Milford Track

De mooiste wandeling ter wereld? De Milford Track! (2015)

 Volgens de legende was de Polynesische zeevaarder Kupe rond 925 de eerste die het land zag. Omdat er laaghangende bewolking over de heuvels hing, noemde hij het Aotearoa, het land van de lange witte wolk. In 1642 noemde Abel Tasman de eilanden naar een Hollandse provincie Nieuw Zeeland. Tegenwoordig is het een paradijs voor avonturiers,  wandelliefhebbers én fans van Lord of the Rings. Ik ben alle drie en daarom loop ik hier de komende zes weken zeven wandelpaden en één IML. Dit is de Milford Track

Dag 1: Glade Wharf – Clinton Hut, 5 km

Vandaag is een luie dag. Het populairste pad van Nieuw Zeeland is streng gereguleerd en dat betekent eerst een busrit naar Te Anau Downs en vandaar een boottocht van iets meer dan een uur naar Glade Wharf. Vanaf de aanlegsteiger is het ongeveer 5 km lopen naar de eerste hut. De keuze om alvast door te lopen naar de tweede heb je niet. Elke dag worden er maximaal 40 wandelaars op het pad losgelaten en de overnachtingen staan vast. De tweede hut zit nu vol met de wandelaars die gisteren zijn gestart, net zoals wij morgen de eerste hut weer moeten vrijmaken voor de nieuwe lading wandelliefhebbers die het gelukt is een plekje te bemachtigen.

De busrit onderga ik gelaten. Het is jammer zo’n prachtig gebied als Te Anau te verlaten. We rijden langs het meer, het op twee na grootste van Nieuw Zeeland, en ik kijk met heimwee naar de toppen van de Kepler Mountains. Pas op de boot begin ik vooruit te kijken, borrelt plezier op als ik me verheug op de Milford Track. De kapitein wijst enthousiast op een fuut, die hier erg zeldzaam is. Hij is bijna teleurgesteld als ik niet onder de indruk ben van deze in Nederland zo veel voorkomende vogel. Nieuwe toppen dienen zich aan, smetteloos groen. Voor iemand die gewend is altijd wel ergens een hoogspanningsmast of windmolen te zien, zijn de ongemolesteerde bergen een vreugd om te aanschouwen. De boot mindert vaart als we bij een eilandje komen dat met een eenvoudig wit kruis is getooid. Op dit strandje werd in 1892 na een storm de Juliet gevonden, de rondvaartboot van Quintin MacKinnon, degene die de pas vond van Te Anau naar de Milford Sound en eerste gids op de Milford Track. Een stukje verder legt de boot aan bij een kleine steiger. Als we uitstappen staan er blauwe bakken met ontsmettingsmiddel om te voorkomen dat onze schoenen het water in de Clintonvallei besmetten met een of andere bacterie. Terwijl de Chinese dagtoeristen zich rond hun gids verzamelen, grijpen mijn stokken in het grind als ik de eerste stappen op het Milford Track zet. Vergeleken bij de andere tracks is dit een snelweg. Je kunt makkelijk met zijn drieën naast elkaar lopen. Dit pad werd oorspronkelijk gebruikt om met pakpaarden de hutten te bevoorraden. Waar het pad me onwennig verwelkomt, voelt het bos vertrouwd groen en levend. Alles hangt, een bos vol verticale lijnen dat het aanzien heeft van een treurwilg. Al na 1 km kom ik op open grasland waar een zeer luxueuze hut staat, Glade House. Hier overnachten de begeleide wandelaars, waarvan de bagage per helikopter naar de volgende hut wordt vervoerd en die alleen met een dagrugzak lopen. Er wordt voor ze gekookt en ’s avonds kunnen ze zich verheugen op een warme douche. De prijs van één begeleide wandeling is meer dan wat ik in zes weken Nieuw Zeeland uitgeef. Daarom houd ik het bij stapelbedden, een zelfgekookt prutje en zoveel wandelingen als ik kan verdragen. En douchen? Dat doe ik over vier dagen wel weer.

Doordat iedereen op de vroege boot samen start en dezelfde kant oploopt, is het makkelijk contact maken met andere wandelaars. Ik haak aan bij Michel uit Duitsland en de Zweedse Stephan. Gezamenlijk steken we de hangbrug boven de Clintonrivier over. Het pad wordt nu aangenaam smal, zoals een track door het bos hoort te zijn. Het volgt de rivier, van het water gescheiden door een smalle strook bos, struiken en mos. Er klinkt genoeg vogelzang en dat stemt hoopvol. Sinds 2000 wordt er in de valleien langs de track intensief vallen gezet. Meer dan 2000 buidelratten en 500 hermelijnen werden in de eerste drie jaar gevangen. De volgens profiteerden ervan en konden eindelijk hun jongen weer veilig grootbrengen, waar voorheen elk nest werd aangevallen en elk ei werd geroofd. Maar het is een doorlopend gevecht, dat gezien de roze driehoekjes langs het pad nog in volle gang is. Een hermelijn krijgt drie keer per jaar tien jongen, waarvan de vrouwtjes al zwanger zijn wanneer ze worden gespeend.

Zo nu en dan is er een paadje door de bosrand naar de rivier, een gang tussen de bomen waardoor we een blik op de bergen kunnen werpen. Als ik zo’n paadje inloop, zie ik op een dode boom een paradise shellduck zitten. Niet zo zeldzaam als de blue duck of whio, maar een sierlijke eend niettemin. De rivier is breed en slingert geluidloos over zijn bedding van witte kiezels, stenen en rotsen. Het water is volkomen helder en geeft de stenen op de bodem een diepblauwe glans. Alsof je een aquarium bekijkt. Vlak voor de eerste hut is een plankier naar een moerasgebiedje. Het bos wijkt hier voor kleine boompjes en fijn, rood sphagnummos, dat wel 20 keer zijn eigen gewicht aan water kan vasthouden. En als ik kniel en aandachtig kijk, zie ik de rode kringen van zonnedauw, het vleesetend plantje dat er in zijn sierlijkheid zo onschuldig uitziet. Tenminste één wandelaar is ondanks de borden ‘fragile area’ van de plankier afgestapt. Lompe voetstappen hebben in het rode mos hun indruk achtergelaten. Misdadig! Wie doet nu zoiets?

Even verderop eindigt het plankier bij een uitzichtpunt. Het rode mos, de kale skeletten van lage bomen en daarachter, de in wolken gehulde toppen. Het is prachtig. Terug gaan we, naar het pad en even verderop, de Clintonhut, weg van de rivier. Er zijn minder zandvliegen dan bij de rivier zelf en Deet houdt ze op afstand. Toch zijn ze irritant genoeg dat alle wandelaars de voorkeur geven aan de eetzaal boven de houten picknickbanken die uitnodigend op het terras staan. Als het eenmaal donker is, trekken we er nog één keer op uit. Vlakbij de hut is een overhangende rotswand vol gloeiwormen. Eenmaal op de juiste plek doen we onze zaklampen uit en genieten van een brede strook blauwe lichtjes. Het lijkt wel of de sterrenhemel voor ons is neergedaald. Niet alle lichtjes zijn even sterk, sommige zijn beduidend zwakker. Als de larven echt honger hebben, schijnen de lichtjes zelfs te kunnen knipperen, maar hier zie ik alleen onveranderlijk blauw. Het is heel bijzonder en ik geniet. Dan komen er meer wandelaars, die telkens met hun zaklampen even de magie van dit moment verstoren. Ik maak plaats voor ze, maar draag de herinnering aan deze sterrenhemel in pure blijdschap met me mee

Dag 2: Clinton Hut – Mintaro hut, 16,5 km

De luide schreeuw van een kea wekt ons rond 07.00 uur. Twee alpenpapegaaien vermaken zich op de picknicktafel met een fles water die iemand daar zorgeloos heeft laten staan. Ik besluit dat het tijd is om op te staan en terwijl het langzaam licht wordt, pak ik mijn rugzak in. Als een van de eersten ga ik op pad. Ik probeer me de punten te herinneren waarover de ranger ons gisteren vertelde: de boom met bouten erin, die in de jaren ’70 een telefoonlijn droegen, de schoorsteen van het afgebrande huis van de onderhoudsmonteur. Maar of ik heb het niet goed onthouden, of het bos heeft al die tekenen van menselijke activiteit weer opgeslokt. De route volgt nog steeds de loop van de Clinton-rivier, al lijkt die door de paar meter bos tussen ons en het water soms best ver weg. Zo nu en dan is het pad omgelegd waar de oever het heeft begeven. Een eenvoudige planken bruggetje ligt in stukken onder een omgevallen boom. Met roze linten worden we naar de voet van de stam geleidt, waar een stuk is weggezaagd zodat we weer bij het pad kunnen komen. Als er een zijpaadje is naar het water, kijk ik even of ik een blue duck zie, maar opnieuw zijn de dieren net niet waar ik ben. Ik heb niet het geduld om lang stil te blijven staan. Het wordt een lange dag en ik wil door. ’s Nachts is het nauwelijks afgekoeld en de ochtend wordt al snel weer aardig warm. Juist dit is een pad waarbij je wilt dat het regent. Na vier dagen zonder droogt 90% van de watervallen op. Op het pad zijn talloze bruggetjes over kale beekbeddingen en aan de bergwand kun je zien waar na een regenbui water langs de rotsen naar benden stroomt. Na een paar kilometer kom ik bij de noord-tak van de Clinton rivier. Als ik verder loop langs de west-tak lijkt de kracht van het water niet verminderd. Zo nu en dan loopt de route niet langs de hoofdtak van de rivier, maar een stille arm waar het heldere water kalmpjes stroomt. Als ik even stilsta aan de over, zie ik een paling en een forel zwemmen. Handig voor vissers, zulk helder water. Even verderop is door een aardverschuiving een meertje ontstaan. Dode bomen spieken uit het water. Het is een mooi, maar ook spookachtig gezicht. Ik loop zo’n anderhalf uur stevig door, tot ik bij de hut kom voor begeleide wandelaars. Op het overdekte terras, met uitzicht op de indrukwekkende Hirere falls, houd ik kort pauze. Een aantal wandelaars voegt zich bij me, hoewel het ongetwijfeld niet de bedoeling is dat wij hier neerstrijken. Na een paar foto’s ga ik verder. Dan verschijnen er aan beide zijden van het pad routepaaltjes. Het lijken me er overdadig veel, tot ik me de verhalen over hoogwater herinner. Water dat tot je knieën of zelfs je middel reikt. Ik kan me voorstellen dat je dan blij bent om nog te zien waar het pad ongeveer loopt. Niet veel later wijken de bomen terug en kan ik volgens een bordje voor het eerst de MacKinnonpas zien. Ik weet niet goed waar ik moet kijken en geniet meer van de bergen die me steeds meer insluiten. Ruige, grijze pieken, talloze dunne stroompjes water die als een sluier omlaag hangen, het groen, dat zich tot op grote hoogte hardnekkig aan de rotsen vastklampt. Niet veel later is er een zijpaadje naar Hidden Lake. Eerst denk ik dat het de kleine meertjes zijn, die in dit vochtige gebied tussen het riet nestelen. Dan komen we bij de bergwand, waar een flinke waterval een meer voedt, waarin de bergen zich prachtig spiegelen. Wow! Mijn camera snort tevreden, maar waar water is zijn ook zandvliegen. Terug naar het hoofdpad dan. Weer wat verder opnieuw een bordje met een pijl, dit keer wijzend naar Prairie Lake. Was Hidden Lake al mooi, Prairie Lake is de overtreffende trap van schitterend. De waterval is kleiner en vlijt zich de laatste meters tegen de rotsen, waardoor het water zo glad blijft als een spiegel. Mijn camera maakt overuren. Zo geweldig. Wat een voorrecht om hier te zijn.

Ik passeer de Bus stop Shelter, waar wandelaars worden gemaand bij hoogwater te wachten tot het pad weer begaanbaar is. Direct daarna stap ik het zonlicht in en de witte stenen van een aardverschuiving op. Aarde is hier echter niet te vinden. De route is gemarkeerd met sneeuwpalen en die heb je hier zeker nodig om niet te verdwalen. Vergeet hoogwater, zelfs met de geringste stroom zou ik nog aarzelen deze stenen te trotseren. Was het op de andere track soms puzzelen waar je je voeten recht kunt neerzetten, dit is de Rubiks Cube onder de paden. Op een bergwand, niet eens zo heel ver weg, zie ik maar liefst vijf watervallen naar beneden stromen. Het pad duikt een klein stukje bos in en dan is er opnieuw een waarschuwing, dit is het lawinepad langs de Pompolona-kreek. De kreek is voorzien van een stevige brug en terwijl ik mijn eerste stappen op het hout zet, denk ik terug aan het nieuwsbericht van vorige winter, dat een Japanse studente op dit punt omkwam. Ze liep in de winter, wanneer de bruggen zijn verwijderd om te voorkomen dat ze door het woeste water worden vernield. Het had flink geregend en de beek stond hoog. Omdat het al begon te schemeren, wachtte de studente en haar vriend niet, maar probeerden de kreek via de stenen over te steken. De vriend haalde het. Als ik kijk naar de stenen, begrijp ik niet hoe ze het aangedurfd hebben. Er zijn geen mooie, platte stapstenen waarmee je eenvoudig naar de overkant komt. Dit zijn rotsen, die in alle mogelijke hoeken door elkaar liggen. Zelfs nu, terwijl ik kan zien, moet ik na de brug over elke stap nadenken. Zou ik het aandurven ervoor te kiezen liever de nacht buiten door te brengen dan die kreek over te steken?

De begroeiing wordt weer lager, struiken, terwijl de zon hardvochtig schijnt. Op de andere bergwand stroomt zomaar uit het bos de St. Quintin Falls. Ik vraag me af naar wie die zijn vernoemt, want MacKinnon is volgens mij nog niet heilig verklaard. Zo langzamerhand begin ik uit te zien naar een lunch-plekje, maar helaas dient zich lange tijd niets aan. Als ik me dan toch op een rots langs het pad laat zakken, hebben de zandvliegen me snel gevonden. Hoewel ik voldoende gif het opgespoten, blijven ze zo irritant om mijn lijf zoemen dat ik geen rust vind. Gauw door dan maar, weer door het bos. Het pad klimt langzaam omhoog, grind maakt plaats voor steen en rots. Kijk, zo zie ik het graag. Niks geen snelweg voor betalende toeristen. Spanning, avontuur! Uiteindelijk is daar dan toch de hut.

Zoals vaker kies ik snel een bed, gooi mijn grote rugzak neer en pak in mijn dagrugzak de meest noodzakelijke dingen. Het is prachtig weer en de Kepler track indachtig ga ik snel door naar de MacKinnonpas. De heel week wordt er al regen voorspeld en hoewel de berichten zelden uitkomen, wil ik niet het risico lopen dat morgen de wolken zo laag hangen dat er geen uitzicht is om van te genieten. Ik loop Lake Mintauro voorbij en het heliplatform dat ook dienst doet als uitzichtpunt. Daar ik morgen wel tijd voor. Ik wil omhoog en wel zo snel mogelijk.

Na ongeveer anderhalf uur klimmen over een steeds uitdagender pad weet ik dat het de moeite waard was. Wat een geweldig uitzicht!  Vanaf de top, bij het MacKinnon-monument, heb je uitzicht op twee valleien, naast de Clinton-vallei waar je uit bent omhoog gestegen. Prachtige bergen, met nog een flinke laag sneeuw, weerspiegeld in de ondiepe meertjes. Uit het gras komt een grote, bruine vogel met rode ogen. De snavel is te kort voor een kiwi, volgens wandelaars die al meer van Nieuw Zeeland hebben gezien is het een weka. Ik kan een paar foto’s maken voordat de loopvogel weer in het gras verdwijnt. Ik loop nog even door richting de schuilhut, tot de rand van de Clintonvallei waar heel in de diepte de hut ligt.

Dag 3: Mintaro hut- Dumpling hut, 14 km

Een klein groepje wandelaars vertrekt al om 04.00 uur ’s ochtends, om op de pas de zonsopgang te kunnen zien. Ik wacht tot de schemering de contouren van de bergen zichtbaar maakt, voor ik mijn rugzak inpak en hen achterna wandel. Het lijkt erop dat we gisteren de juiste keuze hebben gemaakt. Wolken hangen laag tegen de bergwand en belemmeren het zicht op de blauwe lucht erachter. Ook dit keer loop ik Lake Mintaro en het helikopterplatform voorbij. Er zal vandaag zoveel te zien zijn en de hoop op een blue duck heb ik opgegeven. Het pad is nog makkelijk, door een bos met vreemde, schorsloze bomen. Dan kom ik bij een hangbrug over de Clintonrivier, maar waar de rivier twee dagen geleden nog krachtig stroomde, is het nu een kale bedding. Kort daarna begint het pad te klimmen en het is minder moeilijk dan ik gisteren verwachtte. De zware rugzak hindert niet, maar zorgt ervoor dat ik een zorgvuldig en gestaag tempo aanhoudt. Algauw wordt het warm. Dit keer hoef ik geen trui of jas uit te trekken, want ik verwachtte deze warmte al en loop vanaf het begin in T-shirt. Zweet drupt van mijn voorhoofd, mijn armen en af en toe blaas ik een druppeltje van het puntje van mijn neus. Julian, een Amerikaan uit Seattle, haakt aan, omdat mijn trage stappen hem bevallen. Als ik hem niet afremde, was hij veel te snel boven en afgepeigerd bovendien. Langzaam stijgen we tot boven de boomgrens. Even houd ik stil als ik een papegaai ontdek. Hij heeft een grijze kop en niet de kenmerkende groene veren van een kea. Zou het een South Island kaka kunnen zijn? Voor we hem goed kunnen bekijken, vliegt het zenuwachtige dier dieper de vallei in. Eenmaal boven de boomgrens blijkt de wolkenlaag een dunne te zijn. We stijgen erboven uit en de bergen die ons omringen baden in het licht van de vroege morgenzon. Als we terugkijken naar de Clintonvallei lijkt het een langgerekt meer, waarvan de zachte randen aan de bergen knabbelen. We kunnen de bodem en de hut waar we hebben overnacht niet meer zien. Nog steeds klimmen we, voorzichtig onze weg zoekend over de ongelijke stenen. Sommige glinsteren zilver of goud, maar de ranger waarschuwde gisteren al dat het mindere stoffen zijn die doen alsof. We halen twee wandelaars in en later nog een derde. Een groep kea’s vliegt luid roepend over en een zwerm klein grut zoekt de veiligheid van het lagere groen weer op. Dan vlakt het pad af en bereiken we de top, waar wandelaars die al eerder zijn vertrokken hun rugzakken tegen het monument hebben gelegd en foto’s maken van de ontzagwekkende bergen. Alleen mos en gras groeit hier en we hebben naar alle kanten vrij uitzicht. Ik loop zo dicht mogelijk naar de rand van de afgrond aan onze voeten als ik durf. Iets voorbij het bordje dat ons maant voorzichtig te zijn, maar niet al te dicht bij het gras dat de precieze grens tussen vaste grond en een doodsmak verbergt. Een wandelaarster vertelt dat een aantal jaren geleden iemand hier naar beneden is gevallen en ik doe voor de veiligheid toch een stapje terug. We hebben de zon nu in de rug, waardoor de foto’s die ik maak van de Greenvallei en de Arthurvallei iets duidelijker zijn dan gisteren. Links is de Wilmurpiek, met nog een flinke laag sneeuw, die vanaf zijn scherpe punt zijn eigen wolk lijkt te creëren. Rechts weer een andere piek, eveneens met sneeuw en iets wat de restanten van een gletsjer zouden kunnen zijn. We genieten van de zon en de geringe aantallen zandvliegjes. Aangezien we gisteren al uitgebreid hebben rondgekeken, hou ik mijn tijd op de top vandaag kort. Ik klim nog een stukje verder naar de MacKinnon Pas Day Shelter. Dit is de eerste shelter die ik tegenkom die ook gasstellen heeft. De groep die vannacht naar de zonsopgang vertrok, heeft hier ontbeten. Ik stop kort voor een laatste blik op het wolkendek in de Clintonvallei. Mijn stop wordt iets langer als ik een weka zie die bij de regenpijp een plasje water ontdekt en stopt om te drinken. Hij vindt het maar niets als ik te dichtbij kom, maar zodra ik hurk ben ik een stuk minder eng en mag ik een foto maken. Daarna ga ik toch naar beneden, wat een stuk langzamer gaat dan je zou verwachten. Bij het klimmen draag je de zwaartekracht eenvoudig met je mee, een extra gewicht boven dat van je rugzak. Bij het dalen ga je tegen de zwaartekracht in, de tijd nemend om elke voet te plaatsen op een rots die enigszins vlak lijkt zonder dat je knieën een al te grote klap krijgen. Soms sta ik even stil, voor een vogel of een rots. Op één steen zit een vreemd, rubberachtig mos of plantje dat het hele vlak in vierkantjes deelt. Ik weet niet of het fragiele rode bloemetje het mos is dat bloeit of een plantje dat er doorheen is gebroken naar het licht. Het pad draait om mount Balloon heen tot we al dalend bij de kop van de hoefijzervormige Arthurvallei komen. Over de scherpe randen van de bergen stromen een stuk of vijf watervallen. Hoe indrukwekkend moet het hier zijn na een regenbui! Maar ik tel mijn zegeningen dat het al drie dagen achtereen droog is en we niet tot onze enkels of middel door het water hebben moeten waden. Zo nu en dan maak ik voor een foto, zeker nadat Julian me passeert en hij als mens zo’n nietig puntje is in het omringende landschap. Het is hier schitterend. Op één plek is het gevaar van lawines zo nadrukkelijk aanwezig dat er een alternatief pad is voor gevaarlijke tijden. Het is nu afgesloten en ik word langs het hoofdpad verder naar beneden geleid. Blijkbaar is het veilig en ik bewonder de zorgvuldigheid en aandacht waarmee het DOC het welzijn van de wandelaars beschermt. Zo nu en dan druppelt er water over het pad, maar de rotsen zijn grillig genoeg dat mijn bergschoenen er makkelijk houvast op vinden. Een stuk lager beland ik op een steenlawine waar sneeuwpalen de route aangeven. Die heb je in dit maanlandschap echt wel nodig om niet te verdwalen. Ik moet er niet aan denken hier te lopen als het water hoger stond en je de stenen niet eens kunt zien. Aan het andere eind van de steenlawine beland ik weer tussen de lage bomen. Een brug leidt over de Roaring Burn en ik herinner me dat ‘burn’ Schots is voor beek. Even verderop werp ik mijn eerste blik op de Sutherlands Falls. Ondanks het gebrek aan regen stort een wit lint zich enthousiast vele honderden meters in de diepte. Het lijkt me zeker de moeite waard om een uurtje voor om te lopen. Als ik verder afdaal kom ik langs Crows Nest, een golfplaten schuurtje waar begeleide wandelaars een korte pauze kunnen houden. Even verderop is een shelter voor de ‘vrije’ wandelaars, maar het is nog niet dé shelter met de afslag naar Sutherland Falls. Hoewel het bijna lunchtijd is, loop ik door. Kort daarop voegt het pad zich opnieuw bij de Roaring Burn, die in een serie spectaculaire watervallen naar benden stort. Het mooie zit niet in de hoogte, maar in de beslotenheid van de rotsen waar het water zich doorheen perst. Prachtig rond gepolijst, geaderd en gevormd. Een serie trappen en plankieren volgt het water op zijn weg naar beneden en toch daal ik maar langzaam. Ik kan mijn ogen er niet van weerhouden naar het water af te dwalen. Elke waterval heeft zijn eigen, unieke schoonheid. Water dat stilletjes over een rots vloeit of bruisend  in vrije val in een ijsblauw meertje beland. Wat heeft de Sutherlands Falls mij na deze pracht nog te bieden, vraag ik me af. Er volgen meer watervallen met elk een andere naam, die nog steeds dezelfde rivier zijn op zijn weg omlaag. Zo daal ik verder af in de Arthurvallei, steeds enorm genietend. Geleidelijk wordt het pad ook makkelijker, al zijn ze hier zo af en toe iets te gul geweest met cement. Het loopt lekker, maar ziet er niet uit en hoort naar mijn mening niet thuis in een nationaal park. Uiteindelijk kom ik zowat bij de vloer van de vallei waar de afslag naar Quintin Hut en de Sutherland Falls. De Quintin Hut is voor de begeleide wandelaars, maar in een naastgelegen shelter leg ik mijn rugzak af en peuzel met smaak mijn mueslirepen op en geniet van de paar handjes rozijnen die ik mezelf gun voor ik morgen alles opmaak. Het is nog vroeg en de wandelaars in de shelter (uiteraard zijn buiten teveel zandvliegen) keuvelen gezellig met elkaar. Ik heb te weinig geduld om lang stil te zitten en pak wat water en mijn jas in mijn dagrugzak en heerlijk licht met alleen mijn stokken ga ik op pad. Het pad duikt het bos weer in, waar ik boomvarens tegenkom en opnieuw die oranjebruine bomen zonder bast. Over een hangbrug steek ik de Arthurrivier over. Iets verder zie ik op de hoge rotswand aan de overkant van de rivier een gigantisch litteken: een diepe grijze wonde in het groene bos, waar een aardverschuiving zowel de vruchtbare grond als de begroeiing heeft weggevaagd. De aardverschuiving heeft een ware ravage aangericht, bomen liggen als slordig opgestapeld aanmaakhout aan de oever van de rivier. Een paar bomen staan nog overeind, maar in een onmogelijke hoek die suggereert dat hun wortels zijn losgerukt en ze alleen door de omringende hout niet omvallen. Hoeveel rotsen de verschuiving heeft meegevoerd, is onmogelijk te zeggen. Welke lagen al in de rivier en welke zijn erbij gekomen? Tenminste een paar bomen of rotsen hebben de oversteek gemaakt, want aan deze kant van de rivier zijn enkele bomen op zo’n drie meter hoogte finaal en slordig afgebroken. Het is een indrukwekkend gezicht en ik ben blij dat ik alleen naar de gevolgen kijk en niet naar de gebeurtenis zelf. Het pad begint te stijgen, eerst geleidelijk, dan zo steil dat er een trap is aangelegd. Nu ben ik blij met mijn stokken, want dit had ik niet meer verwacht. Wat ben ik blij dat ik nu met alleen een kleine dagrugzak loop. Het pad vlakt wat af en ik kom in een licht bos van schorsloze bomen. Een echtpaar voor me staat stil op het pad en kijkt het bos in. Ik vertraag mijn tempo om de vogel die ze zien niet te verstoren. Het blijkt een Nieuw Zeelandse bosduif. In tegenstelling tot de grijze veren van onze duif is dit Nieuw Zeelands familielid prachtig. De rugveren zijn fluorescerend, mooi op een heel ingetogen manier. Een paar stappen verder weer en hier heb ik opnieuw goed uitzicht op de Sutherland Falls. Het maakt me nieuwsgierig genoeg om door te lopen. Na een halve kilometer sta ik dan op een van gladde rotsen vergeven grasveldje. Op mijn gezicht voel ik kleine waterdruppels. Het is niet één lange waterval, op twee plekken steekt de rotswand wat uit en slaat het water met zo’n kracht op de rotsen dat de wind de opgeworpen waterdamp meevoert als een dunne sluier. Dit is de grootste waterval van Nieuw Zeeland, 580 meter hoog en nu ik ervoor sta denk ik: ja, dit is zeker de moeite waard. Het water valt in golven, zodat het op zijn weg naar beneden een boeiende gelaagdheid krijgt. Het komt neer op een rots in een klein meertje en ik verbaas me dat de rots er überhaupt nog is, nog niet is murw gebeukt door de niet aflatende kracht van het water. Een man loopt voorzichtig achter de waterval langs en je ziet meteen hoe nietig een mens is in vergelijking met deze 580-meter hoge reus. Ik geef mijn ogen ruim de kost en geniet, maar uiteindelijk wil ik toch wel graag naar het einde toe. Niet veel later ben ik weer terug bij de shelter. Ik twijfel, maar besluit uiteindelijk hier de heerlijke, met chocolade bedekte koekjes op te eten die ik als snack voor vanmiddag had bedoeld. Ik heb even wat energie nodig. Ik ben moe. Niet fysiek moe, want als ik weer verder ga, bewegen mijn benen zich in het vertrouwde tempo. Mentaal ben ik moe, van het constant nadenken over waar ik mijn voeten neerzet, het voortdurend opletten, de vele indrukken die ik heb opgedaan vandaag. Het is nog een uurtje naar de Dumpling Hut, maar ik ben ik ben diep in gedachten en zie nog amper waar ik loop. Als ik opkijk, merk ik dat ik langs een beekje loop met vreemd bruin water. Wat apart, na al dat pure bronwater van de afgelopen dagen. Ik vraag me af of het water nog wel veilig is om te drinken. Ik passeer wat beekjes, een paar aardverschuivingen en een vreemd open stuk gras, wat later een helikopterlandingsplaats blijkt te zijn voor wandelaars die door hoogwater zijn gestrand. Zo nu en dan verschijnen de sneeuwpalen weer lang het pad, waar ik uit afleid dat dit stuk van het pad bij hoog water natte voeten oplevert. Het is een lang uur. En dan, eindelijk, verschijnt er een bordje dat verwijst naar een zwemplas. Ik weet dat tenminste een paar wandelaars zich in het ijskoude water zullen wagen. Ik verlang naar een frisse douche na deze benauwde wandeldag, maar het rivierwater, zó uit de bergen, is me iets te fris. Ik houd het bij de wetwipes en een schoon shirt. Morgen. Morgen is de laatste dag en kan ik uitkijken naar een echte, heerlijke douche aan het eind ervan. Maar eerst zijn er meer watervallen, meer bergen en vooral: de Bell Rock. Vandaag doe ik even niets meer. Morgen is het nog één dag feest.

Dag 4: Dumpling hut – Sandfly Point, 18 km

Om vier uur ’s nachts begint het te regenen. Van zachte druppels die ik niet eens hoor vallen op het dak tot luide roffels die flinke poelen op het pad beloven. De regen had niet op een betere dag kunnen komen. Dit is de laatste dag en de makkelijkste. Het pad is tot het einde relatief vlak is ons beloofd en wat nog meer, het is eenvoudig, breed, gravel. We hoeven ons geen zorgen te maken over gladde rotsen en voor overstromingen of hoog water is het ook nog veel te vroeg. Bovendien kunnen we de Milford track nu in zijn volle glorie bewonderen. De talloze watervallen langs de bergwand, de beekjes en stroompjes. Nee, er zijn in onze groep geen wandelaars die mopperen over de regen die ons van boven wordt gegund.

Het is lastig inschatten hoeveel tijd we nodig hebben voor het laatste stuk naar Sandfly Point en daarom ben ik een van de wandelaars die nog in de ochtendschemer al vertrekt. Met mijn hoofdlamp verlicht ik het bospad, waar het duister net even wat dieper is dan bij de hut. Af en toe is er een geul in het pad om water door te laten, of een enkele steen, maar dat levert geen problemen op. Van de regen heb ik geen last. Nu ben ik blij dat ik die regenbroek al zolang meedraag en mijn rugzak wordt beschermd door een regenhoes. Mijn waterdichte jas beschermt zelfs mijn bril tegen regendruppels en zo kan ik volop genieten van de omgeving als het langzaam dag wordt. De bergen zijn gehuld in wolken, flarden donkergroen zijn zichtbaar achter de sluiers. Het is een prachtig gezicht en ademt een bijna Iers mysterieuze sfeer. We komen vrijwel geen lege beekbeddingen meer tegen en de slapende watervallen zijn gewekt. Ik tel er tientallen als ik de regen trotseer en mijn capuchon even naar achteren schuif om meer te kunnen zien dan mijn voeten alleen. Algauw verschijnt de eerste shelter, maar dat vind ik nog veel te vroeg. Ik loop door, trotseer de hangbrug over de Arthurrivier en de Mackay Creek en kom dan al gauw bij de Mackay Falls. Volgens de verhalen is deze superieur aan de Sutherland Falls, maar nu ik hem zie, geef ik toch de voorkeur aan de eenvoud van in recht vallend water. Deze waterval heeft niets van de avontuurlijke Roaring Burn op zijn weg naar beneden. Dit is een korte, bijna knoestige waterval die weliswaar pure kracht uitstraalt, maar geen sierlijke danspasjes maakt. Naast de waterval ligt Bell Rock, een rots die ooit door een rondtollend water is uitgehold en daarna van een grote hoogte naar beneden tuimelde om ondersteboven te landen.  Door een klein gat kruip ik naar binnen. Daar kan ik mijn knieën en rug rechten en pal boven me is het klokvormige gat waaraan de rots zijn naam te danken heeft. Heel bijzonder, waartoe de natuur allemaal in staat is. Maar de boot wacht en dat betekent dat ik niet blijf dralen. Twee hangbruggen heb ik nodig om de beddingen van Poseidon Creek over te steken. Alleen de eerste bevat water, dus zo hevig is deze regen nog niet. Langs het pad verschijnen weer boomvarens. Ik loop langs Lake Ada, maar slechts af en toe gunt het bos me een blik op het water. Het meer is 900 jaar geleden ontstaan door een enorme aardverschuiving en nog steeds steken de droeve stammen van beuken boven het water uit. Inmiddels begin ik naar een shelter te verlangen. In de verwachting dat het niet al te lang meer zal duren, stel ik een snack nog even uit. Maar het pad gaat door en door. Zo nu en dan klimt het pad en zijn mijn benen blij met de inspanning. Dan, eindelijk, is er bij Giant Gate Falls een shelter. Het zijn twee grote, overdekte banken, maar ik laat me er dankbaar op zakken en ben blij mijn rugzak af te kunnen doen. Een met chocolade bedekte muesli-reep verbetert mijn stemming verder. Vandaar is het niet ver meer naar Sandfly Point, waar ik geniet van een prachtig uitzicht op de Milford Sound. Tot de boot komt, voeg ik me bij de andere wandelaars in de shelter, want Sandfly Point maakt ondanks de regen zijn naam waar. Het zit erop. Een laatste blik op de bergen, de watervallen stromen zonder ons gewoon door. Een klein bootje brengt ons onfatsoenlijk snel terug naar de haven. Ik verlang nu al terug naar deze track. Ik zou het zó weer doen, Wat een geweldige ervaring. Dit is een herinnering die ik koester.