Lake Waikaremoana Great Walk

Het donkere bos van Lake Waikaremoana (2015)

Volgens de legende was de Polynesische zeevaarder Kupe rond 925 de eerste die het land zag. Omdat er laaghangende bewolking over de heuvels hing, noemde hij het Aotearoa, het land van de lange witte wolk. In 1642 noemde Abel Tasman de eilanden naar een Hollandse provincie Nieuw Zeeland. Tegenwoordig is het een paradijs voor avonturiers,  wandellief-hebbers én fans van Lord of the Rings. Ik ben alle drie en daarom loop ik hier de komende zes weken zeven wandelpaden en één IML. Dit de Lake Waikaremoana Track

Dag 1: Onepoto – Panekirihut, 9 km

Het hoogteprofiel ziet er simpel uit: in amper 10 km zo’n 600 meter klimmen naar Panekiri Bluff. Van tevoren dacht ik: dat doe ik wel, en het ‘even’ dacht ik er stilletjes bij. Maar de werkelijkheid is toch even anders als het busje me afzet bij Onepoto, het begin van de Lake Waikaremoana Track in het hart van het Te Urewera National Park.

Een kleine schuilhut markeert het begin van de Great Walk. Op panelen staat informatie over het gebied en ik sta even stil om iets te leren over het landschap waarin ik de komen-de 2,5 dag ga lopen. Het meer is relatief jong, zo’n 2.200 jaar geleden ontstaan toen na een grote aardbeving een enorme landverschuiving de rivier Waikarataheke blokkeerde. Achter de natuurlijke dam ontstond een meer van 248 meter diep. Ook de Moari-legende over het ontstaan wordt verteld. Het Maori-stamhoofd Maahu-tapoa-nui vroeg zijn dochter Hau-mapuhia water voor hem te halen. Toen ze weigerde, probeerde hij haar te verdrinken, waarop ze de goden van het land te hulp riep. Die veranderden haar in een taniwha, een mythisch watermonster waarvoor daglicht fataal is. Daarom probeerde ze eerst noordwaarts te ontsnappen, en zo werd de Whanganui-arm van het meer gevormd. Daarna vluchtte ze naar het oosten en creëerde zo de Whanganui-o-Parua-arm. Tenslotte probeerde ze bij Onepoto te ontsnappen, maar werd door het ochtendgloren in steen veranderd. Daar ligt nu de Waikaretaheke-beek, de enige die uit het meer stroomt. Kijk, dat is toch veel boeiender dan een aardverschuiving?

Uiteindelijk ga ik op pad, want mijn voeten jeuken om te beginnen. Direct vanaf de eerste meter begint de route te klimmen en ik zet een kalme pas in. Het meer blijft verborgen achter het warme groen van struiken, loofbomen en af en toe een boom waar ik goed naar moet kijken om te herkennen dat het geen palmboom is. De gelaagde stam voldoet precies aan het clichébeeld dat ik van een palm heb en ook de kroon van grote, hangende bladeren doet eraan denken. Dit zijn echter boomvarens. Er zijn verschillende soorten, sommige met een gladde bast terwijl andere de bruine nerven van hun dode bladeren als een rok om zich heen draperen. Het graspad gaat over in een smalle tunnel tussen de bomen. Een licht briesje speelt om mijn voeten. Heerlijk koel zo op deze stralende dag. Ik zie weinig vogels, maar hoor een onophoudelijk getjirp als van duizenden cicaden  tegelijk. Dit bos is zo anders dan in Nederland, zo overweldigend groen. De stammen zijn bedekt met dikke lagen mos en op de takken groeien varens. Elke boom is een wereld op zich. Het is soms moeilijk te onderscheiden of een boom dood is of leeft, want zelfs de overleden exemplaren zijn nog groen. Voor een natuurliefhebber is dit het paradijs.

Het pad wordt uitdagender, vol wortels en weggesleten zand. Zo zie ik het graag. Mijn keel doet nog steeds wat zeer van een herstellende verkoudheid en het klimmen gaat me niet makkelijk af. Gelukkig had ik bij het plannen van deze tocht een vooruitziende blik. Het is zo’n vijf uur naar de eerste hut en daar heb ik de hele dag voor. Ondanks dat je amper kunt verdwalen, is het pad prima gemarkeerd met oranje driehoekjes. Dat is fijn, want terwijl die eerste hut nog een abstract begrip is dat in theorie bereikt gaat worden, geven de oranje markeringen een direct doel. Bij de volgende een korte adempauze, beloof ik mezelf, bij de tweede een slok water. Dit is de eerste keer dat ik een camelback bij me heb en het bevalt goed. Mijn rugzak is nog van het pre-camelbacktijdperk zonder nuttige gaten op strategische plekken en het mondstuk bungelt ergens bij mijn borst, net niet op slurp-hoogte. Gelukkig blijft het water lekker koel en ik drink meer vanwege mijn keelpijn dan dat ik echt dorst heb. Uiteindelijk hou ik het daarom telkens bij één slok, die ik lang door mijn mond laat rollen.

Behalve de oranje driehoekjes kom ik ook roze linten tegen. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat ze zijn achtergebleven na een speurtocht. Alles wat je het park mee inneemt, moet je er ook weer mee terugnemen en het verbaast me dat iemand het toch nodig heeft gevonden een spoor van linten achter te laten. En dan nog in zo’n afschuwe-lijke kleur bovendien, die vloekt met de vele tinten groen van het bos. Even kom ik in de verleiding de linten te verwijderen, zodat het bos weer in zijn pure staat terugkeert. Maar dan bedenk ik me dat de linten misschien wel een functie hebben waarvan ik niet op de hoogte ben, zoals de rode stippen die aangeven welke bomen mogen worden gekapt. Ik laat ze maar hangen en probeer er langsheen te kijken naar de wonderlijke vormen van de bomen, die een intrigerende puzzel vormen.

Zo nu en dan heb ik uitzicht op het glinsterende water van lake Waikaremoana. Het is geen rond meer, maar een grillig gevormd water dat zich tussen allerlei uitlopers van bergen doorwringt. En het is stil. Er zijn geen bootjes, geen zwemmers, het lachen van spelende kinderen echoot niet tegen de rotsen. Zo rustig. Hoewel ik weet dat er voor mij een groep van vijf man is vertrokken op dezelfde wandeltocht voel ik me heerlijk alleen op de wereld. Na ongeveer anderhalf uur vind ik een zanderig plekje in de zon met uitzicht op het water en plof even neer. Normaal gesproken wil ik zo snel mogelijk het einddoel halen, maar niet vandaag. Ik ben tenslotte op vakantie. Ik eet wat rozijnen en sluit mijn ogen. Heerlijk. In de struik boven mij wipt een vogeltje heen en weer, zonder zich echt goed te laten bewonderen. Onder een wortel zitten kleine, perfect ronde gaatjes in het zand en ik vraag me af welk insect daar huist. Als de zon verdwijnt achter wat sluierbewolking hijs ik mijn rugzak weer om en loop verder. Het pad wordt nu makkelijker, een vlak, breed zandpad dat zich tussen de bomen doorslingert. Dit is het pad zoals het in 1962 is aangelegd door de schooljongens van veertien verschillende scholen in een bewuste poging dit prachtige gebied toegankelijk te maken voor toeristen. Het loopt een stuk fijner en ik ben blij dat ik even niet meer op mijn voeten hoef te letten. Zo af en toe gaat het pad een stuk naar beneden. Dat is nou jammer. Ik ben bang dat elke meter die ik afdaal, straks weer heroverd moet worden. Maar voorlopig laat ik de zwaartekracht mijn benen ondersteunen.

Sommige wandelaars zouden dit pad op den duur misschien saai vinden. Alleen maar bos. Mij verveelt het nooit. Hoe zou het ook kunnen, met zoveel boeiende lijnen om me heen? Een natuurlijk kunstwerk. Ik vraag me af wat Escher hiervan zou maken. Een flink aantal bomen langs het pad vertoont zwarte littekens van blikseminslag. Het hout sterft hier rood, niet het harde grijs van dood hout in Nederland. Ook de aarde aan de rechterkant, waar het pad is afgegraven, toont allerlei kleuren. Een Nieuw Zeelandse bosduif vliegt vlak voor me het pad over en toont een prachtig fluorescerende staart. Hij blijft even zitten, maar zo op een tak is het weer gewoon een uit de kluiten gewassen grijze duif. Een ander grijs, pluizig bolletje laat zich even bekijken. Een soort meesje,  vermoed ik. Zou dit de grey warbler zijn? Of de fantail? En zo nu en dan klinkt het geluid van een vogel die ik niet kan zien, dat me aan een wielewaal doet denken. Helaas is hij net zo schuw als de wielewaal en hoewel ik het geluid probeer te lokaliseren, blijft de zanger goed verborgen.

Er zijn geen bankjes langs de route en tegen de tijd dat ik honger krijg, plof ik ergens in het gras. Ik eet wat en weer sluit ik even mijn ogen. Heerlijk, zo ongestoord dommelen, wetend dat er niemand langs zal komen als stille vermaning, om je te aan te sporen door te gaan. Na een tijdje wordt het toch weer fris en ga ik verder. Het duurt niet lang voor ik bij een vork in de weg ben, waar volgens een bordje het uitzichtpunt Bald Knob is. Ik ga kijken en het is prachtig. Het leger van dode berken op de weg ernaar toe, daarna rotsen die een fantastisch uitzicht geven op zowat het hele meer. Tot zover het oog reikt gaan de groene bergen in elkaar over, mistiger wordend naarmate ze de horizon omhelzen. Er is geen stad, geen dorp, geen huis te zien. Waar overkomt je dat in Nederland ooit? Ook aan de andere kant, weg van het meer, waar de heuvels bruin zijn en waarschijnlijk schapen en koeien grazen, geen teken van beschaving. Op één weg na dan, maar daar kan ik mee leven. Volgens het bord is het nog een uurtje naar de Panekiri-hut. Misschien begin ik moe te worden, maar het is een lang uurtje. Uiteindelijk kom ik bij een houten trap die naar de hut leidt. Een klein, hufterproof geval met stapelbedden, matrassen en een aantal banken en tafels. Uit de kraan komt regenwater, dat vanaf het dak in grote tonnen wordt verzameld. Het is veilig om te drinken, volgens een bordje in de hut, maar als je het niet vertrouwt, kun je het altijd nog koken. Eerst ga ik naar buiten. Want ook hier weer, op het hoogste punt van de route, een geweldig uitzicht aan alle kanten. En ook een stukje gras in de schaduw dat mijn naam roept. Rugzak af, schoenen uit. Ik hoef niet verder vandaag. Ik geef toe aan mijn luiheid en geniet. Wat een heerlijke vakantie.

Dag 2: Panekirihut – Marauitihut, 20 km

De ochtend begint magisch. Het meer is bedekt met een wattenbollen wolkenlaag, die stilletjes aan onze voeten ligt. Wolkenflarden scheren door de boomtoppen, als witte wieven die dansen op de wind. Terwijl de zon opkomt, ga ik op pad, want het wordt een lange dag vandaag. Een paar meter van de hut en je zit alweer in het bos, wat een verwennerij! Het pad blijft breed en makkelijk te belopen en ik zet er flink de pas in. Heel geleidelijk daal ik af, met af en toe toch nog even een klimmetje van een paar meter, om te pesten. Dan kom ik bij een trap die me in een keer zo’n 250 meter lager brengt. Ik ben blij dat ik hem niet hoef te bestijgen. Halverwege, onderaan een brede rots, sta ik even stil. Het grijs van steen is niet te zien, verzacht door mos en varens. Waar ze houvast vinden, is mij een raadsel, maar het leeft uitbundig.

 Nog steeds is het lekker koel onder de bomen. Hoewel het vlot gaat, begin ik toch uit te kijken naar een rustplekje. Bij een verhoging van mos stop ik even en geniet van de gedroogde abrikozen die ik als snack heb meegenomen. Omdat ik vanwege het gewicht een boek heb thuisgelaten, blijf ik wat rusteloos en ga gauw verder. Steeds verder daal ik af, tot ik vrijwel aan het water ben, waar het landschap totaal verandert. Veel opener, met gras en riet. De zon brandt behoorlijk op mijn huid en ik smeer me goed in. Het duurt niet lang voor ik bij afslag naar de Waiopaoahut ben, waar ik even geniet van het prachtige uitzicht. Een zanderige baai vol eenden, een kleine blauwe reiger strijkt neer. Hij heeft niet die gele snavel die de Nederlandse blauwe reiger zo’n agressieve aanblik geeft. Enorme rietpluimen boven mijn hoofd. Ik volg het graspad naar mijn eerste hangbrug, die over een modderig stroompje vrolijk op en neer danst. Het pad slingert afwisselend door bos en over gras. De bomen zijn hier anders, kale, grijze stammen met bovenin een tuftje groen. Zo nu en dan is er modder en zelfs daar geniet ik  van.

Na anderhalf uur langs de oever van het meer te hebben gelopen, kom ik bij het pad naar Korokoro Falls, een uitstapje van hooguit een uur. Ik ben nieuwsgierig en leg mijn rugzak naast het pad achter een boomvaren. Alleen een waterflesje, mijn camera en mijn stokken neem ik mee. Heerlijk, om me weer zo vrij te kunnen bewegen zonder al dat gewicht op mijn rug. Het pad is langer dan verwacht, maar wel avontuurlijk. Lekker klimmen over boomwortels, over een geultje springen. Rechts van het pad, in de diepte, begint water te murmelen, een geluid dat ik tot nu toe heb gemist op mijn wandeling. Onderweg kom ik behoorlijk wat andere wandelaars tegen. Blijkbaar is dit een populaire trip. Dan kom ik bij een beekje en de enige weg naar de overkant voert over rotsen in alle vormen en maten. Stapstenen is een te goed woord voor deze verzameling keien. Om wandelaars te helpen, is er een ijzeren kabel gespannen waar je je aan kunt vasthouden. Leuk! Vandaar is het niet ver meer naar de waterval. Over een vierkante rots stort het water zich lui naar beneden. Ondanks dat het de afgelopen dagen heeft geregend, blijft de waterval beperkt tot de zijkanten van de rots. Aan de rechterkant kiepert een betrouwbaar beekje naar beneden, terwijl het aan de andere kant meer een behoorlijke lekkage lijkt. Ik kan me voorstellen dat er na een forse regenbui een heus gordijn van water hangt, maar vandaag moeten wij het doen met de vitrage. De rots zelf is een vlakke muur met een grote scheur onderin, begroeid met verschillende tinten mos. Zoveel kleur! Rood en groen en zwart. Aan de voet van de waterval staan een paar mensen, maar ik geniet van mij uitzicht bovenaf. Van onderen is het uitzicht vast niet beter en ik heb geen zin om nat te worden. Het is tijd om weer terug te gaan. De terugweg lijkt korter, maar is dat niet altijd zo? Ik pik mijn rugzak op, maar ga niet meteen verder. Twee minuten verderop is de Korokoro-kampeerplek. Daar hoop ik een aantal zaken te vinden, zoals een latrine, vers regenwater en even rust. Het is een idyllisch plekje aan een baai, maar rust vind ik niet. Er vliegen teveel wespen en ander klein grut rond, waaronder spul dat bijt. Zijn dit nou die beruchte zandvliegen? Bovendien hebben er dieren gegraasd en hun uitwerpselen in het gras achtergelaten. Toch duurt het een uurtje voor ik weer de energie bij elkaar raap om verder te gaan. Ik ben lui en heb geen zin. Ik sleep mezelf overeind, want ik wil vanavond wel weer in een hut slapen en niet in de buitenlucht. Langzaam kom ik op gang. Natuurlijk zijn er onderweg dingen die me boeien en weer nieuwe energie geven. Een tui, die ik van heel dichtbij kan bekijken. Zijn prachtige witte befje van uitstekende pronkveren. De fluoriscerende groene achterkant. Dit is dan de vogel waarvan het geluid me aan een wielewaal deed denken. Hij vliegt naar een tak om wat bessen te eten, waar ik hem bijzonder goed kan zien. Mooi! Ook een fantail laat zich van dichtbij bewonderen, die zijn naam ontleent aan de staart die hij als een waaier uitvouwt. Even ben ik helemaal blij. Het pad volgt de contouren van het meer en de ene na de andere baai komt voorbij. Zo af en toe steek ik een beekje over dat zijn water aan het meer toevertrouwd. Op een gegeven moment begin ik toch wel moe te worden. Ik rust even uit en ga dan weer verder. Eindelijk bereik ik dan Te Kotoreotaunoa Point, waar het pad landinwaarts draait langs Maraunui bay. Aan de overkant zie ik een hut liggen, maar uit de routebeschrijving weet ik dat daar nog niet het eindpunt van vandaag ligt. Die hut is voor het personeel van het Departement of Conservation. Het pad gaat nog kilometers door, langs een beekje tot ik een brug bereik en dan langs de andere kant van het water terug mag. Aan het gemopper in mijn hoofd merk ik dat het nu echt genoeg is voor vandaag. Gedroogde abrikozen geven niet genoeg energie om een hele dag op te lopen. Gelukkig hoef ik niet meer te klimmen, denk ik nog. Te vroeg gejuicht. Nog een fikse heuvel staat er tussen mij en de hut. Langzaam beklim ik de boomwortels, hijs mezelf omhoog aan mijn stokken. Aan de andere kant daal ik weer af, dit keer zonder wortels. Ik kom terecht in een boomvarenbos waar de bomen zo groot zijn en dicht op elkaar staan dat het donker is. Ik stop nu pas als ik de hut zie en met de finish in zicht spreek ik mijn laatste restje energie aan. Nog twee minuten over een graspaadje, belooft de wegwijzer. En dan is daar eindelijk de houten trap naar de veranda, de vertrouwde stapelbedden en de kookruimte. Ik gooi mijn rugzak voor de laatste keer vandaag af. Ik trek mijn sandalen en handdoek eruit en spring in het heerlijk koele water van lake Waikaremoana. Geweldig, even zwemmen! Het water is koud en zit vol kriebelend wier, maar even een paar baantjes trekken werkt superverfrissend. Heerlijk.

Dag 3: Marauitihut – Hopuruahine Landing, 16 km

Alweer sta ik vlak na zonsopgang op. Dit keer niet voor een heel lange dag, maar wel een met een vaste deadline van 14.00 uur. Dan haalt de watertaxi me op bij het eindpunt en omdat ik hou van punctualiteit, zit dat tijdstip zowat de hele ochtend in mijn hoofd. Pas als ik bij de laatste hut ben en nog anderhalf uur heb voor een wandelingetje van drie kwartier kan ik me wat meer ontspannen. Maar eerst zijn er nog die buitengewone, fantastische kilometers door het bos. Het bos zelf blijft genieten, alsof je door Burgers Bush loopt, maar dan zonder kinderwagens. En zonder vogels, realiseer ik me. Pas nu, in de vroege ochtend, valt het me op hoe onnatuurlijk stil het bos is. In Nederland zou het bos letterlijk zingen, van merels en lijsters die hun territorium verdedigen tot roodborsten die een partner lokken en een specht die op dood hout roffelt om hetzelfde te bereiken. Hier klinkt hooguit een enkele tui. Dit is wat er gebeurt als je ondoordacht met de natuur omgaat. Pure armoede. Toen Nieuw Zeeland zich afsplitste van het oercontinent Gondwana, waren er behalve twee kleine vleermuizen geen zoogdieren in het land. Behalve enkele roofvogels hadden de Nieuw Zeelandse vogels geen natuurlijke vijanden. Daardoor konden ze veilig op de grond of in boomholen nestelen en was vliegen eigenlijk niet meer nodig. De Maori brachten met ratten de eerste vijand mee, maar de Engelsen maakten het letterlijk bont. Eerst brachten ze konijnen mee om de bontindustrie op gang te brengen en die plantten zich voort als… konijnen. Om die plaag te bestrijden, lieten ze buidelratten en hermelijnen los, wat een zo mogelijk nog grotere ramp ontketende. Want de roofdieren realiseerden zich al heel snel dat de vogels een veel makkelijker prooi waren dan de vlugvoetige konijnen. Vogels zonder vluchtinstinct, die bij een dreiging roerloos bleven zitten. Van de 107 inheemse vogelsoorten, zijn er inmiddels 35 uitgestorven en 25 ernstig bedreigd. Dat is bijna de helft! Doordat er nog maar zo weinig tui’s over zijn, hoeven ze hun territorium niet te verdedigen en is het niet langer noodzakelijk om hun stem te verheffen. Zo her en der langs de route kom ik vallen tegen en gisteravond liepen er jagers met grote geweren en een illegaal spotlicht langs de hut. Maar aan de oorverdovende stilte te horen, heeft het Department of Conservation nog een lange weg te gaan.

Toch valt er ook zonder vogels genoeg te genieten. Het bos blijft een feest voor je ogen. Zo intens  groen. Er zijn vandaag meer rotsen op het pad, waar ik om- en overheen mag klauteren. Zo nu en dan drupt er een klein stroompje over het pad en over de grotere stroompjes liggen houten bruggen. De forsere beken zijn voorzien van grote hangbruggen, die nog nadeinen in mijn benen als ik alweer vaste grond heb bereikt. Al kan ik me niet voorstellen dat de ielige stroompjes echt verantwoordelijk zijn voor het vele wrakhout langs hun oevers. Takken, complete bomen. Als het een week lang heeft geregend misschien. Het pad volgt grotendeels het water, met af en toe een uitstapje naar het binnenland om een schiereiland te doorsteken. Dichtbij het water is het pad modderig en stap ik op de takken die in de ergste plassen zijn neergelegd. Zo nu en dan is het pad geplaveid met kiezelstenen, maar na twee dagen zachte bosgrond voelen de kiezels hard en onwennig aan. Op het water zie ik talloze zwarte zwanen, die een geluid maken dat me aan badeendjes doet denken. Zwarte zwanen komen van nature in Nieuw Zeeland voor, terwijl witte er niet gedijen. Heel apart. Na zo’n twee uur bereik ik Waiharuruhut, de grootste en meest moderne hut op de route. Nu is er niemand, maar er kunnen 40 man slapen. Ik loop in het naseizoen en tot nu toe is het redelijk stil in de hutten, gisteren waren we met zijn vieren. Sowieso vermoed ik dat deze Great Walk, opgenomen in de lijst van negen mooiste wandelingen van Nieuw Zeeland, niet de meest druk bezochte is. Toch ben ik blij dat ik niet helemaal alleen ben, ondanks dat ik bewust voor deze rustige tijd heb gekozen. Na een korte pauze steek ik Upokorokoro Stream over en dan moet ik weer even flink klimmen. Het is maar honderd meter, maar toch hebben mijn benen er moeite mee en ben ik blij dat de stokken een deel van het gewicht overnemen. Hier kom ik ook een hek tegen dat onder stroom staat en dat kiwi’s op het schiereiland Puketukutuku Range houdt. Het gebied is redelijk ontdaan van buidelratten en binnen dit hek kunnen de jongen veilig opgroeien. Als er 250 zijn, wordt het hek weggehaald. Maar voorlopig is het nog niet zover. De kiwi blijkt een nachtdier en de stiekeme hoop om er een tegen te komen, vervliegt. Naast de vertrouwde oranje markeringen, beginnen ook weer roze driehoekjes te verschijnen. Dit keer met uitleg: hier ligt een lijn rattenvallen. Ik ben blij dat ik op de eerste dag de roze linten niet heb verwijderd, want net als buidelratten zijn ratten een van de vele plagen die vogels bedreigen.

Weer duurt het voor mijn gevoel langer dan het zou moeten voor ik de volgende hut bereik, de Whanganuihut, hoewel mijn horloge mijn gevoel tegenspreekt. Ik heb er precies twee uur over gedaan en dat is de tijd die ervoor staat. Deze hut is een klein en knus geval en net zo leeg als de vorige. Wel komen met hier twee wandelaars tegemoet die een uurtje tevoren door de watertaxi zijn afgezet. Het afhaalpunt is drie kwartier verder en ik heb nog ruim de tijd. Ik ga dan ook langzaam verder. Het einde nadert zo snel. Ik zou wel eeuwig door willen lopen, het hele meer rond. Maar aan de overkant van de Whanganui Inlet zie ik al een camper staan. Daar is de weg, terug naar de beschaving. Gelukkig mag ik eerst nog genieten van een boottocht. De watertaxi, met zijn twee krachtige motoren, verschijnt al snel en brengt me in noodtempo terug naar Onepoto. Zo vreemd om weer uit het bos te zijn. Ik weet wel waar ik liever ben!