Laugavegur

De Laugavegur

Landmannalaugar – Alftavatn 24 km
Wanneer ik om 07.00 uur sta te popelen om op pad te gaan, bedekt dichte mist de grijze top van Bláhnúkur. Dit is niet het weer waarmee ik had gehoopt de bergen in te trekken. In de grote kooktent van Landmannalaugar wacht ik of het opklaart. Andere wandelaars worden wakker en druppelen binnen met hun ontbijtspullen in de hand. Met al die gasbranders wordt het lekker warm, maar ik heb alleen aandacht voor de bergtop die ik door het plastic raam net kan zien. Een uurtje later prijkt Bláhnúkur trots boven de camping en hijs ik alsnog mijn rugzak om. Opgewonden zet ik mijn eerste stappen op de Laugavegur, volgens velen een van de mooiste wandelingen ter wereld. Via stapstenen steek ik twee warme stroompjes over en begin te klimmen. Dat ging met een dagrugzak toch makkelijker. Ik realiseer me dat dit de laatste keer is dat ik het lavaveld Laugahraun doorkruis, de laatste keer dat ik de goudbruine bergen rond het dal Vondugil kan bewonderen. Het voelt als een afscheid, zozeer heeft deze unieke plek zich in mijn hart genesteld. Niet eerder werd ik zo diep geraakt door de schoonheid van de natuur. Ik heb al veel gereisd en heb veel gezien, maar Landmannalaugar is uniek. Hoewel ik hier al anderhalve dag heb rondgebanjerd, kan ik het niet laten toch nog nieuwe foto’s te maken van de kleurrijke Brennisteinsalda. Met zijn tinten rood en bruin oogt de berg een stuk warmer dan zijn grijze buurman. Langzaam klim ik omhoog naar de geothermische hotspot die witte rook uitbraakt alsof er een nieuwe paus is gekozen. De geur van rotte eieren is overweldigend en ik stap gauw door. Hoger, naar de flanken van Brennisteinsalda, waar de gekleurde lavakolommen me aan de paardenhoofdnevel doen denken. De zon schijnt en met mijn thermoshirt, fleecetrui en jas heb ik het flink warm. Toch trek ik geen laagje uit, ik weet wat me te wachten staat. De eerste twee kilometers gaan vandaag alleen maar omhoog en de wind die daar staat zal me zeker verkoelen. Uiteindelijk kom ik op het punt waar een groen gemarkeerd pad afslaat naar de top van Brennisteinsalda en de rode paaltjes van de Laugavegur rechtdoor gaan. Nu ben ik dan voorbij het punt dat ik op mijn kortere wandelingen heb verkend. Maagdelijke grond. Ik stijg en het uitzicht blijft geweldig. Omringd door koperkleurige bergen weet je bijna niet waar je kijken moet. Hoewel het bewolkt is, heb ik kilometers ver zicht. Ik prijs mezelf gelukkig, want het kan hier behoorlijk mistig zijn en ik weet van een wandelaar die hier al zeven keer heeft gelopen zonder dit uitzicht te hebben. Ik steek een smalle bergkam over en doorkruis een sneeuwveld. De afgelopen dagen ben ik mijn angst voor sneeuw en sneeuwbruggen kwijtgeraakt. Hier zit geen kloof onder verborgen waarin ik te pletter kan vallen. Het sneeuwveld is steil, maar de duizenden wandelaars die me zijn voorgegaan, hebben treden uitgesleten waar ik dankbaar gebruik van maak. Als ik omkijk naar Landmannalaugar zie ik een rij wandelaars over de smalle bergkam lopen, ryolietbergen op de achtergrond. Prachtig. Langzaam verdwijnen de bruine bergen naar de achtergrond en maken plaats voor lavavelden en sneeuw. Die is bedekt met een dunne laag zwart gruis, as van de uitbarsting van de Eyjafjallajokull in 2010. Er is een duidelijk spoor en ik zet mijn schoenen in de voetafdrukken waar de sneeuw al iets is geplet. Alleen heeft degene die me voor is gegaan iets kortere benen, wat mijn wandelritme verstoort. Op een gegeven moment zie ik geen markeringen meer, maar het spoor is even duidelijk als een snelweg. Toch kies ik in de verte een punt waar ik mijn GPS pak, als ik dan nog niets heb gezien.
Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn. Ergens op deze vlakte moet de gedenkplek zijn voor Ido Keinan, een Israëlische jongeman van 25 die hier in 2004 om het leven kwam. Meer door jeugdige overmoed dan de elementen, vind ik persoonlijk. Hij had slechte kleding, geen GPS en ging ondanks de waarschuwing van de hutwaard in Landmannalaugar op pad, terwijl hoog in de bergen een storm woedde. De mist die het zicht tot bijna nul terugbracht, was de laatste druppel. Ido verdwaalde. Hij belde de nooddiensten en daarna zijn zus in Londen. Zeventig vrijwilligers gingen op pad om hem te zoeken, terwijl zijn ouders in Israël op nieuws wachtten. Het weer was zo slecht dat zelfs enkele leden van het reddingsteam, die het gebied zeer goed kenden, bijna verdwaalden. Rond 01.00 uur ’s nachts vonden ze een lichaam, op 1 kilometer van de Höskuldsskálihut in Hrafntinnusker. Het was Ido. Hoewel ik de bronzen plaquette die zijn familie een jaar later achterliet niet tegenkom, spookt het verhaal door mijn achterhoofd als ik het uitgesleten spoor van cairn naar cairn volg. Je kunt hier een paar vergissingen maken. Maar niet teveel en niet tegelijkertijd.

Het spoor vervaagt en de voetstappen wijken uiteen alsof er een kudde verschrikte gazellen heeft gelopen. Het lopen wordt zwaarder, want bij elke stap zak ik zo’n vijf centimeter weg in de sneeuw. Precies bij de cairn die ik als herkenningspunt had uitgekozen, zie ik weer een markering. Er verschijnen er meer, zowat om de vijftig meter. Dat is niet voor niets, blijkt al snel. Wolken komen opzetten en het zicht vermindert, tot ik amper nog de volgende markering kan onderscheiden. En dan is er opeens een vallei die deels vrij is van sneeuw en waar stoom uitkomt. Stórihver. Uit een drietal gaten spuit de stoom onder grote druk omhoog. Uit één ervan sputtert water met een gorgelend geluid. Een paar heuvels later gaat de route dwars door de naar rotte eieren ruikende rook. Ook lopen we door de sneeuw om een enorm gat heen, waar in de diepte een warm beekje stroomt. Heel apart. De rode paaltjes leiden me verder en brengen me zonder mankeren naar Hrafntinnusker, met een enkele hut in een kom van bergen. Oorspronkelijk had ik hier willen kamperen, maar doordat er nog zeker twee meter sneeuw ligt, wordt dat afgeraden. Zelfs als het zonnig was geweest, zou ik toch zijn doorgelopen. Behalve de hut is er niets, geen dagwandelingen of iets anders dat me had kunnen overhalen om er een nacht te blijven. Wel pauzeer ik er even. De hut wordt nog schoongemaakt, maar we mogen in de droogkamer wat opwarmen. Die wordt flink heet gestookt en zit al snel vol wandelaars. Buiten begint het te regenen en degenen die nog geen regenbroek aanhebben, graven hem op uit hun rugzak.

Uiteindelijk druppelen er mensen binnen die de hut ook daadwerkelijk hebben geboekt en worden we vriendelijk verzocht om op te krassen. Het is droog geworden en ik tel mijn zegeningen. Een grote groep wandelaars komt me tegemoet, aan aantal dagen geleden gestart in Skógar. Ik dacht dat de meeste wandelaars in Landmannalaugar begonnen, maar dat blijkt vandaag niet te kloppen. Behoorlijk veel mensen lopen in de omgekeerde richting, vanwege de heersende windrichting of omdat het transport naar Skógar eenvoudiger is.

Na een afdaling klimmen we weer. Ik zie geen markering, tot ik een rood puntje net boven de sneeuw zie uitsteken. Dan trekt de bewolking op en zie ik meer van de prachtige bergen om me heen. Door mijn pauze in Hrafntinnusker zijn andere wandelaars nu continu in zicht, maar nooit zoveel en nooit zo dichtbij dat het vervelend is. Af en toe maak ik een praatje met iemand die rust of net als ik stopt voor een foto. Er is een stel uit Australië en een vader en zoon uit Groot Brittannië. Zij zijn het die me waarschuwen als ik bij de rand van een sneeuwveld kom. Er is een redelijk makkelijk ogend pad naar beneden, maar een rijtje stenen blokkeert de weg. Niet voor niets, geeft de vader aan, die al beneden staat. Dat pad ligt gevaarlijk dicht bij een overhang die elk moment in kan storten. Het andere pad ziet er niet minder riskant uit. Dit is niet steil meer, naar verticaal naar beneden. Een metertje of twee? Maar toch… Weer hebben wandelaars treden uitgesleten en de man raadt me aan te gaan zitten en dan voorzichtig af te dalen. Het ‘gaan zitten’ lukt. Mijn regenbroek is echter zo glad dat ik er niet eens aan toekom met mijn voeten naar de treden te zoeken. Ik roets met een rotvaart naar beneden en waar de sneeuw stopt, doe ik dat niet. Gelukkig is er niets anders dan modder onderaan de helling en een paar meter verder dan de bedoeling was, lig ik alsnog stil. De mannen zijn geschrokken. ‘Ik ben beneden!’ is mijn droge reactie. Gelukkig is het mijn regenbroek die bruin ziet van de modder, maar ook mijn rechterhandschoen heeft het moeten ontgelden en is onaangenaam nat geworden. Ik probeer het nog even, maar ik vind fotograferen toch echt belangrijker dan warme vingers en de handschoen gaat uit. Meer hotspots, fraaie sneeuwformaties, mijn camera snort tevreden. Even verderop zie ik oude sporen over de sneeuw leiden, waar inmiddels niets meer onder zit dan een snelstromende beek. De gemarkeerde route leidt er netjes omheen. Er wordt goed voor ons gezorgd door de IJslanders. Ik steek een stroompje over en dan is er een laatste klim, waarna we uitzicht hebben op de groene bergen rond Álftavatn. Een krachtige rivier stroomt door een nauwe kloof naar beneden, in de verte ontwaar ik slingerende beekjes door een groene vlakte. Daarachter het meer waaraan het gehucht zijn naam ontleent, want Álftvatn betekent ‘zwanenmeer’. Het is onaards mooi, maar de wolken verbergen de toppen van de indrukwekkendste reuzen en beletten me de mooiste foto’s te maken. Naarmate ik verder afdaal, wordt het zicht helderder. Ik zie het meer en, heel klein, de hut. Dat het dan nog bijna vijf kilometer is, zou je niet denken. De afdaling is niet steil en met nette zigzaggen, maar de ondergrond is zand en grind en uitglijden is een reëel gevaar. Langzaam en zorgvuldig kom ik steeds lager tot aan de bulderende rivier Grashagakvisl. Die moeten we oversteken, maar waar? De wandelaars voor me kiezen een plek uit, maar besluiten dat het niet haalbaar is. Even verderop ziet het er beter uit. Ze hoppen van steen naar steen en zijn in een wip aan de overkant. Ik volg ze, eerst een kleine stroom over naar een grindbank. Vandaar ligt er, waarschijnlijk niet toevallig, een keurig rijtje stenen naar de overkant. Ze liggen net onder het krachtige water en wederom prijs ik me gelukkig met mijn trekkingpoles en gamaschen. Het Australische stel pakt hun sandalen erbij, aan de overzijde trekken vader en zoon hun wandelschoenen weer aan. Dan heb ik het toch gemakkelijk vandaag. Nu resten alleen nog de laatste drie kilometer naar de hut en de camping. Ik ben best een beetje moe van wat uiteindelijk een lange dag was. Maar mijn vermoeidheid verdwijnt op slag als ik naast de hut een ander gebouwtje ontwaar met op de muur in grote letters ‘Restaurant Bar’. Daar hebben ze niet alleen een lekker colaatje om de dag mee te besluiten, maar ook een mouwembleem van deze tocht. Een mooie souvenir voor mijn verzameling.

 

Dag 2 Álftavatn – Emstrur-Botnar 15 km + Markarfljotglufur Canyon 2 km

Na een luie ochtend ga ik rond 08.00 uur weer op stap. Drie rivieren moet ik vandaag doorwaden en daarbij telt het kalme beekje rond de camping nog niet eens mee. Het water komt net over mijn enkels, maar dankzij mijn gamaschen loop ik hooguit een paar spatten op. Ik kijk nog een keer om naar Álftavatn met zijn prachtige bergen, maar ondanks de dappere pogingen van de zon om door te breken, blijven de bergtoppen in wolken gehuld. Ik beklim een heuvel en aan de andere kant wacht de eerste rivier, de Brattahalskvisl. Hier verruil ik mijn wandelschoenen voor sandalen en berg mijn camera veilig op in een dry bag. Ik ben niet van plan natter te worden dan nodig is om aan de overkant te komen, maar met mijn camera neem ik geen risico’s. Mijn broekspijpen rol ik op tot boven mijn knieën en dan plons ik het water in. De bodem van de rivier bestaat uit grind en kleine, ronde stenen. Mijn trekkingpoles geven me net die extra balans die andere overstekende wandelaars missen. Een vrouw gaat bijna onderuit, maar hervindt op tijd haar evenwicht. Het water is fris, maar niet extreem koud en in een wip ben ik over. Op de andere oever droog ik mijn voeten met de bovenrand van mijn sokken en trek ik mijn wandelschoenen weer aan, die ik dit keer niet ben vergeten mee te nemen. Daarna vervolg ik mijn weg, met uitzicht op de fotogenieke vulkaan Storasula. Ik rond een berg en vrijwel meteen verschijnt er een verzameling hutten en een kraal waar hooibalen klaarstaan voor een groep die een trektocht te paard maakt. De oudste hut uit 1963 was voor schaapherders, maar sinds 1995 kunnen ook toeristen ook in Hvannagil overnachten. De hutten zijn druk met mensen die nog een laatste blik op de kaart werpen of hun tenten inpakken. Vandaag kunnen we het allemaal rustig aan doen, de afstand naar Emstrur-Botnar is kort en de route niet zwaar. Voorbij de hutten kom ik door een lavaveld, maar dat lijkt in niets op Laugahraun bij Landmannalaugar. Op een paar enorme platte, grijze stenen na liggen er vooral ronde knollen. Basalt volgens mijn door een vulcanoloog geschreven gids. Tussen de grijze stenen groeien een paar lage bloemen. Aan de andere kant van het lavaveld lopen we over een weg en dan over rotsen naar een brug. Gelukkig maar, want de Kaldaklofskvisl is geen rivier die je doorwaadt. Woest water met witte schuimkoppen tolt over twee lage stroomversnellingen. Erg fraai. Amper een kilometer verder wacht de volgende rivier en dit keer moet ik er wel aan geloven. Twee wandelaars voor me steken gearmd en voorzichtig over en als zij het daar kunnen, kan ik het ook. Het is al bijna routine geworden. Sandalen, drybag, wandelschoenen niet vergeten en gaan. Allemachtig, wat is het koud! Geen idee waarom juist de Blafjallakvisl zoveel kouder is dan de eerdere rivier, maar het is bijna pijnlijk. Bij de andere oever wordt de rivier net even wat dieper en ik moet zoeken naar een plekje om weer aan land te gaan. Mijn benen zijn me beslist niet dankbaar voor die extra seconden in het ijskoude water. Eenmaal droog trek ik weer verder door een grijze vlakte omringd door groene bergen. Het pad is stoffig en lijkt bij tijd en wijle wel een ruiterpad. Het slingert zonder einde naar de horizon. Aan mijn linkerhand vang ik tussen de bergen glimpen op van een ijsvlakte. Dat moet Myrdalsjokull zijn, de enorme gletsjer waarvan elke uitloper zijn eigen naam lijkt te hebben. Het is ook de gletsjer waaronder de Katla ligt, de vulkaan die al een paar jaar over tijd is voor een nieuwe uitbarsting. In de laatste duizend jaar is de Eyjafjallajokull drie keer uitgebarsten en steeds werd de eruptie kort daarna gevolgd door een uitbarsting van de Katla. Behalve in 2010. Beide vulkanen worden nog steeds scherp in de gaten gehouden, maar lijken voorlopig te rusten.

De gletsjer is verleidelijk dichtbij en terwijl ik door het stof loop vraag ik me af wat me eigenlijk tegenhoudt. Niets toch? Ik verlaat de gemarkeerde route en koers recht op de witte vlakte af. Dan beklim ik een kleine golf in het landschap en zie ik wat vanaf de Laugavegur verborgen was. Een rivier. Kan ik hebben, denk ik nog. Als ik omkijk naar de officiële route zie ik in de verte een stoere brug. Een brug… dat is een hint. Zoals wij in onze familie zeggen: een stille hint met een sloophamer. Als de IJslanders het nodig vonden deze rivier te overbruggen, ga ik niet eens proberen hem te doorwaden. Ik loop terug naar de brug en zie dat er met de Innri-Emstrua inderdaad niet te spotten valt. De rivier is breed, diep en snel. Net voorbij de brug stort het water zich met donderend geraas over een waterval. Vanaf de andere oever lijkt de gletsjer opeens een stuk verder weg en ik ben mijn lust om hem van dichtbij te zien verloren. Terug de Laugavegur op. Nog steeds gaat het pad rechtdoor over de bodem van de vallei. Voor zover IJsland saai kan zijn, is dit stuk het minst opmerkelijk tot nu toe. Toch is er genoeg te zien als je er aandacht voor hebt. Er zijn lavabommen met stukjes steen erin, een paar markante groene bergen en een apart gevormde bruine rots. En dat is het wel zo’n beetje. Na nog een laatste oversteek en een paar kilometer zanderige as beklim ik een heuvel. Aan de andere kant schiet er vanaf de hoofdroute een zijpad naar de weg die ons al een tijdje vanaf een afstand vergezelt. Het is niet meer dan een vlak lint as in een asvallei, maar je kunt er rijden. Waar het pad de weg kruist staan houten borden en hoewel ze te ver weg zijn om te lezen, weet ik wat er staat. Mijn gids raadt me aan dit uitstapje te maken en dat doe ik maar al te graag. Ik sla het pad in dat is gemarkeerd met rode paaltjes. Van een afstand zou je niet vermoeden dat hier iets bijzonders te zien is en ongeduldig volg ik de markeringen. Pas wanneer ik er dichtbij kom, wordt de ongelooflijke omvang van de Markarfljotglufur duidelijk. Deze kloof is immens! Alle rivieren die ik sinds Hrafntinnusker ben overgestoken komen uit in de Markarfljot en het water heeft ruim 200 meter aan lava-afzettingen doorsneden. In de wanden van de kloof zie ik kleuren, rood en zwart en bruin. De indrukwekkend klinkende rivier oogt klein tussen deze geweldig hoge rotswanden. Wanneer ik een paadje zie naar een rotspunt die in de kloof uitsteekt, doe ik uit voorzorg mijn rugzak af. Ik ben van plan erg dichtbij de rand te komen en wil niet op het verkeerde moment uit balans worden gebracht. Een stuk lichter leg ik de laatste meters af naar de afgrond en kijk de diepte in. Daar is maar één woord voor: wow. Verschillende meeuwtjes cirkelen rond in de kloof, maar de donkere vleugels herken ik niet. Af en toe landen ze ergens op een richel, helaas uit het zicht. Aan de overkant van de kloof staat een busje en een groep toeristen vergaapt zich net als ik aan deze natuurpracht. Verder ben ik alleen. De andere wandelaars lopen de afslag naar de kloof voorbij, hoewel de hutwaardin later vertelt dat velen de lus ’s avonds lopen, als ze zijn uitgerust en hun tent hebben opgezet. De wandelaars die ik over de kloof tipte, vertellen me later echter dat ’s avonds de mist kwam opzetten en ze de kloof maar voor de helft konden zien.

Voor nu heb ik het rijk alleen en ik volg de markeringen van hoogtepunt naar hoogtepunt. Elk uitkijkpunt biedt weer een nieuwe blik op de kloof, een bijzondere rotsformatie, een waterval als een dunne sluier. Achter me is het boven de gletsjer nu volkomen helder en op deze hoogte heb ik er prachtig zicht op. De zon is nu echt goed doorgebroken en ik geniet. Even verderop hoor ik vogelgeluiden, voor het eerst vandaag. Een bontbekplevier blijft netjes poseren voor een stel foto’s. Wat leuk! Uiteindelijk brengen de markeringen me terug naar de weg en pak ik de Laugavegur weer op. En ik heb nog maar enkele stappen gezet of ik zie om de heuvel de hut verschijnen, die ik pas over een paar kilometer had vermoed. Op het bord staat Emstrur, maar de hut stond lang bekend als Botnar, wat bodem betekent. Emstrur is het gebied waarin we zitten en in de volksmond is zo de naam Emstrur-Botnar ontstaan. Ik zet mijn tentje op naast een beek en het is zo zonnig dat ik mijn modderige handschoenen uitwas en ook mijn eerste wandelbroek, waarvan ik er maar twee heb meegenomen. Het beekwater is zo koud dat ik mijn handen even de tijd moet geven te herstellen voor ik het volgende kledingstuk kan wassen. Zo eindigt deze dag als hij begon: heerlijk lui.

 

Dag 3  Emstrur-Botnar – Pórsmörk 15 km

Dit keer is het de regen die me tot laat in de ochtend in mijn knusse slaapzak houdt. Als ik rond 08.30 dan eindelijk op stap ga, is het droog, maar de wolken drijven laag over en beloven meer nattigheid. Vanaf de camping steek ik het vrolijk kabbelende beekje over en begin aan een korte klim door een dikke laag zwarte as. Eenmaal boven staat er een bord en er staan geen namen van bergtoppen op, zoals ik verwachtte. Het is een waarschuwingsbord: wat de doen bij een vulkaanuitbarsting. Het lijkt misschien een theoretisch gevaar, maar vandaag loopt de route door gebieden die bij een uitbarsting van de Katla te maken kunnen krijgen met een plotselinge vloedgolf. En dan niet zomaar een. Gesmolten gletsjerwater neemt as, stenen en zelfs rotsen mee op zijn weg naar beneden en lijkt meer op vloeibaar cement dan water. Jokulhlaup noemen de IJslanders het en jokulhlaups na de uitbarsting van de Katla in 1918 breidden de kustlijn van IJsland met maar liefst drie kilometer uit. Die kust is overigens 40 kilometer verderop. Ik neem het bord dus serieus, zonder echt problemen te verwachten. Even verderop is over een flinke beek een brug gemaakt. Het is een simpel geval, maar toch is het fijn om nu eens niet door het ijskoude water te moeten waden. Aan de rechterkant verschijnt de kloof Markarfljotsgljufur weer en ik herken de sluierwaterval die ik gisteren bewonderde. Het meest spectaculaire deel van de kloof heb ik al gezien, blijkt al snel. Hoe snel raak je verwend hier! Een nieuwe heuvel en een steile afdaling. Ik zet mijn hakken in het zand alsof het een duin is en loop zo redelijk makkelijk omlaag naar twee bruggen over de Sydri-Emstrua, een krachtige rivier die in een diepe kloof stroomt. De eerste brug helpt ons het water over, de tweede is tegen de wand van de kloof geplakt waar erosie de rotsen heeft weggeslagen. Er is een touw gespannen, meer ter geruststelling dan uit noodzaak. Eenmaal uit de kloof trek ik mijn trui en regenbroek uit en geniet nog voor een laatste keer van het uitzicht op Entujokull, de uitloper van de gletsjer Myrdalsjokull die zich naar Botnar uitstrekt. Ik klim het dal uit en trek mijn regenbroek weer aan, want het miezert al ruim een kwartier en dit keer lijkt het geen kort buitje. Terugkijkend zie ik het pad temidden van de groene vlakte, de kloof, een verre waterval die  zijn krachten met die van de rivier bundelt. De route gaat verder over een zanderige laag as en eindigt tegen een klif waarin ik de basaltkolommen meen te herken die in mijn gids beschreven staan. Die ontstaan wanneer dikke lavastromen van basalt afkoelen. Het basalt trekt samen in zeskantige kolommen, al zijn er ook achtkantige varianten bekend. Het landschap blijft boeien, met de berg Einhyrningur aan de horizon, die lijkt op een neushoorn, al menen de IJslanders er een eenhoorn in te herkennen. Er is een klein lusje van de officiële route af, maar net wat interessanter langs de rand van een kloof. Daarna verder. Ik kom een enorme lavabom tegen, groter dan ikzelf. Bijna terloops verschijnen er gras en struiken. Even later zelfs boompjes, eerst klein, later manshoog. Thorsmörk komt dichterbij. De grond raakt begroeid met heide met dieppaarse bloemen. Ernaast groeit iets roods, terwijl andere bloemen bescheiden zachtroze zijn. Bij de brug over de Ljosa is de begroeiing zelfs zo dicht dat ik de rivier in zijn kloof amper kan zien. Aan de andere kant mogen we weer klimmen en dit keer ben ik opgetogen. De heuvel geeft een schitterend uitzicht op de gletsjer, waar het blauw door de sneeuw schemert. Na de heuvel volgt onvermijdelijk de afdaling en ik zie een rivier, de enige vandaag die we ook echt moeten doorwaden. Met deze regen is het een opgave, maar zoals steeds is de voorbereiding het meeste werk. Terwijl drie schapen vanaf de heuvel toekijken, maak ik me klaar. De rivier stroomt krachtig, dankzij mijn poles houd ik me goed staande en ben snel aan de overkant. Vandaar is er een heerlijk slingerend pad door een echt bos, vol gras en bloemen en met bomen groter dan ikzelf. Buiten Reykjavik heb ik nog niet eerder bomen gezien, amper 1% van IJsland is bebost. Dat het vroeger liefst 25% was, komt ook terug in de plaatsnamen, want Thórsmörk berekent Thor’s Woud. Uiteindelijk kom ik uit op een weg, of wat daarvoor in IJsland door moet gaan. Asfalt is hier ver te zoeken en daarom voelt het niet vervelend. Dan kom ik bij de handwijzer die aangeeft dat ik in Thórsmörk ben. Hier heb ik de keuze uit drie campings, maar één valt er sowieso af. Die ligt in de verkeerde richting als je door wilt naar Skógar. Nee, ik kies voor Langidalur, van de Ferdafelág Islands, de IJslandse toeristenvereniging. Zij beheren ook de Laugavegur, houden de markeringen bij en bouwden en bemensen de hutten onderweg. Door bij hen te overnachten, uit ik mijn dankbaarheid en sympathie. Bovendien heb ik met deze regen geen zin om door te lopen naar Basar, twee kilometer verder. Hier houdt het voor mij op. Ik heb de Laugavegur volbracht en het was inderdaad één van de mooiste wandelingen ter wereld.