Kepler Track

De fjorden van Te Anau: de Kepler Track (2015)

 Volgens de legende was de Polynesische zeevaarder Kupe rond 925 de eerste die het land zag. Omdat er laaghangende bewolking over de heuvels hing, noemde hij het Aotearoa, het land van de lange witte wolk. In 1642 noemde Abel Tasman de eilanden naar een Hollandse provincie Nieuw Zeeland. Tegenwoordig is het een paradijs voor avonturiers,  wandelliefhebbers én fans van Lord of the Rings. Ik ben alle drie en daarom loop ik hier de komende zes weken zeven wandelpaden en één IML. Dit is de Kepler Track.

 Dag 1 Te Anau- Luxmore Hut, 18 km
Eigenlijk wil ik uitslapen en pas gaan wandelen als het goed en wel licht is. Maar als ik de gordijnen open en de grijze regenlucht zie, besef ik dat het niet veel lichter zal worden en elk uur dat het nog droog is te waardevol is om te verspillen. Ik maak de dag een uurtje langer door te beginnen in Te Anau en vandaar naar de start van de track bij de Control Gates te lopen. Het boulevard langs het gelijknamige meer kijkt uit op donkergroene bergen, die er veel minder vriendelijk uitzien dan gisteren, in de zon. Ondanks de grijze lucht is de wind verrassend warm en ik besluit algauw dat ik mijn jas en trui niet nodig heb. Ik kom langs het Departement of Conservation-bezoekerscentrum, waar een beeld staat van Quintin Mackinnon, een van de bouwers van wat de Milford Track zou worden en de eerste gids. Na het bezoekerscentrum gaat de route verder over een gravelpad tussen hoge struiken die me beschermen tegen de wind. Al na tien minuten kom ik bij het Te Anau Wildlife Park, een klein, openbaar park waar bedreigde en gewonde vogels worden opgevangen en ingezet voor een broedprogramma. Er is een kea, die kan kiezen uit een ouderwetse, betonnen volière of een nieuwe, met gras en takken. Volgens het bord brengt het dier de meeste tijd door in de groene. Er zijn ook andere papagaaien, de South Island Kaka, een wat grijze papagaai met een rode buik. Het zijn er een stuk of vijf en zij hebben een hele boom tot hun beschikking. Op het mededelingenbord naast hun kooi staat een uitnodiging om speelgoed voor ze te maken van karton en andere natuurlijke materialen. Ook staat er wat je ze wel en niet mag voeren. Leuk dat de bezoekers zo bij de verzorging betrokken worden. Verder laat de zeldzame takahe zich heel goed zien, een soort waterhoen aan de steroïden met een enorm rood dekschild boven zijn snavel. Ongeveer zo groot als een haas, is dit geen watervogel, maar een vegetariër die met de geïntroduceerde ree moet concurreren om gras. Gedacht werd dat de takahe was uitgestorven, tot boven de gloeiwormgrotten in Te Anau nog een kleine populatie werd ontdekt. Nu wordt er hard aan gewerkt om de soort alsnog voor uitsterven te behoeden. Nadat ik heb rondgekeken, loop ik door, verder om Dock Bay heen. Vlak voor de Control Gates, heb ik een prachtig uitzicht over het meer en de bergen in de verte, die in elkaar grijpen als vingers in telkens net een andere kleur blauw. De Control Gates is een soort dam met sluizen, die het waterniveau tussen de meren Te Anau en Manapouri reguleert, zodat er altijd genoeg water is om elektriciteit op te wekken. Als ik de dam eenmaal ben overgestoken, begint het Kepler Track dan echt.

Meteen aan het begin van het pad worden wandelaars gewaarschuwd voor de verschillende soorten gif die in de hermelijn-vallen worden gebruikt. Het gif is dodelijk voor honden, maar aangezien hier de kiwi nog in het wild voorkomt, zijn honden sowieso verboden. Ik negeer de onvriendelijke doodshoofden en stap een breed gravelpad tussen de bomen op. Veel andere wandelaars kom ik nog niet tegen, alleen een aantal hardlopers. Ik had verwacht direct te moeten klimmen, maar dat valt heel erg mee. Zo’n drie kilometer loop ik vlak door het bos, nooit ver van de oever van Lake Te Anau. Niet vogelzang, maar golfslag op de stenige strandjes begeleidt mijn voetstappen. Bij een prachtig gelegen kampeerplaats, Brod Bay, draait het pad naar het zuidwesten (volgens de gids dan, voor mij gaat het gewoon naar links) en al na een paar stappen kan ik de woelige branding niet meer onderscheiden van het gefluister in de bomen.  Het pad blijft makkelijk om te lopen, dit keer hoed ik hoeft niet na te denken waar ik mijn voeten neerzet. Dit is de enige Great Walk die bewust is aangelegd, om de drukke Milford en Routeburn te ontlasten. Als rondwandeling, is de Kepler populair, maar de Milford is nog steeds minstens een half jaar van tevoren volgeboekt.

Naarmate ik hoger kom, verschijnen er af en toe stenen in het pad, maar het zijn er te weinig om indruk te maken. Het klimmen gaat me nog steeds niet makkelijk af, maar ik houd een rustig tempo aan en passeer meerdere keren de snellere wandelaars die herhaaldelijk moeten rusten. Op een bepaalde hoogte verschijnen weer boomvarens, maar ook die laat ik achter, of onder me, als ik verder stijg. Op één punt wijken de bomen en heb ik een geweldig uitzicht over Te Anau, dat groter is dan ik had gedacht, en de achterliggende velden met hun nette bomenrijen en ordelijke vierkantjes gras of hooi. Volgens de gids moet ik nog 150 meter stijgen, voor ik bij de rotsen kom, maar al na een paar ziggen en zaggen verschijnen er enorme kalkrotsen, tot wel 60 meter hoog. De rotsen zijn vreemd rond afgesleten. Ik kan me haast niet voorstellen dat dit ooit zeebodem was. Ik vraag me af of de gletsjers die deze fjorden hebben gevormd, tot hier zijn gekomen en ook deze rotsen hebben geboetseerd nadat de zee zich had teruggetrokken. De rotsen zijn bedekt met geel korstmos en het is prachtig. Het is ook even vlak en dat is voor mijn benen genieten. Toch moet er weer geklommen worden, maar dit keer voorziet het DOC de wandelaar van trappen en plankieren om ons over de ergste stukken heen te leiden. Eenmaal boven de rotsen is het niet heel ver meer naar de boomgrens. Vandaar is het nog 45 minuten naar de hut, maar daar denk ik nog lang niet aan. Ik ben te druk bezig, te kijken en te genieten. De kale toppen van de Jackson Peaks aan mijn linkerhand, de Murchison Mountains aan de andere kant van de Zuidfjord. Ze zijn vreemd vaag, alsof het er regent, maar het is prachtig. Ik zie ook dat de regenwolken die ik vanochtend nog vreesde zijn overgewaaid en hoewel de luchten nog steeds spectaculair zijn, verwacht ik geen stortbuien meer. Heel in de verte zie ik lake Manapouri en het geordende landschap erachter. Veel te netjes naar mijn zin en ik draai me weer om naar de slordige, maar zo heerlijke natuur.  Op deze hoogte en uit de bomen, is de wind veel koeler, maar na het zweten in de ochtenduren verwelkom ik de verfrissende wind. Ik ben omgeven door blond gras en kleine, bruine struiken die verlegen wit bloeien. Op kwetsbare plekken zijn plankieren gemaakt en daar kom ik drie wandelaars tegen die alleen naar de Luxmorehut zijn geweest en nu weer teruggaan. Ze verzekeren me dat het niet ver meer is. Ik klim nog een klein stukje en dan, om een bocht, verschijnt de hut, alweer schitterend gelegen met prachtige vergezichten over de fjord. Vlak voor ik de hut bereik, links van het pad een wand van zand. Het valt me op dat het zand is dooraderd met rode en gele lijnen, die de hele lengte van het zand doorlopen. Ik ben benieuw wat het verhaal daarachter is.  Ik leg de laatste meters naar de hut af en claim een bed. Meteen pak ik mijn zaklampen uit de rugzak. Hier vlakbij, amper tien minuten van de hut, is namelijk de Luxmore grot, die we vrij mogen verkennen. Het veiligheidsadvies volgend neem ik twee zaklampen mee, want als er één stuk gaat, vind ik in het stikdonker mijn weg vast niet meer terug. Ik ga op pad en kom er al snel achter dat deze grot niet te vergelijken is met de gloeiwormgrot in Te Anau, waar een karig verlichte looproute toeristen veilig over de ondergrondse rivier en langs de spectaculaire waterval loodst. Hier daal je een trap af naar een donker gat en dan sta je er alleen voor. Voorzichtig zoek ik mijn weg naar beneden, het daglicht achter me latend. Sommige rotsen zijn glad en ik zoek houvast aan de koude wand, terwijl ik mijn weg uitpuzzel. De stenen sluiten mij in, maar ik volg het water en dring steeds verder door in de grot. Langs de wanden hangen wasachtige stalactieten, met af en toe een bruine vlek waar ze door mensen zijn aangeraakt. De vormen zijn bijna buitenaards van schoonheid. Op één punt is er alleen een lage doorgang, en als ik daar over de vochtige stenen kruip, komen me twee wandelaars tegemoet. Achter hen zie ik daglicht. Ik ben weer op weg naar de uitgang. Hoe kan dat nou? Geen idee, maar ik besluit de twee wandelaars te volgen, dieper de grot in, want ik ben nog lang niet klaar met ontdekken. Een van de wandelaars doet echter een ontdekking over zichzelf, dat hij het helemaal niks vindt om onder de grond te zijn. Hij gaat terug en ik volg de ander, die af en toe een steenmannetje bouwt om zijn route te markeren. Als ik stop om foto’s te maken van de stalactieten, raak ik hem kwijt. De grot is volkomen donker en ik zie zijn licht nergens schijnen, zelfs als ik mijn eigen lampen uitdoe. Ik ga nog een stuk verder, een nauwe doorgang door waar ik bijna op mijn buik moet gaan liggen om erdoor te komen. Dan kom ik bij een splitsing, waar iemand zijn jas heeft opgehangen als herinnering waar hij vandaan is gekomen. Ik kan twee kanten op en besef dat je hier best wel zou kunnen verdwalen. De grot is hooguit 1 km lang en ik heb er misschien honderd meter van gezien, maar ik besluit dat het genoeg is geweest. Ik heb prachtige dingen gezien hier in het donker, zelfs foto’s gemaakt, waarop je nog beter ziet wat er is dan je met je blote ogen kunt in het melkachtige licht van een hoofdlamp. Ik ben geen speleoloog en kan moeilijk inschatten hoe (on)veilig het is. Ik besluit terug te gaan en volg het water stroomopwaarts naar het daglicht. Als ik weer bij de trap sta, ben ik toch blij om weer ruimte om me heen te hebben. Genoeg avontuur voor één dag. Morgen wacht de volgende, spectaculaire etappe boven de boomgrens naar de Irish Burn Hut.

 Dag 2 Luxmore hut – Irish Burn hut: 18,5 km
Het is droog, er staat geen wind en beter dan dit wordt de dag niet. Dat wolken hardnekkig aan de bergtoppen kleven… tja, je kunt niet alles hebben. Ik wacht even of het opklaart, maar als het uitzicht mistig blijft, ga ik rond 09.00 uur toch op weg. Ik kijk neer op de ingang van de Zuidfjord, met zijn kogelronde eilandjes waarvan de rots zo hard was dat de gletsjer zich er stuk op beet. Alleen achteruit kan ik zien, richting Te Anau, maar dieper in de fjord blijft alles verborgen. Al vrij snel na de hut moet ik weer klimmen. Terwijl ik over de flanken van Mount Luxmore loop, ben ik blij dat het niet waait. Ik had hier niet graag gelopen met windvlagen van 60 km/u. Toch is het jammer dat je maar zo’n 100 meter ver kunt zien. Als ik bij het pad naar de top van Mount Luxmore kom, aarzel ik niet. Een grijze piek omhuld door wolken. Er is geen reden om nu omhoog te gaan, behalve om te kunnen zeggen dat je op de 1472 meter hoge top hebt gestaan. En dat is voor mij niet genoeg, ik ga door. Zo nu en dan is er een beekje of een plankier over een stukje kwetsbare grond. Op weg naar Forest Burn Emergency Shelter zakken we even onder het wolkendek en krijgt het grauwe landschap zijn kleur terug. Ik zie het water van de Zuidfjord en links van het pad een bruine diepte met het blauwe lint van een langgerekt meertje. Daarna stijgt het pad weer en verdwijnt de wereld achter een wit gordijn. Toch heeft de mist ook zo zijn schoonheid. Scherpe rotsen steken zwart af tegen de blanke achtergrond. Naarmate ik hoger kom, wordt de begroeiing schaarser, tot het tussock, een soort taai gras, echt moet zoeken naar plekken om te leven. Grote vegen zwarte rots onderbreken het blondlevende tapijt. Een vetplant valt me op, een bol van geelgroene cirkels die in het sombere landschap erg vrolijk aandoet. Zo nu en dan kom ik bij een steenlawine, waar het echt helemaal ophoudt. En dan zie ik op een rots een explosie van bloemen, grote, roomwitte bloempjes met een oranje hart steken boven stevige lakenwitte kransjes uit. Het is een bijzonder gezicht, een zomerboeket in een landschap dat zoveel beter geschikt lijkt voor de winter. De ranger zij het gisteren al: je moet het kleine waarderen, want grote dingen zijn hier niet meer. Nog geen 700 jaar geleden graasde was dit het leefgebied van de moa, met drie meter hoog de grootste vogel ooit.   Tot de komt van de Maori hadden ze alleen de Haast-adelaar te vrezen, met een spanwijdte van 2,6 meter ook al zo’n gigant. De Maori aten het vlees van de moa, gebruikten de botten om vishaken mee te maken en de veren ter decoratie. Niet lang nadat de Maori de moa hadden uitgeroeid, stierf ook de laatste Haast-adelaar.

Als wandelaars worden we hier verwend, want zelf op deze hoogte is het pad makkelijk, met heel af en toe een paar stenen om je alert te houden. De oranje palen wijzen de weg en omdat het uitzicht toch nergens op lijkt, hoef je nergens anders op te letten. Langzaam vallen de bergen weg, tot ik over een smalle bergkam loop terwijl de aarde aan weerszijden haastig op zeeniveau wil komen. Toch ben ik niet nerveus. De mist verbergt de diepte, waardoor het pad zijn angst verliest. Het valt me op hoe volkomen stil het is. Geen vogels, geen vliegtuigen, geen stemmen van andere wandelaars. Alleen mijn eigen voetstappen hoor ik, het schrapen van een van mijn stokken tegen een steen, mijn ademhaling. Bij een splitsing onderaan een bergtopje aarzel ik even. Er staat niets aangegeven en ik vermoed dat het meest belopen pad er omheen leidt naar de andere kant. Maar ik ben gewend de oranje sneeuwpalen te volgen en begin te klimmen. Met elke meter die ik stijg, lijkt het warmer te worden. Op de top houd ik stil en doe mijn rugzak af. Tijd voor lunch. In de verte hoor ik stemmen en ik vermoed dat de Hanging Valley Emergency Shelter niet al te ver meer is. Mijn lunch bestaat uit een muesli- en een fruitreep en twee handjesvol rozijnen. Het liefst had ik natuurlijk gewoon een bruine boterham met kaas gehad, maar dat is helaas niet al te praktisch. Na een tijdje krijg ik het koud van het stilzitten en hijs mijn rugzak weer om. Via een glad modderpaadje bereik ik het hoofdpad weer, waar een aantal wandelaars me verbaasd aankijkt. Ik loop de shelter voorbij, weer over een smalle bergkam. Dan begint het pad te dalen. Eerst geleidelijk, dan zijn er houten trappen die me in rap tempo lager brengen. De treden zijn bespannen met kippengaas, weer een teken van de zorg en aandacht die de DOC aan haar paden besteed. Sommige trappen hebben zelfs een leuning, wat eigenlijk overbodig is. Het valt me op dat ik al een tijdje geen hermelijnvallen meer heb gezien. Maar met zo weinig vogels boven de boomgrens, heeft het roofdier hier niets te zoeken. Bij weer een nutteloos uitzichtpunt gaat het pad in strakke zigzaggen langs de steenhelling naar beneden. Langzaam loop ik de boomgrens binnen, waar de grillige met mos behangen vormen nog spookachtiger zijn in de mist. Zo steil omlaag voert het pad, dat ik ondanks mijn stokken mijn knieën begin te voelen.  In korte tijd daalt het pad zowat een kilometer, terwijl we steeds op hetzelfde stukje bergwand blijven. Toch ben ik blij om weer in het groen te zijn. Ook de roze driehoekjes die de vallen aanduiden verschijnen weer met regelmaat langs het pad. En uiteindelijk wordt ook het zicht beter en kan ik de Jackson Peaks zien, de andere kant van de vallei, waar een smalle waterval zich honderden meters naar beneden stort. Een brug leidt over een kleinere waterval en nog steeds is de bodem van de vallei niet in zicht. Dan wordt het bos lichter en loopt het pad langs de plek waar niet zo heel lang geleden een aardverschuiving is geweest. De rotsen zijn nog wit waar de aarde is weggespoeld. Een litteken van wel een kilometer lang, waar alle bomen zijn verdwenen. Een berk die aan de rand stond, heeft nog maar heel kort geleden alsnog toegegeven aan de zwaartekracht. Het is de enige boom die er ligt, de andere zijn meegevoerd, verder omlaag. Het pad zigt en zagt en voert dan over de kale rotsen. Ik kijk omhoog naar de plek waar het bos het heeft begeven en nu een groen beekje stroomt. Als ik omlaag kijk, zie ik in de diepte nog wat aarde liggen, maar de bomen zijn weg en er groeit nog niets nieuws. Een bocht verder sta ik weer in de aardverschuiving, wat lager nu, en kijk weer omhoog naar de wandelaars die liepen waar ik net stond. Ze lijken zo klein, heel vreemd hoe snel je daalt. Als ik verder ga, vlakt het pad af en kan  ik weer normaal lopen. Ik hoor af en toe water en voor het eerst kom ik langs het pad een bankje tegen met uitzicht op de tegenoverliggende bergen en dieper liggende boomtoppen. Na een half uurtje kom ik dan toch bij de hut. Ik claim een bed en spuit deet op, want de bijtende zandvliegen zijn hier talrijk. En dan ga ik, een stuk lichter, weer op pad. Een zijpaadje van 20 minuten leidt naar de Irish Burn Waterval. Het is een mooi pad door het bos, waarbij je de loop van de Irish Burn stroomopwaarts volgt. Het gekabbel van water maakt langzaam plaats voor het bulderende van een aanstormende trein. Het is de waterval, die vrij kort is, maar door de regen van de afgelopen nacht stroomt als een stuk of twintig brandweerspuiten die een bejaardenhuis moeten blussen. Het gedonder is overweldigend. Er zijn geen Blue Ducks, helaas, maar ik zit even op de rotsen. Zonder rugzak en de inspanning van het klimmen is het algauw best koud. Tijd om terug te gaan naar de warme omhelzing van de hut. Eten, slapen en morgen weer een nieuwe wandeldag. En omdat dit pad iets langer is dan de meeste, is het niet eens de laatste! Nog twee dagen wandelplezier. Heerlijk.

Dag 3 Irish Burn hut – Moturau hut, 17,5 km
Veel wandelaars lopen vandaag naar het einde toe of pakken iets eerder, bij de parkeerplaats Rainbow Reach, een taxi naar Te Anau. Het dorp is echter vrij klein voor een toerist en alles wat je er kunt doen is duur. Daarom heb ik mijn geplande rustdag omgezet in een wandeldag en een extra stop ingelast in de Moturau hut. Terwijl veel mensen al vlak na zonsopgang op pad gaan, blijf ik lekker liggen tot de zon goed en wel over de horizon is. Als ik lekker lui even na negenen dan toch vertrek, zijn de bergtoppen gehuld in wolken. Gelukkig zitten wij er nu onder kunnen alsnog genieten van de prachtige vergezichten die Fjordland te bieden heeft. Het pad begint vanaf de hut al vrij snel te klimmen. Dit zijn echter kleine stukjes vergeleken met wat we al hebben gehad. Het valt me op hoeveel vogels er in dit bos zijn. De hele ochtend word ik begeleid door gezang, alarmroepjes en betekenisloos gepiep en gekwetter. Het is een hele verademing na de doodse stilte van de voorgaande bossen. Vannacht heb ik zelfs de bruine kiwi horen roepen en ook de morepork, een kleine uil, was luidruchtig aanwezig. Nu is het vooral de fantail die zich langs het pad ophoudt, een grappig klein vogeltje ter grootte van een koolmees. Hij heeft een witte staart met zwarte streep in het midden die hij als een waaier kan uitvouwen, wat hem zijn naam heeft gegeven. De  fantails zijn niet verlegen en komen regelmatig op me af om me van dichtbij te bekijken (of me uit hun territorium te verjagen) en vliegen zo nu en dan een stukje mee in het groen langs het pad. Soms veranderen ze halverwege hun vlucht van richting, alsof ze nog moesten bedenken wat de beste plek is om te landen. Helaas zijn ze net te verlegen om zich te laten fotograferen. Er zijn ook andere geluiden, vogels die ik nog niet ken. Misschien de tomtit of de rifleman?

Regelmatig steek ik een beekje over, altijd voorzien van een stevige brug voorzien van een bordje hoeveel personen hij kan dragen. Ergens was een ambtenaar supervoorzichtig, want je maakt mij niet wijs dat zo’n stoere houten brug instort als er meer dan één persoon tegelijk gebruik van maakt. Als ik hoger klim, verandert het bos van karakter. De varens die de bodem groen kleurden maken plaats voor mos, maar nog steeds is het ontzettend groen, zoveel tinten, zoveel vormen. Bos verveelt me nooit. Tot nu toe was het bos verrassend schoon, aangezien het DOC een strikt beleid heeft dat alles wat je meeneemt, je ook weer mee terugneemt naar de bewoonde wereld. De hutten hebben geen afvalbakken en voorraden worden per helikopter aan- en afgevoerd. Vandaag kom ik kort na elkaar twee keer iets storends tegen. Eerst de wikkel van een muesli-reep, die ik bij me steek om in Te Anau weg te gooien. Daarna een rode tube met een of ander Duits medicijn, die een wandelaar voor mij vast is verloren. Misschien dat ik hem of haar onderweg nog tegenkom, of anders vanavond in de hut. Ook de tube krijgt een plekje in mijn rugzak. Na een tijdje daalt het pad en verruil ik de bomen voor een stuk open grasland, bezaaid met rotsen, tussock en lage struiken. Op de tegenoverliggende berg zie ik wat de Nieuw Zeelanders met een bijna Brits gevoel voor understatement ‘The Big Slip’ noemen. De littekens van een aardverschuiving in januari 1984, toen na ongemeen hevige regenval een deel van de bergwand het begaf. De wig is nog duidelijk zichtbaar in het landschap. Heel hoog de kale rotsen, waar alle aarde is weggespoeld. Iets lager de kleine boompjes, die proberen te overleven op het beetje grond dat hun nog rest. Ik ben diep onder de indruk. Het is bijna dertig jaar geleden en nog steeds kun je het pad van de aardverschuiving precies uittekenen. Op de bodem van de vallei zijn de gevolgen moeilijker terug te vinden. Er liggen enorme rotsen, ja, maar liggen die er niet altijd? Bovendien zijn ze bedekt door een tapijt van fijn, wit mos, dat in zichzelf ook weer indrukwekkend is. Nadat ik de vlakte ben overgestoken, duik ik weer een bomentunnel in. Langzaam verdwijnen de wolken en wordt het een prachtige dag. Ik ben blij voor de mensen die vandaag over de bergkam lopen en kunnen genieten van de uitzichten die ik me alleen kan voorstellen. En ja, ik benijd ze ook een beetje. Het pad gaat kalmpjes verder, het gerommel van de Irish Burn constant op de achtergrond. Soms is er een klein zijpaadje naar het water en steeds weer kijk ik een of ik misschien die zeldzame whio, de blue duck, zie die zich bij stroomversnellingen heet op te houden. Helaas steeds zonder succes. Wel verbaas ik me over het contrast tussen de brede rivier die weliswaar met kracht stroomt, maar waarvan je niet verwacht dat hij hele bomen meevoert, zoals die op de rotsen liggen, vele meters boven het huidige waterpeil. Aan het korstmos op een van de rotsen kan ik zien dat het water in de lente zeker twee meter hoger staat dan nu. Als ik me dan de Irish Burn waterval herinner, die nu al zo enorm krachtig stroomde, kan ik me inderdaad de macht van het water voorstellen die bomen ontwortelt en meevoert.

Na een uurtje of twee bereik ik Rocky Point, waar ik eerst een werkkamp van het DOC tegenkom en daarna een Emergency Shelter. Dit is echter meer een overdekte picknickplek dan de schuilhutten met lawineprikkers, schoppen en pikhouwelen die ik op de bergkam tegenkwam. De shelter staat echter in de schaduw en ik kies een paadje dat me naar de rivier voert. Op een rots zitten twee andere wandelaars en als ik vraag of de tube met medicijn van hen is, zijn ze blij om hem terug te krijgen. Op een zandbank vol reeënsporen zet ik mijn rugzak neer en geniet even van de warme zon.   Ik heb geen zin om verder te gaan, maar uiteindelijk worden de zandvliegen me toch te gortig. Deet weerhoudt ze ervan om te bijten, maar nog steeds zwermen ze onprettig dicht om me heen. Terug het bos in dan. De rivier laat constant andere gezichten zien. Nu eens kalm en breed, met sierlijke rietpluimen langs de oever, dan weer smal en stoer en vol dood hout. Het pad volgt de Irish Burn tot deze uitkomt in lake Manapouri, een prachtig meer omringd door indrukwekkende bergtoppen. De oorspronkelijke naam voor het meer was Moturau, wat ‘vele eilanden’ betekent. Een vroege kaart van de regio duidde het meer echter ten onrechte aan als lake Manapouri, een verbastering van de Maori-naam voor een ander meer, Manawapora, wat ‘treurend hart’ betekent. De route volgt de omtrek van het meer tot we bij de hut komen. Opnieuw prachtig gelegen, aan een zandstrandje en met een paradijselijk uitzicht op een eindeloze variatie aan bergen. En zandvliegen natuurlijk, maar dat hoort bij Nieuw Zeeland.

Dag 4 Moturau hut – Te Anau , 22 km
Dit keer ben ik een van de wandelaars die besluit de dag vroeg te beginnen en nog voor zonsopgang op te staan. Ik ontbijt terwijl het buiten langzaam lichter wordt en de belofte van de zonsopgang lokt me toch weer naar het van zandvliegen vergeven strand. De zon die over de bergen piekt, kleurt eerst de wolken en daarna de toppen indrukwekkend rood. Het is een schitterend begin van de dag en met tegenzin verlaat ik deze idyllische plek. De route voert me wederom het bos in, waar het pad om Shallow Bay heen draait. Na een half uurtje leidt een plankier naar een uitzichtpunt over Sphagnum Moss Bog. In het centrum van het moerasgebiedje ligt een klein meer, dat ontstond toen de smeltende gletsjers de meegevoerde rotsen achterlieten, die een dam vormden. Een achtergebleven stuk ijs smolt eveneens en zo ontstond het meer. Heel indrukwekkend is het meer echter niet en algauw keer ik weer terug naar het pad. De route is grotendeels vlak, met af en toe een klimmetje om het af te leren. Dan bereik ik de oever van de Waiau rivier, die uitkomt in lake Manapouri. Ik volg de rivier stroomopwaarts, genietend van de vergezichten die me gegund zijn als de bomen even wijken. Op een eilandje in het midden liggen weer dode bomen en ik vraag me af hoeveel krachtiger deze rivier in de lente zal zijn. Waar hij breed is, stroomt de rivier ongehinderd en geluidloos voort. Pas bij de smallere stukken, beknot door rotsen op de bodem, wordt het water in een stroomversnelling gedwongen en is de kracht ervan hoorbaar.

Een enorme hangbrug leidt naar Rainbow Reach, de parkeerplaats vanwaar de taxibusjes naar Te Anau rijden. Een aantal wandelaars staat aan de overzijde van de rivier al te wachten. Ik loop door, want hoewel deze dag weer vooral uit bos bestaat, wil ik er geen meter van missen. Zo her en der verschijnen paddestoelen en onder mijn voeten liggen gele blaadjes, een teken van de naderende herfst. Toch is de wind warm en is het heerlijk lopen. Wel begin ik langzamerhand mijn rechterheup te voelen, ondanks de stokken. En ik heb nog drie tochten te gaan, de volgende morgen al. Gelukkig hoef ik dan niet ver. Zo nu en dan kun je zien waar het pad is verlegd, de in onbruik geraakte paden afgezet met takken, stenen of planken. En het nieuwe pad gaat meestal omhoog, waar het oude daalde. Soms is een aardverschuiving de reden, want zo  vlak langs de rivier wil de grond het makkelijk begeven. Op een stuk met een lagere begroeiing hoor ik een motor. Twee DOC-medewerkers zijn bezig een wagentje met rupsbanden vol te gooien met grind, om zo het pad te verbeteren. Persoonlijk geef ik de voorkeur aan stevige bosgrond, al dan niet met wortels, maar ik bedank ze voor hun werk. Zo rond 11.00 uur vind ik het genoeg geweest. Als een paadje afbuigt naar de oever en tussen de struiken een prachtig zitplekje is met uitzicht op de rivier, doe ik mijn rugzak af en geniet even in de zon. Niet al te ver hoor ik een autodeur slaan en een motor starten. Het zou van de overkant kunnen komen, waar een weg loopt. Maar ik vermoed dat ik niet al te ver van de Control Gates en de grote parkeerplaats ben. Na een paar bochten kan ik de dam zien en weet dat het einde eraan zit te komen. Ik verruil de stromende rivier voor de golfslag van lake Te Anau. Om het meer heen,  langs het Wildlife Park en naar het Fiordland Visitor Centre om de tickets voor de Milford Track op te halen. Dit pad zit erop, het volgende avontuur wacht alweer.