Oostenrijk

Knittelfeld: onbekend Oostenrijk (2012)

Een hele dag reizen. Van Zwolle naar Schiphol naar Frankfurt naar Graz. Nog twee uur in de trein langs de rivier de Mur naar Knittelfeld. En wie kom ik daar als eerste tegen? Koen uit Zwolle! Hij is met een groepje Nederlandsers per auto naar Oostenrijk afgereisd en heeft er net zo lang over gedaan als ik met twee vliegtuigen en een trein. Ik ben echter wel lekker uitgerust en dat is ook wat waard. Want als ik de bergen zo om me heen zie, dan staat ons nog heel wat te wachten.

Dag 1: 40 km

De start is vroeg genoeg om de zon te zien opkomen. We doorkruisen het dorp en stevenen af op een mistig dal. We steken de Mur over en duiken onder het spoor door. De bergen komen dichterbij. Er is dan wel geen eeuwige sneeuw en geen meedogenloze, rotsige pieken, maar alleen al de aanblik van de beboste flanken is genoeg om spierpijn van te krijgen. Al gauw gaan we klimmen. Eerst over asfalt, later grind en gras. Steil omhoog, dwars door de bossen en een weiland. Terugkijkend heb ik een machtig mooi uitzicht op Knittelfeld, dat veel groter is dan ik dacht. Na een slok water bij de wagenrust ga ik verder. Ik volg de ‘4’, zoals op het briefje staat dat ik kreeg toen ik om de langste afstand vroeg. Ergens in mijn achterhoofd heb ik het gevoel dat er iets niet klopt en wanneer de route weer afbuigt naar het dal, terwijl de 2 en 3 verder omhoog gaan, wordt mijn onrust groter. Een Nederlander die hier vaker is geweest bevestigt de fout: 4 staat voor de 14, niet de 40! Balen! De splitsing was nog in het dorp en ik heb geen zin om zo ver terug te gaan. Dan maar de 2, die me een eindstand van 37 km op zou moeten leveren. Ik wil er niet bij stilstaan dat ik de lus al heb gemist.  Na een half uurtje bereik ik de tweede post en kom daar ‘Liefde is…’ Tilly en Harry tegen. Samen gaan we verder en slingeren langs de berg omhoog. Dan komen we langs een boerderij, de koeien op de schuine hellingen grazend, een bel om hun nek. Ik vraag me af hoe het moet zijn om hier te wonen, zo ver van alles af. Alleen al om in het dorp te komen, ben je al een uur bezig, schat ik. En dan in de winter, als de wegen onbegaanbaar zijn door sneeuw en ijs. Zo geïsoleerd. Nee, geef mij dan maar een dorp of stad, waar je alles bij de hand hebt, zowel winkels als mensen. We volgen al pratend een Limburger, tot we opeens geen markeringen meer zien. Hoewel je soms goed moet opletten welke kant je opmoet, zijn de gele verfpijlen en stippen over het algemeen zeer regelmatig aangebracht op bomen, rotsen en keien. We lopen een endje terug en beseffen dat we een geel paaltje over het hoofd zagen, omdat we onze ogen hadden afgewend van de scherpe zon. We nemen een overstapje een weiland in. Uit de bergwand stroomt helder water in een trog. Het is koud en smaakt heerlijk. Weer volgt een klim, zo steil dat ik af en toe even stil moet staan om uit te puffen. Dat brengt ons naar de Natuurvriendenhut op 1.670 meter,  waar ik gelijk twee flesjes cola achterover sla. Nog een klein endje hoger in de rotswand is een schildering aangebracht, om het jubileum van 50 jaar Knittelfeld te vieren. Het is bijna tropisch warm en mijn rug is nat van het zweet. Ik volg het voorbeeld van enkele mannen en doe mijn shirt uit, zodat het in de zon kan drogen. Een uur lang babbel ik met Tilly en Harry, hun vriend Jan en Koen met zijn nieuwe vriendin Ria. Het doet me goed om te zien dat Koen, een weduwnaar, opnieuw iemand heeft gevonden die hem gelukkig maakt. Wandelaars komen van verschillende kanten en gaan ook weer over andere paden naar beneden. Tilly kent een leuk binnendoorweggetje, dat veel spannender klinkt dan de grindweg naar de bewoonde wereld. Weer helemaal opgedroogd lopen we langs de zijkant van de hut en steil naar beneden. Het is geweldig, springen van rots naar rots, water naast en over het pad. We steken de officiële route over en gaan verder naar beneden, terwijl ons ook hier wandelaars tegemoet komen. Vooral de Tjechen en Polen houden zich meer bezig met paddestoelen verzamelen dan wandelen en dragen zakken en manden vol met zich mee. Gele pijlen komen we nu niet meer tegen, ook niet waar Jan ze wel verwacht. Verdwalen in de bergen is echter niet makkelijk, je hoeft alleen maar naar beneden en dat doen we dan ook. Een graspad langs een boerderij wordt een grindweg en uiteindelijk duikt de route van rechts weer op. Zo komen we alsnog in Knittelfeld. Vlak voor we de school bereiken, komen we langs een huis met een bijzonder beeld, een Romeins soldaat die een brandend huis blust. Het is Sint Floriaan, de beschermheilige tegen brandgevaar. Deze figuur, die echt heeft bestaan, werd rond 303 n.C. gedood tijdens de laatste Christenvervolging door de Romeinse keizer Diokletianus. Waarom Sint Florianus juist als berschermer tegen brand wordt gezien, vertelt het verhaal helaas niet.

Dag 2: 43 km

Op een verre bergtop zien we een klein puntje. Dat is de kerk die op de Hochalm staat, een berg van 1.860 meter. Daar gaan we heen. Maar eerst is er een lange aanloop naar een ander dal. Ik geniet van het vals plat en raak aan de praat met een Nederlandse vrachtwagenchauffeur. Hij loopt echter iets langzamer dan ik en al gauw ga ik er weer vandoor. Zolang het vlak is, wil ik tempo maken. We komen in een dorpje, lopen dwars door een houtzagerij en over een erf naar een weiland, waar het gras al iets is platgetrapt door onze voorgangers. Na een stukje bos en het begin van een heuvel, komen we bij een kapelletje. Daar wordt het plotseling druk. Talloze Tjechen lopen maar een deel van de route en zijn net voor het weiland met de bus afgezet. Ze hebben het mooiste stuk van de route uitgekozen, want vanaf hier wordt het leuk. Klimmen! Naast het pad stort een beekje zich enthousiast naar beneden. En hoewel we op weg naar de bron talloze zijriviertjes passeren, vermindert het volume niet en stroomt het water nog even luid. Ook dit water is lekker en koel en hoewel het minder warm is dan gisteren, zorgt het klimmen ervoor dat ik wel weer een douche kan gebruiken. Dan komen we bij een stuk kaalslag, dat wel omgeploegd lijkt. Boomstronken en takken liggen als gebroken botten op de aarde. We klauteren richting de berghut. Nu al? Tilly heeft me gelukkig al gewaarschuwd. We zijn er nog niet. Na een korte rust ga ik verder. Omhoog.  Een smal pad, waar wortels en stenen een natuurlijke trap vormen. Ik pas mijn pas aan om te voorkomen dat ik hijgend als een trekpaard naar boven moet en hou een ontspannen tempo aan. Via een overstapje komen we uit op een weiland, boven de boomgrens. In de verte kunnen we de kerk zien liggen. Rechts staat op een heuvel nog een eenvoudig ijzeren kruis. Over een smalle wissel lopen we in file richting de kerk. Zo nu en dan zijn er modderpoelen, of tenminste, ik hou me voor dat het modder is wanneer mijn voet wegglijd en ik val. Gelukkig is even later weer een trog vol helder bergwater waar ik me kan wassen. Iets lager dan de kerk is in een hutje de rust, maar na de verplichte knip loop ik direct door. Hier hebben we het tenslotte voor gedaan. De kerk is open en ik brand een kaarsje voor de veiligheid van de wandelaars. Het is hier iets rustiger dan bij het hutje en ik geniet van het uitzicht dat langzaam verdwijnt in de opkomende wolken. Het valt me op hoe volkomen stil het is. Natuurlijk verwacht ik niet dat wolken met het geraas van een sneltrein langs komen waaien, maar ze drijven zo geluidloos voorbij dat het bijna spookachtig is. Het is niet koud, maar een zonnetje was wel aangenaam geweest. Het kruis op de nabije heuvel verschijnt en verdwijnt bij vlagen, net als de wandelaars die nog aan komen lopen. Hoewel dit het hoogtepunt van de dag is, stemt het me ook een beetje treurig. Vanaf hier gaat het alleen maar bergafwaarts. Ik heb er nog lang geen genoeg van en zou wel vier van dergelijke bergen willen beklimmen. Toch volg ook ik uiteindelijk de gele pijlen naar beneden. Eerst over een rotspaadje, langs bomen die volkomen zijn doodgeknuffeld door grijsgroen mos. Dan lang gras en naaldbomen. Ik bereik een dorp en bij een zwemvijver stop ik even om wat te drinken, juist wanneer de eerste druppels vallen. Als ik het dorpje Seckau inwandel, begint het serieus te regenen en trek ik mijn poncho aan. Ik zie verder niemand meer, het lijkt erop dat ik hier alleen ben. Er is hier een kruisweg aangelegd van vierkante zuilen met prachtige, kleurrijke schilderingen. Bij de kruisiging sla ik rechtsaf het bos weer in. Juist wanneer je denkt dat je de hele route hebt gehad en op de finish afloopt, moet je weer klimmen. Het is de Tremmelberg, onder wandelaars bekend als de Trammelantberg. Zo erg is het echter niet. Het is steil, ja, maar in bos voel ik me altijd thuis en zo hoog is het nu ook weer niet. Op de top staat weer een kerkje, maar deze is dicht. Het laatste stuk is een lange asfaltweg terug naar het dorp. Ik herken de omgeving niet, zodat ik volkomen onverwacht bij de finish ben.

Dag 3: 37 km

Van tevoren was ik al gewaarschuwd dat deze dag de minste van de drie was. Vergeleken met de voorgaande twee dagen is deze route gewoontjes, bijna saai. Natuurlijk is saai in Oostenrijk nog steeds genieten voor een Nederlander, maar toch. De route is inderdaad makkelijk, een brede grindweg omhoog langs een berg. Eindelijk mogen we dan een graspaadje in, omhoog. We lopen de wolken in en ik proef een licht metalige smaak op mijn tong. Van uitzicht is geen sprake meer. Wanneer we de top van de heuvel bereiken, verwacht ik een hut en gezelligheid. Dit keer niet. Ik volg het paadje dwars door de natuur, een alpenweide en dan weer naar beneden. Een dorpje is het verste punt van de route, maar ook daar komen we geen café tegen. Blijkbaar zijn er alleen wagenrusten vandaag. Even voorbij de Red Bull Racebaan duik ik het bos in. Daar kom ik een verwaarloosd kapelletje tegen, de plafondschilderingen alleen nog intact omdat de krabbelaars er niet bij konden komen. Het laatste stuk loop ik met Jan en zo is het toch nog gezellig. Is het al voorbij? Wat is dat snel gegaan, drie dagen. Gelukkig blijf ik een dag langer en vlieg ik pas overmorgen naar huis. Het geeft me de kans om dag 1 nogmaals te lopen, maar dan de hele route van 40 km. Want van bergen krijg ik nooit genoeg.