Italië

Klimmen in Arenzano (2011)

Wat is het verschil tussen een steile helling en een afgrond? Ik heb geen last van hoogtevrees en klim met gemak over steenlawines. En toch…  Bij de IML in Arenzano is het onderscheid niet altijd even duidelijk. Eén ding weet ik wel: struikelen is niet verstandig.

0 m.
Ochtend aan de Ligurische zee. Paarsblauwe bergen verschijnen aan de horizon, de zon schijnt op het water. Op het pleintje aan de boulavard van Arenzano hebben zich al rijen gevormd aan de starttafels, de wandelaars gretig om te gaan lopen. Er zijn Poolse en Duitse militairen, Nederlandse mariniers en individuele wandelaars uit Taiwan, Litouwen, België en Italië. Als een van de vele Hollanders laat ik mijn startkaart scannen en ga op pad. We draaien direct weg van de zee en lopen door nauwe steegjes omhoog, terwijl andere wandelaars zich nog omlaag haasten naar de start. In de winkelstraatjes komt het leven langzaam op gang. Rolluiken gaan omhoog, een visboer spreidt glibberige inktvissen uit op een koeltafel. Voor me uit zie ik de blonde staart van Ilona, die er goed de pas in heeft. Zo nu en dan staat er een verkeersregelaar, zwaaiend met een rode vlag naar de nog lege straten. Het stijgen valt mee, geleidelijk gaan we omhoog. Dan, als imponerend decor achter een met feestelijke vlaggen versierde kerk, doemt voor het eerst Monte Argentea op. Oeps!

Van tevoren heb ik me er geen voorstelling van kunnen maken, één kilometer hoogteverschil. Dat leek me niet zoveel.  Nu zie ik de berg, de top ver boven ons en besef dat ons een behoorlijke klim te wachten staat. We lopen over stoepen en achterafpaadjes, langzaam omhoog en de stad uit. Dan verlaten we het asfalt voor een bospad. Heerlijk, hier voel ik me thuis. Het is een smal pad en ik prijs me gelukkig dat Arenzano niet zo druk is dat de organisatie kiest voor de veiligheid van bredere paden of asfalt. Al gauw besef ik echter dat er weinig te kiezen valt. Waar wij heen gaan,  ís er geen asfalt meer. Zo nu en dan hebben we uitzicht op de bergen. De hellingen zijn groen, maar dichter bij de top is alleen zandbruin te bespeuren.  Het is aangenaam warm, maar niet benauwd en in de schaduw van de dennebomen is het lekker wandelen. In de diepte hoor ik water vallen. Een klein stroompje dwarrelt over de rotsen, die indrukwekkender zijn dan het water. Een kunstwerk van gladgeslepen grijs.  De bedding doet een veel grotere stroom vermoeden dan het beekje dat nu omlaag huppelt en ook later zien we langs de bergwanden  plekken waar ik in nattere tijden water vermoed. Langs het pad stijgt een typische kruidengeur op. Tijm?

352 m.
Na zes kilometer komen we bij de eerste wagenrust. We worden verwend, broodjes met marmelade en chocolade. Bronwater met en zonder koolzuur, een soort Fanta. Wat ik me vooral afvraag, is hoe ze dat in ’s hemelsnaam hierboven hebben gekregen. Er staan twee jeeps, maar ik zie nauwelijks iets wat je een weg kunt noemen. Zelfs geen karrenspoor.  Na een korte pauze slingeren we verder langs de bergwand, met spectaculaire vergezichten zowel vooruit als terug naar zee. We steken verschil-lende steenlawines over, springend van rots naar rots. Op één helling zijn op verschillende hoogtes stenen muurtjes aangelegd, om de stenenen toch een beetje op hun plaats te houden. Langs één van de muurtjes loopt een pad en wat lijken de wandelaars klein en nietig tegen die enorme bergwand. Na de rust verandert het bos, wordt meer loofbos waar vocht zo langs de rotsen druppelt en het pad modderig maakt.

903 m.
Bij een berghut is er lauwe thee. Er hangt ook een tuinslang, maar daar komt zo’n ielig stroompje uit, dat je fles zich slechts langzaam vult en er al gauw een flinke rij staat. Vanuit het dal komen traag wolken opzetten die de toppen van de bergen omringen. Ook mooi. We zetten door en klimmen. Van tevoren dacht ik dat het overdreven was, je mag hier tot 17.00 uur binnen komen. Voor een 23 km? Bij een start om 07.30? Nu begin ik toch wel te beseffen dat die tijd niet helemaal onrealistisch is. Het is lang geleden dat ik in de bergen ben geweest en ik heb een totaal nieuw referentiekader nodig voor de wandelingen hier. Zo nu en dan word ik ingehaald door ultra-lopers, die het parcours rennend afleggen. Vol bewondering kijk ik naar hoe ze zich over de stenen haasten. Zelf kies ik liever voor de zekerheid van vaste grond of in ieder geval een vastliggende rots onder mijn voeten voor ik mijn gewicht op een been zet. Ook honden zijn er volop, net als mensen met Nordic Walkingstokken. Op de kleine paadjes is dat onhandig, want het maakt inhalen lastig. Toch is het niet zo druk dat we in een file lopen.

1.068 m.
We komen boven de boomgrens en wanneer ik even van het pad afwijk om langs een rots het dal in te kijken, zie ik tot mijn verrassing onder het lange gras heideplanten. De enkele bloemen die het zonlicht nog kunnen bereiken, bloeien paars.  Een wegwijzer vol onbekende namen maakt nieuws-gierig naar wat hier allemaal nog meer te wandelen valt. Het uitzicht is nu bijna nul. Wattige wolken glijden langs de berghut waar we de grote rust hebben. Na de klim naar de top kan ik mijn T-shirts uitwringen en ik ben niet de enige. De een hangt zijn shirt op zijn Nordic Walkingstokken in de wind te drogen, de ander loopt rond in blote bast of trekt een schoon shirt aan.  We genieten van de omgeving, maar ik heb geen rust in mijn gat en blijf niet lang zitten. Zo nu en dan lijkt het alsof er een sluier wordt opgetrokken en kan ik in de verte de wandelaars zien verdwijnen.  Ik ga ze achterna. Langs het pad staan indrukwekkende dode bomen, hun takken allemaal één richting op wijzend. Even denk ik dat het door de wind komt, die misschien jarenlang uit dezelfde richting is gekomen, maar dan zie ik dat de takken die over het pad hebben gehangen, zijn weggesnoeid. Het blijft echter een spookachtig gezicht.

735 m.
Hier moet wel iets bijzonders aan de hand zijn. De stoet wandelaars formeert zich in één lange rij, geduldig wachtend onder de slingers met vlaggetjes voor de post in de verte. Aha, hier is pasta te krijgen! Ik heb geen zin om lang in de rij te staan en loop over het gras schuin naar beneden, op zoek naar een plekje schaduw. De groene en rode afstanden (kort en lang) komen hier bij elkaar en het gras ligt vol gezellig keuvelende mensen. Kinderen rennen heen en weer, er wordt volop gegeten en gedronken. Ik lig even lekker in de schaduw, tijd zat. Er zijn zelfs Dixies! Wat een verwennerij. Op de een of andere manier verwacht je in het buitenland toch iets primitievere omstandigheden, maar deze tocht is werkelijk uitstekend georganiseerd. Perfect bepijld, goede verzorging en nu ook nog Dixies, het kan niet op.

502 m.
Via een brede weg verlaten we natuurpark Beigua. Het grindpad komt uit op een asfaltweg, die is afgezet met een muur van gestapelde stenen. Zo nu en dan hoor ik wat ritselen in de afgevallen bladeren. Dan kijk ik eens goed: een hagedis. Het slanke, bruine diertje blijft niet stilzitten, maar rent constant verder.  Na nog een steil bospaadje naar beneden en enkel e Mariabeelden in een rotswand komen we weer terug in de stad. Gelukkig is het nog niet voorbij, morgen mogen we nog een keertje.

Dag 2

0 m.
Langs dezelfde weg die we gisteren zijn afgedaald, gaan we vandaag omhoog, terwijl de zon schitterende vlekken op de zee werpt. We komen weer langs de Saraceense toren, die nu dient als onderkomen voor enkele schattige ezeltjes. Het steile bospad is omhoog heel wat pittiger dan omlaag en bij de picknickplaats die het laatste stukje asfalt inluidt, moet ik even uithijgen. Gelukkig ben ik niet de enige.

415 m.
Vanaf het ornithologisch centrum is de route anders. We lopen nu in het midden, ergens tussen de routes van gistermorgen en gistermiddag. Aanvankelijk lijkt het met het klimmen wel mee te vallen. Wel vraag ik me af wat nu precies het verschil is tussen een steile helling en een afgrond. Volgens mij is het dit: het ene woord is eng en het andere niet. Het pad golft op en neer en langzaam stijgen we naar 735 meter, de pastapost van gisteren. Dit keer staat de rust iets verderop, aan het begin van de rode lus.

735 m.
En daar staan we dan, onderaan een helling. Ik schat zo’n 500 meter omhoog in amper 2 km. De wandelaars die al moed hebben verzameld, zijn nauwelijks meer dan kleine vlekjes tussen de rotsen. De vroege ultra-lopers komen al terug wanneer ik de eerste stappen zet op de lus. Meteen voel ik dat dit nog wel even gaat duren. In de verte horen we zware bellen, in de diepte zien we koeien grazen en even waan ik me in Zwitserland. Regelmatig moet ik even pauzeren om mijn bonkend hart op adem te laten komen. Nog steeds komen zo nu en dan mensen rennend naar boven. Ik snap niet hoe ze het kunnen. Ik plus uit dat ik een tempo van zo’n 2,5 km per uur heb en dat vind ik mooi zat.

1.183 m.

Eindelijk dan bereik ik de top van Monte Reixa. Op de top staat een verzameling rotsen met een Mariabeeld en een kruis erop. Veel wandelaars fotograferen zichzelf of rusten even uit. In de verte kunnen we het vliegveld van Genua zien liggen, één enkele landingsbaan in de zee. Het is lekker koel en de rust is nog maar een klein stukje lager . Na de rust lopen we verder langs de bergwand, dit keer onder de koeien langs die we net hebben gehoord.

735 m.
Een uurtje later ben ik weer terug bij de pasta-post. Tot mijn grote verbazing zijn er nog mensen die omhoog gaan, de rode lus in. Het is 12.30. Dat wordt krap als ze om 17.00 uur terug willen zijn. Hoe lang heb ik over die lus van 6 km  gedaan? Twee uur? Vanaf hier is het terrein minder zwaar, maar toch gaat het nog net zo langzaam. We moeten goed uitkijken waar we onze voeten neerzetten, terwijl we richting Arenzano afdalen. De heuvels worden langzaam bruin, de heide is al een uitgebloeid. Een grijs hutje staat langs het pad, een klein schuilhutje van gestapelde stenen met alleen een bankje, een vuurkorf en een klein raampje. In het dal zien we een ander hutje, waarvan alleen de muren nog overeind staan.

0 m.
Dan zijn we beneden en lopen langs de drukke autoweg. Via een voetgangerstunnel duiken we onder de snelweg door en dan is daar de boulevard en het strand. Geen zand in Arenzano, maar grijze kiezels die er scherp en oncomfotabel uitzien. Alleen bij de waterlijn is er zand. Zonde dat ik mijn zwempak niet heb meegenomen, ik heb wel zin in een frisse duik. En dan zijn er de laatste meters, de finish. Het is bijna jammer dat het voorbij is. Wat een prachtige tocht.