een plekje bij een beek onder de dennen oogt somber en donker en verder is er geen vlak stuk grond te bekennen. Bovendien is de zon doorgebroken en gaat de middag over in een schitterende avond. Ik geef mijzelf nog anderhalf uur om een kampeerplek te vinden en zet mijn wekker voor het geval ik de tijd vergeet. Wanneer ik door een klaphek weer in een bos beland, zie ik dat het heeft geleden onder een storm. De bomen zijn geknapt en liggen kriskras door elkaar. Onder druk maakt het hout een klaaglijk geluid. Geen wonder dat hier boswerkzaamheden worden aangekondigd. Maar de borden die ik onderweg zag, doelen niet hier op. Wanneer ik het bos uitkom, ligt er een complete kaalslag voor mijn voeten. Nee, hier zet ik mijn tentje niet neer. Ondertussen is aan de horizon onmiskenbaar Ben Nevis verschenen, door zijn eigen wolken in schaduw gehuld en daardoor deprimerend ogen, terwijl zijn iets lagere zonbeschenen buurman veel vrolijker aandoet. Uiteindelijk gaat mijn wekker af en heb ik nog niets gevonden wat me bevalt. Ik besluit door te lopen naar Glen Nevis Campsite, aan de rand van Fort William. Als ik geen zacht stuk gras met mijn eigen privébeek kan vinden, dan wil ik op zijn minst een warme douche. En als ik van 06.30 tot 20.00 uur wil wandelen, dan doe ik dat. Wie houdt me tegen? Mijn lichaam geeft nog geen alarmsignalen af dat het teveel is en voor morgen is weer regen voorspeld. Dus loop ik door, over kale heuvels en langs bulderende beekjes. Dan zie ik voor me een wandelaar die strompelt als een onervaren Vierdaagseloper. Hij ziet er stoer uit, met tatoeages en piercings, maar veel te warm gekleed en veel te zwaar bepakt. Na een korte aanmoediging laat ik hem achter. Toch nog onverwacht wijst een handwijzer naar fort Dùn Deardail, een oud fort van rond de jaartelling. Nieuwsgierig volg ik het pad een heuvel op, maar voor een tweede heuvel heb ik geen energie meer en de vage vormen in het gras die ik kan zien, trekken me niet over de streep. Wel heb ik een geweldig uitzicht op Ben Nevis en zijn buur. Na een paar foto’s keer ik terug naar de weg, waar juist twee Duitsers en een Frans stel passeren. De jongen draagt een kilt en een toeristisch shirt van Loch Ness. Ietwat overdreven, lijkt me. We volgen een brede grindweg en in een bocht kunnen we Fort William al zien liggen. Toch duurt het nog even voor we in de buurt komen. De weg daalt heel geleidelijk en dan moet ik kiezen: Fort William is rechtdoor, de campsite is rechtsaf. Ik besef dat zelfs ik mijn grenzen heb en kies voor de campsite. Die komt niets te vroeg, want ik ben nu echt wel op en wanneer de zon over de bergen verdwijnt, koelt het meteen flink af.

Dag 8: Ben Nevis + Glen Nevis Campsite – Fort William

Verbaasd luister ik ’s ochtends naar de stilte. Het regent niet! Even gluren vanonder het tentdoek bevestigt het: het wordt een prachtige dag. Een uurtje later, om 06.30, ga ik op stap en ik ben zeker niet de eerste. Vlak voor me vertrekt een groepje mannen, dik ingepakt tegen de ochtendkou. Ook ik en dit keer mijn handschoenen niet vergeten en voorlopig ben ik daar nog erg blij mee. Waar de mannen rechtsaf slaan naar de brug tegenover de jeugdherberg, kies ik voor de brug bij het Glen Nevis Information Centre aan de linkerhand. Het is een stukje verder, maar de weg omhoog is vriendelijker voor mijn spieren. Ik steek de rivier over en meteen is duidelijk dat er aan het pad wordt gewerkt. Door een weide word ik omhoog gestuurd naar de Ben Nevis Inn. Daar begint het pad dat ik naar de top zal volgen, aanvankelijk een brede grindweg met hier en daar een steeen, daarna een puzzel van grotere stenen. Langs het pad staan stevige kuubzakken die per helikopter zijn aangevoerd. Ik verwacht grind voor het onderhoud van het pad, maar er zitten enorme rotsblokken in. En ik al die tijd maar denken dat gebruik werd gemaakt van stenen uit de omringende bergen zelf. Wat een heidens karwei om die stenen op hun plek te leggen. Met hernieuwd respect voor de vrijwilligers die het pad onderhouden ga ik verder. Terwijl ik hoger kom, ontvouwt zich voor me een adembenemend panorama. Niet eens de Ben Nevis trekt de meeste aandacht, hoewel hij de horizon domineert met zijn massa. De vallei ernaast, met mijn ogen volg ik de route die ik gisteren heb afgelegd. Ik zie de donkere kaalslag, de heuvel waar het fort moet zijn, een loch waarvan ik even denk dat het Loch Leven moet zijn, maar dat kan natuurlijk niet. Ook wanneer ik omkijk, is het uitzicht bijzonder fraai. Fort William ligt aan Loch Linnhe, een water waarvan ik het eind niet kan zien. Wat een enorme bofkont ben ik, da ik met zulk goed weer naar boven mag. Ik stijg verder, langs halfwassen berken. Eerst een bosje, dan kondigt een dalende lijn groen een beek aan. Ik zigzag hoger over de flanken van een berg op weg naar de tweede. Zo af en toe jaag ik een schaap op dat langs het pas naar gras zoekt. Dan draait het pad een hoek om en houdt het op aardig te zijn. Er zijn grote, ongelijke stenen die een slordige trap vormen en voorzichtig puzzel ik me een weg naar boven. Inmiddels loop ik in de schaduw van Ben Nevis en dat is heerlijk koel. Vanaf de berg komt een beekje naar beneden en ik vraag me af of we die met een voorde zullen oversteken of met een brug. Ook een wandelaar komt bijna rennend omlaag, maar blijft lang genoeg staan om te vertellen dat hij met een grote groep meedoet aan de uitdaging om binnen 24 uur de drie hoogste toppen van Groot Brittannië te beklimmen. Snowdonia en een andere hebben ze al gehad, dit is de laatste. Voor 09.00 uur moet hij beneden zijn. Ik stuur hem snel weg, hoewel hij nog genoeg tijd heeft, en ga zelf verder omhoog. Voor ik Ben Nevis zelf opstap, moet ik eerst nog om een kloof heen die de twee bergen van elkaar scheidt. Hier is een nieuw pad aangelegd en een bordje maant wandelaars dat te nemen, zodat het oude pad kan herstellen van de erosie die duizenden voeten hebben aangericht. Het nieuwe pad is breed en makkelijk en als ik de bergkam bereik, ook nog eens redelijk vlak. Lekker om zo uit te rusten en met alleen een dagrugzak voel ik me heerlijk vrij. Er verschijnt een meertje en daarachter een nieuwe vallei vol groene heuvels. Maar ik keer dit nieuwe uitzicht de rug toe en zet mijn eerste stappen op de flanken van Ben Nevis. Het is geen moeilijk pad, maar wel genadeloos. Het gaat constant omhoog en ik vind een comfortabel ritme. Onderweg raap ik plastic en ander afval op en pas als mijn jaszak aardig vol begint te raken, besef ik dat het niet handig is dat mijn portemonnee in diezelfde jaszak zit. Op de groene helling zie ik enkele sneeuwhoenders opvliegen, maar helaas blijven ze op een flinke afstand. De top is nog lang niet in zicht en stug zwoeg ik door. Af en toe neem ik een momentje om op adem te komen en om me heen te kijken. Loch Linnhe blijkt veel groter dan ik dacht en krult zich met een elegante bocht voor het dorp naar links. Ik maak foto’s, ook al is het uitzicht op de top misschien mooier. Ik ben er nog niet en voorlopig is de top gehuld in dichte mist. Heel stilletjes drijft op ooghoogte een wolk voorbij. Het groen maakt plaats voor de vele tinten grijs van rots. Cairns verschijnen langs het pad om de weg te wijzen. De wereld wordt even grijs al s de rotsen. En dan is daar die sneeuwhelling. Niet slechts een sneeuwveld dat je met of zonder stokken eenvoudig oversteekt. Een helling als een spannende glijbaan. In het midden twee gladde goten, waar mensen zich op hun achterste naar beneden hebben laten glijden. Ernaast hebben vele voeten in de papperige sneeuw een soort trap uitgesleten en ik maak er dankbaar gebruik van. Drie Nederlandse jongeren speren zonder stokken omhoog en zijn er eerder dan ik. Aan de andere kant van het sneeuwveld gaat het pad verder, terwijl ik de cairns iets naar rechts negeer. Twee sneeuwvelden later zie ik drie cairns naast elkaar. De Nederlandse jongens denken dat ze op de top zijn en nemen foto’s van elkaar met een Feyenoordvlag. Maar dit kan de top niet zijn, want daar staat de ruïne van een oud observatorium. Bovendien gaat de grond links van ons nog verder omhoog. We ploegen door de sneeuw tot we een stukje verder eerst een vredesmonument zien en dan een simpele betonnen paal op een brede sokkel die de top dan toch echt aankondigt. Ook is er een ruïne en een schuilhut. Dat is meteen het enige wat we zien. De lucht zit potdicht. De waarschuwingsborden indachtig ga ik niet al te ver op onderzoek uit. Er zijn diepe afgronden waarvan de rand niet altijd even duidelijk is en niet onder elke sneeuwveld zit vaste rots. Daarbij is het ijzig koud. Ik blijf niet lang. Als ik onderaan de steile sneeuwhelling sta, breekt dan toch de zon door. Een kwartiertje lager is het volkomen helder. Het lijkt erop dat dit een van de 50 dagen in het jaar wordt waarom Ben Nevis niet in wolken is gehuld. Even overweeg ik terug te gaan naar boven, maar ik doe het niet. Ik wil immers ook nog de West Highland Way afmaken en wat boodschappen doen in Fort William. Allemaal logische, legitieme redenen, maar toch heb ik elke stap omlaag spijt van mijn beslissing. Toch is mijn avontuur nog niet voorbij. Vanaf de brede toeristenweg zie ik een smal pad naar een andere top, iets lager dan Ben Nevis. In de verte staat een cairn. Dit moet de route voor geoefende wandelaars zijn, die in de officiële West Highland Waygids niet eens beschreven staat. Als het niet helder was, zou ik het niet eens overwegen, maar nu wil ik zien wat er aan de andere kant vna die top is. Ik probeer te ontdekken waar de toeristenweg en het andere pad elkaar ontmoeten, maar als ik verder afdaal geef ik het op en loop dwars over de rotsen van het ene pad naar het andere. Vanaf een afstand was het pad goed zichtbaar, maar als ik er eenmaal opsta, is het moeilijk te onderscheiden van de rotshelling. Gelukkig maakt het niet veel uit, zolang ik maar de juiste richting omhoog ga. Dan kom ik een kleine cairn, niet meer dan vijf of zes stenen groot. Het is genoeg om me de weg te wijzen en ik stijg verder tot ik bij de grote cairn kom die ik vanaf de toeristenweg zag. Dan ga ik verder en wordt heel voorzichtig. Ik ben verstandig. Ik kom niet te dichtbij de afgrond waarvan ik de bodem niet eens kan zien. Ik betreed niet het sneeuwveld waarvan ik niet weet of het op de rand van de berg ligt of erover. Ik ben niet in gevaar. Toch is het spannend. Hier geen waarschuweingsbordjes of hekjes om je van de rand weg te houden. Als je onvoorzichtig bent, ga je hier door. Ik voel de spanning in mijn maag, maar geniet ook van het prachtige uitzicht op Ben Nevis, de gekartelde helling die niets subtiel dreigend is. Een veelvoud van bergen in de verte. Op de rand van Ben Nevis zie ik figuurtjes staan, mensen op de top die nu een fantastisch uitzicht hebben. En toch ga ik niet terug. Eenmaal uitgekeken baan ik me over de rotsen een weg terug naar de toeristenweg, waarover ik talloze mensen zie lopen. Ik voeg me bij hen en ga verder naar beneden. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Wat omhoog niet zo moeilijk leek, is naar beneden een crime. Mijn benen snakken ernaar een normale stap te kunnen zetten, maar dat zit er voorlopig niet in. Pas als ik de bergrug bereik, kunnen mijn spieren even ontspannen. Daarna begint het gepuzzel opnieuw, erger dan voorheen. Dit keer ga ik niet naar het Infocentrum, maar neem de afslag naar de Jeugdherberg die me snel en zeker naar beneden voert. Intussen ben ik wel toe aan wat ongezonde suikers en mijn eerste stop is de campingwinkel. Na ee korte pauze pak ik de West Highland Way weer op, waarvan ik alleen nog de laatste vijf kilometer naar Fort William moet lopen. Ik volg de bosweg terug omhoog naar het dennenbos en volg dat de markeringen de goede kant op. Het voelt goed om weer even dennengeur te ruiken. Al gauw gaat de West Highland Way door het bos naar beneden om op de weg uit te komen. Die weg volgt de route helemaal naar het eind en dat is een tegenvaller. Het is saai en het asfalt doet zeer aan mijn voeten. Later ontdek ik dat je ook gewoon de bosweg kunt blijven volgen tot Braveheart Car Park en vandaar de Cow Hill Circuit tot de afslag naar het centrum. Dan mis je wel het ‘officiële’ eind van de West Highland Way, een groot bord buiten een souvenirwinkel, maar vanaf Cow Hill heb je wel een fantastisch uitzicht over Fort William. Ik volg de markeringen de stad in, na Inverness de grootste stad van Schotland. Aan de rand van de stad tref ik twee wandelaars, waarvan één bijzonder kreupel loopt. Hij had deze week onverwacht een begrafenis en heeft daarom twee etappes in een dag gelopen. Zijn hielen zitten zo onder de blaren dat hij puur op zijn tenen loopt. Ik blijf even bij hem en zijn vriend om hem aan te moedigen en af te leiden en dan bereiken we het ‘officiële’ einde. In een grote stoet van wandelaars gaan we daarna naar het echte eind, aan het andere eind van een lange winkelstraat. Het beeld van een zittende wandelaar nodigt uit om je ermee te laten fotograferen. Alleen zit een paar bankjes naar achteren precies in beeld een man pizza te eten. Oeps! Alles bij elkaar zijn dit zeker niet de mooiste kilometers van een verder schitterend pad. Ik koop in de winkelstraat een paar souvenirs en ga gauw terug naar de camping. Dit keer wel over Cow Hill, terug in de natuur waar ik thuishoor.