Jokulsarhlaup

Jokulsarhlaup

Dag 1 Asbyrgi – Versturdalur 16 km + Raudholar 5 km
Vanaf het informatiecentrum loop ik over de netjes geschoren golfbaan de kloof Austurbyrgi in, de linkerpoot van het hoefijzer dat samen met rechts (Vesturbyrgi) de kloof Asbyrgi vormt. Eyjan doemt groot en grijs op in het midden, een enorme rotsmuur die het gletsjerwater heeft overleeft en nu als een eiland in de kloof staat. De wolken hangen laag en in de verte baant een bui zich als een mistig gordijn een weg door Asbyrgi. Sneller dan verwacht kom ik bij de trappen en touwen die omhoog naar de Tofuklif leiden. Ik had ook een ander, makkelijker pad kunnen kiezen, maar touwen en trappen zijn toch net even wat leuker en spannender dan een langzaam stijgend graspad. Bovendien houd ik mijn schoenen zo iets langer droog en dat is me ook wat waard. Het touw zit aanvankelijk een beetje in de weg, maar komt toch van pas als ik me tussen de twee trappen in omhoog moet hijsen. Eenmaal boven is het pad door de lage heide breed en makkelijk. Ik volg het langs de rand van de kloof en kom zowaar twee keer een afrastering tegen, die ik met een stevige trap bedwing. Zo kom ik tenslotte bij het uitzichtpunt bij Klappir waar heel Asbyrgi zich voor me uitstrekt. In de diepte zie ik auto’s op de parkeerplaats en mensen op de vlonder bij het meertje Botnstjorn. Vanaf hier is het via de officiële route nog acht kilometer naar Versturdalur, maar dat kan beter. Ik maak de wandeling iets langer door er een ander pad richting Jokulsargljufur tussen te knopen. De 25 kilometer lange, 500 meter brede en 100 tot 120 meter diepe kloof is juist de reden dat ik de Jokulsarhlaup graag wilde lopen. Enthousiast steek ik het plateau over naar de kloof waarin de Jokulsa a Fjollum stroomt. Nu verlaat ik het landschap dat ik gisteren al grotendeels heb verkend. Alles is nieuw en ik heb er zin in. Het pad kronkelt weg van Klappir en slingert door de bloeiende heide. Boompjes vleien zich tegen de grond en af en toe vliegt er een snip voor mijn voeten weg en maakt zich direct onzichtbaar onder de begroeiing. Jonge koperwieken blijven juist op het pad en hippen voor me uit. Ze kunnen nog niet goed vliegen en hebben pas na een tijdje door dat ze het pad beter kunnen verlaten als ze me willen ontvluchten. Het lijkt wel alsof elke struik en elke grasspriet vol waterdruppels zit. Hoewel het droog is en het pad zelf breed genoeg en amper modderig, zijn mijn schoenen binnen de kortste keren doorweekt. Halverwege het plateau kom ik bij een mooi lavaveld, waar de wind grillige vormen heeft uitgesleten. In de overgebleven bouwsels kan ik laagjes onderscheiden en ik vraag me af of dit een of meerdere uitbarstingen waren en hoe oud. Daarna kronkelt de route terug richting Asbyrgi en mijn richtingsgevoel slaat alarm. Volgens de kaart gaat de route vrij recht op Jokulsargljufur af, maar de praktijk is anders. Ook het ruiterpad dat ik zou moeten kruisen, kom ik niet tegen. Ik vertrouw erop dat het wel goed komt, want in nationale parken was de marketing tot nu toe steeds bovengemiddeld. Toch ben ik blij wanneer ik de kloof eindelijk in zicht krijg en de splitsing bereik waar ik weer de goede kant op mag. Maar eerst stilstaan en genieten. Vanaf een groep rotsen heb ik een fraai uitzicht op de rivier. Het water is grijs, vol mineralen en gruis van de gletsjer Vatnajokull. Met 206 kilometer van de gletsjer naar Oxfjordur bay is Jokulsa a Fjollum de op een na langste rivier van IJsland. Het water kolkt en danst en ik zie indrukwekkende schuimkoppen. Hoe mooi moet dan wel Dettifoss niet zijn, de krachtigste waterval van Europa? Onbegrijpelijk dat de routebeschrijving daar begint en verwacht dat je het pad in omgekeerde richting loopt. Ik wil juist eindigen met die bijzondere climax.

Ik sla het pad richting Vesturdalur in en dit keer blijft het pad lekker dichtbij de rand van de kloof. Ik heb prima zicht op de rotsen en een hoge waterval aan de overkant. De officiële route komt er weer bij en niet lang daarna draait het pad weg van de kloof om een heuvel heen, waar ik een hek en wat schapen tegenkom. De ondergrond is een dikke laag zwarte as en dat loopt even zwaar als zand. Dan daal ik af en zie ik in de diepte een wanordelijke verzameling rotsen. Als ik dichterbij kom, zijn daar de meest fantastische basaltformaties. De zes- en achtkantige vormen waaieren uit in talloze variaties. Ook zijn er honingraatachtige blokken, glad en glanzend. Het is zo verleidelijk om stil te staan en foto’s te blijven nemen, maar mijn voeten zijn aardig nat en ik loop door naar de camping. Daar zet ik mijn tent op, trek droge sokken aan en na een warme maaltijd ga ik weer op pad voor een avondwandeling. Ik wil de prachtige basaltformaties rustig van dichtbij bekijken en zo zonder backpack gaat dat een stuk makkelijker. Ik loop en klim en kijk mijn ogen uit. Wat een uitbarsting moet dit zijn geweest, de basaltformaties zijn tientallen meters hoog. Een bordje wijst naar een zijpaden en als een rots zijn eigen naambord heeft, zal dat vast een bijzondere rotsformatie zijn. De Kirkjan oogt als een kapel, de lava rijst sierlijk omhoog en vormt een holle ruimte. Erg bijzonder. Ik waag me niet diep in de grot, want de rotsen zijn brozer dan ze lijken en een hele stapel basaltblokken siert de bodem van de kapel. Ook in het plafond zitten er een paar waarvan ik wil wedden dat ze niet al te vast meer zitten. Een ander zijpad en er is een muur die wel wat weg heeft van een middeleeuwse vesting. Apart is dat sommige stukken glad zijn als beton, met gaten waar de hoekige basalt doorheen piept. Uiteindelijk laat ik de basaltformaties achter me en beklim een bijzondere, rode berg. Een prachtig contrast met de diepblauwe lucht en het groen aan de overkant van de kloof. Het is Raudholar, maar de top is afgesloten om erosie te voorkomen. Erg jammer, ik zag een rotsboog die ik graag van dichtbij had gezien. Over de hoofdroute keer ik terug, alleen nog een zijpaadje inschietend dat naar een lavagrot leidt. Als ik daar eens kon overnachten, was het eindelijk weer donker. Maar ik weet niet hoe stabiel de grot is en keer voldaan terug naar mijn tentje.

Dag 2 Verstudalur – Dentifoss 20 km
De laatste wandeldag van mijn vakantie in IJsland begint droog en zonnig. Ik ga snel op weg en vanaf de parkeerplaats bij Vesturdalur gaat een breed en makkelijk pad richting Dettifoss. De Jokulsarglufur is hier breed en hoewel ik aan de overkant nog steeds de hoekige vormen van basaltblokken zie, zijn de formaties niet zo spectaculair als gisteren. Een eindje verder zie ik twee zuilen die bekend staan als Karl en Kerling, wat kerel en oude vrouw betekent. Het pad slingert verder en in de verte zie ik waterdamp die alleen maar kan worden opgeworpen door een krachtige waterval. Bij een bordje ‘Katla’ kan ik de verleiding niet weerstaan en duik een zijpad in, waarvan ik hoop dat het weer op de hoofdroute uitkomt. Ik daal af naar een eiland midden in de Jokulsa a Follum en heb een prachtig uitzicht op de rivier. Het pad gaat verder naar een nauwe kloof, maar omdat de rivier de rotsoever heeft ondergraven is het laatste stuk naar het beste uitzichtpunt afgesloten. Da’s nou jammer. Ik keer terug naar de hoofdroute en een paar heuvels verder zie ik dan alsnog de waterval, een scheve V-vorm waarover het water zich met een indrukwekkend geraas naar beneden stort. Na een tijdje daal ik af naar de Stalla, een forse rivier die door een smal bed tuimelt en zich bij de Jokulsa a Follum voegt. Witte schuimkoppen op het water beloven niet veel goeds voor de oversteek. Ik volg de markering stroomopwaarts naar een voorde, waar de rivier gelukkig breder is en zonder rimpeling kalmpjes voortglijdt. Dat betekent dat het diep is, diep genoeg om voor de laatste keer mijn schoenen te verruilen voor de sandalen. Inmiddels mag ik mezelf wel een veteraan noemen als het op doorwaden van rivieren aankomt en ik bekijk mijn tegenstander met de recent opgedane expertise. Mijn broekspijpen oprollen tot boven de knie moet voldoende zijn. Ik stap het water in en zorg met mijn trekking poles voor stabiliteit. Het rivierbed bestaat uit kleine stenen en zonder problemen wandel ik  naar de overkant. Het water is niet eens al te koud en opgefrist ga ik verder. Het is zonnig en windstil en dus zijn er vliegjes. Niet zo heel veel, gelukkig en ik kan het goed verdragen. Wanneer ik een foto maak, ben ik zelfs zo geconcentreerd dat ik er totaal geen erg meer in heb. En er valt hier genoeg te genieten. Eerst verschijnt er een rotswand waar de basalt zich heeft verzameld in rechte, ordelijke zuilen. Dan kom ik bij een krachtige waterval waar de rivier zich witschuimend over de rotsen stort. Holmarfossar bestaat in feite uit vier of vijf watervallen naast elkaar, waar de rivier zich splitst en op meerdere plekken door de vegetatie wringt. Het is prachtig, een onverwacht cadeautje dat mijn dag nog mooier maakt. Langs het water is een pad omhoog door een open en modderig berkenbos vol wilde bloemen. Ik klim naar een brug over de rivier en hier wordt het pad weer breed en makkelijk. Er is vast een parkeerplaats in de buurt, want de toeristen worden hier vertroeteld. En inderdaad, niet veel later kom ik bij een kleine parkeerplaats waar alleen een jeep van een parkwachter staat. Op een stuk gras in de zon houd ik kort lunchpauze en ik maak dankbaar gebruik van de latrine. Ook wis ik wat foto’s, want na meer dan drie weken ben ik aan mijn derde en laatste geheugenkaart bezig. Wanneer het afkoelt ga ik verder en door de heuvel die ik mag beklimmen heb ik het al snel weer warm. De kloof wordt nauwer, met indrukwekkende rotswanden aan beide zijden. In een bocht komt net de zon door en licht het water op tot een zilveren lint. Voor het eerst kom ik andere wandelaars tegen, dagjesmensen die ongetwijfeld in Vesturdalur worden opgepikt door een bus. Dettifoss komt dichterbij. Het pad wordt lastiger en steniger, maar nooit heel zwaar. Bij een splitsing had ik me voorgenomen de uitdagende route te nemen. Een bordje waarschuwt echter dat de route steil en moeilijk is, vooral met een zware rugzak. ‘Overweeg de alternatieve route te nemen’. Als dochter van een ambtenaar herken ik dat als een beleefd geformuleerd ‘doe het niet’. En bij hoge uitzondering gun ik mezelf de makkelijkste route. Dat betekent wel dat ik een zijkloof, de Storulakir, diep landinwaarts moet volgen en bovendien het uitzicht op de Hafragilsfoss mis. Het zij zo. Ik loop langs de diepe kloof, bijna tot aan de weg naar Asbyrgi, voor ik er omheen kan. Was het landschap tot nu toe groen met heide, boompjes en gras, nu wordt het kaal en rotsachtig. Eenmaal voorbij de kloof loop ik over een lavaveld waar de rotsen uitwaaieren als gemorst water. De markeringen leiden naar een camping, die in feite een aangewezen plek voor wildkamperen is. Behalve drie jerrycans water is er geen enkele voorziening. Op andere momenten ben ik daar wel voor te porren, maar voor vanavond hoop ik op een warme douche. Nu het einde nadert begin ik ongeduldig te worden. Op diverse uitzichtpunten zie ik auto’s staan en ik wil Dettifoss zien. Maar eerst loop ik nog langs de kloof Sanddalur waar ik voor het eerst drie bruine roofvogels zie, misschien torenvalken. Aan het eind verdwijnen de markeringen in de diepte en moet ik even zoeken naar het pad omlaag. Dat is er niet, tenminste, de rotsen die samen vaag iets van een trap vormen verdienen de naam ‘pad’ op geen enkele manier. Over de rotsen klauter ik vrijwel recht omlaag omlaag. Het is een behoorlijke uitdaging, maar zolang ik kalm blijf, is het goed te doen. Op de bodem van de kloof komt het moeilijke pad er van links weer bij en als ik het zo inschat heb ik er goed aan gedaan het over te slaan. Ik steek de kloof over en klim aan de andere kant weer omhoog. Daar begin ik de enorme waterdamp te zien die Dettifoss opwerpt. Nog een laatste lavaveld en ik stap het houten

platform op dat over de waterval uitkijkt. De wind staat precies de verkeerde kant op en alleen door de lens van mijn camera schoon te vegen en snel een foto te maken, lukt het me Detifoss vast te leggen. Gelukkig zijn er meer uitzichtpunten en sommige bevinden zich iets voorbij de waterval, waardoor de damp de andere kant op wordt geblazen. Het gedonder is overweldigend. Na de waterval met gepast respect te hebben bekeken loop ik door naar Selfoss, iets stroomopwaarts. Waar Detifoss een klassieke waterval is, waar het water als een geheel over de rand dondert, lijkt Selfoss meer op een sluizencomplex waarvan een rij spuigaten openstaat. Niet half zo boeiend als Detifoss. Het begint te regenen en ik loop naar de parkeerplaats waar ik een lift terug naar de bewoonde wereld hoop te regelen. Dan komt de zon door en als ik me omdraai strekt een felle regenboog zich boven Jokulsargljufur uit. Mijn eerste regenboog in IJsland. Wat een geweldig afscheid van dit geweldige en indrukwekkende land.