Hellismannaleid

Hellismannaleið
Dag 1 Rjúpnavellir – Valahnúkar 21 km

De plek waar de bus mij en een groep van zeven Nederlanders afzet is idyllisch. Een handjevol houten huisjes, een kabbelende rivier en op de achtergrond een geweldig decor van met felgroen mos beklede heuvels. Maar zodra we door het bosje dwergberken beginnen te lopen worden we belaagd door honderden vliegjes. Ze bijten niet, maar kruipen in je oren, je neus en als je toevallig je mond open doet op het verkeerde moment kruipen ze ook daarin. Het is hels en totaal onverwacht. IJsland is koud, dus hoezo insectenplaag? Maar de temperatuur valt best mee en het is windstil. Is dat even pech. Mijn hoofdnet is een van de weinige dingen die ik niet heb meegenomen. Ondanks de vliegen probeer ik te genieten. De rivier, de Ytri-Rangá, is prachtig en een goudplevier poseert zowaar voor een foto. Toch ben ik blij wanneer we de rivier oversteken en de bruine bergen aan de overkant van het water beklimmen. Het is geen aarde waar we op lopen, maar grof grind. Heerlijk zacht aan je voeten en ik ben blij met mijn trekking poles. Na een uurtje besluit de groep een korte rust te houden en ga ik alleen verder. Er volgt een steile afdaling naar een snelstromende beek. Het is alsof je in de duinen loopt en ik zet mijn hakken in het eigenaardige zand om beneden te komen. Daar zoek ik een plek die ondiep genoeg is om zonder mijn schoenen uit te trekken over te steken. Wanneer ik de gok waag, blijkt mijn inschatting niet helemaal juist, maar de gamaschen houden de ergste nattigheid tegen. Mijn sokken zijn vochtig, gelukkig niet zo erg dat ik er last van heb. Rechts zie ik een grote berg met sneeuwvelden. Dat moet de Hekla zijn, een vulkaan die zich in de loop van duizenden jaren en uitbarstingen heeft gevormd. Volgens mijn gids is Hekla geologisch gezien uniek, omdat het een aseismische vulkaan is. Dit betekent dat een uitbarsting niet vooraf wordt gegaan door een aardbeving. Zoals de schrijver, een vulcanoloog, het verwoordt: ‘Aseismische erupties zijn niet eerlijk. Dat is net alsof een witte haai aanvalt zonder het fatsoen om van tevoren tenminste een minuut lang het muziekje van Jaws te spelen’.

Het pad is goed aangegeven met stokken, al kan ik me voorstellen dat je hier in slecht weer zo verdwaalt. Er is niet altijd een uitgesleten pad, soms loop je gewoon over de stenen van stok naar stok op de manier die jezelf het meest praktisch lijkt. Een aantal hellingen verder daal ik af naar Fossabrekkur, mijn eerste waterval. Hij is niet hoog, maar wel spectaulair, zo’n dertien watervallen op een rij. De rivier breekt met slanke vingers door de vegetatie heen en stort zich bulderend naar beneden. Het pad volgt de oever over een smalle, schuine rand en even zijn er weer wat vliegen. Gelukkig mag ik algauw klimmen en op een winderige heuvel houd ik dan toch lunchpauze. Daarna draait de route naar rechts en volgt een andere beek die door een indrukwekkende kloof stroomt. Het begint te regenen. Aanvankelijk lijkt het mee te vallen, maar als de bui ambities heeft, trek ik toch mijn regenbroek aan. Ook mijn handschoenen komen van pas, want de combinatie van wind en regen maakt het behoorlijk koud. Eenmaal goed ingepakt volg ik de witte paaltjes weg van het water. We lopen om de Sauðafell heen, alhoewel het mij niet duidelijk is welke van de vele bergen nu precies die naam draagt. Er zijn schitterende met mos bedekte rotsformaties en een soort vink verdedigt nerveus zijn nest of territorium. Als ik een steen opraap, blijkt het puimsteen te zijn, zo licht dat het in water drijft. Het voelt ook bijzonder aan onder je voeten, alsof je op piepschuim loopt. Je zolen zakken steeds een centimeter of wat weg. Volgens de kaart moet ik een weg oversteken en inderdaad verschijnt er een spoor dat ik niet als weg had herkend, ware het niet dat er in de verte een jeep rijdt. Even later is er een veel grotere weg, waarover een lege touringcar rijdt die wandelaars heeft afgezet in Landmannalaugar. Aan de andere kant van de weg is er laag gras en weer een helling die wel lijkt te zijn geplaveid met kleine kiezels. Na deze laatste heuvel daal ik door weilanden af naar Áfangagil, een kleine verzameling met gras bedekte hutten. Meteen belagen de vliegen me weer. Mooi dat ik hier niet ga kamperen. Ik loop de hutten voorbij en beklim een grashelling die een geweldig uitzicht geeft op een kloof. Het waait en vliegen zijn er niet. Een prima plek om de tent op te zetten. Maar het is pas half vijf en de groep Nederlanders gaat door. Ik wil niet de eerste zijn die er het bijltje bij neergooit. Ik beklim een helling zwart grind en aan de andere kant daal ik af naar een zwart lavaveld. Ik steek de zwarte vlakte over, waarin een slingerend beekje langzaam in het niets verdwijnt. De groep Nederlanders zwaait af naar de heuvels om hun kamp op te zetten. Ik ga nog even door tot een volgende vallei, waar ik op het mos een zacht en winderig plekje voor mijn tent vind. Van vliegen ga ik hier geen last hebben en het uitzicht is fantastisch.

 

Dag 2 Valahnúkar – Domadulsháls 27 km

Alweer een fantastische dag! Een dag waarop ik foto’s blijf maken, zowat om de paar honderd meter sta ik stil. Dat had ik ’s ochtends nog niet bedacht. De miezer slaat op mijn tent en uit voorzorg trek ik mijn regenbroek vast aan. Als ik uiteindelijk de tent opvouw is het gelukkig droog, maar wel grijs en bewolkt. Het geeft de vallei een somber aanzien. Toch ga ik opgewekt op pad. Ik voel me bevoorrecht hier te lopen. Vanuit mijn groene oase wandel ik weer een lavavallei in. Een hele vallei, zwart. Van de as onder mijn voeten tot de grimmige bergen. Toch groeien ook hier kleine bloemetjes, hun kopjes plat tegen de grond drukkend. De ene na de andere vallei doorkruis ik, tot het, ik durf het bijna niet te zeggen, wat eentonig begint te worden. Dan is er weer een stevige klim en dit keer is het uitzicht groener. Prachtig groen gestreepte bergen. Ik daal af en steek weer een lavaveld over. Nog een klim en aan mijn linkerhand meen ik de caldera Valagjá te herkennen die in de gids staat beschreven. Het zwart is doorzweemd met roodbruin, heel bijzonder. Weer een afdaling en nu een waar panorama aan groene bergen. Fantastisch. Helaas komen de wolken wat omlaag en verhullen de toppen. Ik kijk uit op een IJslandse weg en aan de andere kant een groene vlakte. Op het houten bord dat richting Landmannahellir wijst, vind ik twee hoefijzers. Ik doorkruis de vlakte, onderwijl foto’s nemend. Dit is het voordeel dat ik alleen ben. Niemand wacht op me en ik houd niemand op. Aan mijn rechterhand verschijnt iets wat ik aanvankelijk voor een meer houd. Als ik dichterbij kom, zie ik dat het een riviertje is. Twee dingen vallen me meteen op. Hij is diep en het water is helder. Geen gletsjerwater, dat zal niet zo koud zijn. Eventjes leiden de markeringen nog langs de oever, tot het punt waar de volgende aan de overkant staat. Mijn eerste oversteeek. Ik wist dat het eraan zat te komen. Leuk!

Een rivier oversteken kost tijd. Rugzak af, sokken en schoenen uit en gezien de diepte van het water ook mijn broek. Sandalen uitgraven en mijn speciale waterdichte sokken. Ik haal de drybag tevoorschijn die ik speciaal voor mijn camera kocht, want fotograferen is een van de dingen die deze reis voor mij de moeite waard maakt. Met mijn camera neem ik geen risico’s. Vervolgens de rugzak weer omhijsen, met de gespen los voor het geval dat. Stokken voor de stabiliteit en gaan. De bodem van de rivier bestaat uit grind en dat loopt redelijk makkelijk, afgezien van de steentjes die zich in mijn sandalen nestelen. Het water stroomt snel, maar met mijn stokken houd ik mezelf in balans en de andere oever komt snel dichtbij. Het water is onverwachts toch ijskoud, maar ik heb er minder last van dan ik dacht. Opgelucht beklim ik de zandbank aan de andere kant en leg mijn rugzak naast een rots neer. Dan bedenk ik me dat ik mijn wandelschoenen ben vergeten. Oeps! Dus nog een keer heen en weer. Ach, de eerste keer mag je deze beginnersfout nog maken en ergens vind ik het ook wel hilarisch. Gelukkig staat er geen wind en eenmaal met de broek weer aan heb ik het al snel weer warm. De waterdichte sokken, bedoeld voor mountainbikers en wielrenners die ook met slecht weer op pad willen, hebben het niet gehouden. Zowel van binnen als van buiten zijn ze drijfnat. Maar ze hebben de ergste kou van mijn voeten gehouden en dat is al heel wat.

Na een korte pauze ga ik verder. Maar niet zonder eerst nog wat foto’s te hebben gemaakt, want de wolken lichten hun rokken en ik kan de groene bergen in hun volle glorie bewonderen. Aan hun voeten ligt een vreemde verzamelen rotsen, de Lambafitjarhaun. Het is een lavaveld afkomstig van de uitbarsting van de Hekla in 1913. Ronde bollen die bedekt zijn met mos. Heel apart. Nu wordt het landschap afwisselend en interessanter. Er verschijnt een bergketen waarvan de combinatie van sneeuw en groen mos adembenemend mooi is. Ik passeer enkele meren in de diepte en raak niet uitgefotografeerd. Dan een laatste afdaling naar Landmannahellir, waar ik voor het eerst weer wat mensen en auto’s zie. Het is een flinke handvol houten vakantiehuisjes, maar de meeste zijn rond dit tijdstip leeg. Ik tap water in de toiletten en maak er ook dankbaar gebruik van. Na een korte pauze ga ik weer verder. Meteen een stevige klim. Aan de andere kant van de heuvel daal ik af naar een meer, Löðmundarvatn. Aan de oever staan wat auto’s,maar ik kom niet bij ze in de buurt en loop links om het meer heen. Er zijn ook weer vliegen, maar gelukkig niet zoveel. De oever is bezwaaid met rotsen en ik vraag me af of het lavabommen zijn. Twee prachtige beekjes slingeren door het gras naar het water. Ze zijn diep, maar niet breed en met één stap ben ik er overheen. Het pad schiet een vallei in en weer mag ik klimmen. Opnieuw heeft zich een meer prachtig tussen de bergen genesteld, wat is het hier toch mooi. Op een volgende berg slaan goudplevieren alarm, de vogel die ik in IJsland tot nu toe het meest ben tegengekomen. Hoewel ik al goede foto’s van ze heb, kan ik het niet laten er nog meer te maken. Een soepele afdaling brengt me naar een weg die ik oversteek. Aan de andere kant heb ik uitzicht op een kloof waar een beek door stroomt. Meteen als ik het zie weet ik dat dit de meest idyllische kampeerplek ooit is. Hier wil ik staan! Alleen jammer dat de kloof zichtbaar is vanaf de weg. Ik dacht dat IJslandse binnenwegen maar een paar auto’s per dag zagen, maar de toeristen keren terug naar Landmannahellir en er komt behoorlijk wat verkeer voorbij. Daarna wordt het rustig en maak ik het me gemakkelijk naast de kabbelende beek. Hopelijk helpt het me slapen, want dat gaat nog niet zo makkelijk als het 24 uur licht is.

 

Domadulsháls – Landmannalaugar 9 km + Sudurnamur 9 km + Bláhnúkur 7 km

Niet alleen het licht, ook een hevige storm hield me vannacht uit de slaap. Als ik ’s ochtends wakker word, is de wind gelukkig gaan liggen. Het is mooi en helder en ik sta te popelen om op pad te gaan. Nadat ik mijn spullen heb gepakt en mijn rugzak heb omgehezen, stap ik op het beekje af, dat vanonder een sneeuwveld verschijnt. O. Tja, die moet ik natuurlijk oversteken, daar heb ik even niet aan gedacht. Ik heb mijn schoenen al aan en geen zin mijn sandalen uit te graven. Het beekje is diep, maar ik speur naar een plek waar ik hem met minimale nattigheid kan oversteken. Dat gaat en ik begin aan een korte klim. Over een heuvel volg ik de beek stroomopwaarts tot ik bij een kloof naar links afbuig. Op de bergwand enkele sneeuwvelden waar water onder vandaan komt en zich naar de beek haast. Goudplevieren laten hun zenuwachtige roep horen. Dan weer een klim en dit keer geen misselijke. Waar de Zwitsers je lekker rustig laten zigzaggen, gaan de IJslanders no-nonsens op hun doel af. Recht omhoog. Dat is pittig, maar stap voor stap hijs ik mezelf een paar meter hoger, de witte paaltjes mijn altijd betrouwbare gids. Op de top een prachtig uitzicht op besneeuwde bergen. Het verveelt nooit. Ik daal weer af naar een sneeuwveld en dit keer zie ik duidelijk een beekje stromen onder de sneeuw. Een sneeuwbrug. Hier heb ik me zorgen over gemaakt. Ik heb me overal op voorbereid, alle mogelijke voorzorgsmaatregelen genomen, maar over sneeuw heb ik geen controle. Als ik de sneeuwlaag inspecteer, is de laag vrij dun. Toch waag ik het erop, ik wil me niet laten leiden door angst. Bovendien is het hooguit een meter naar beneden, als de sneeuwbrug instort onder mijn gewicht. En tot mijn verbazing houdt de sneeuw het gewoon en ben ik zo aan de overkant. Bij de volgende sneeuwvelden verwacht ik geen problemen, maar ik blijf voorzichtig. Ik kom weer op een lavaveld uit, een smalle, zwarte dijk in een zee van wit. Dit voelt anders dan de droge as van eerder, meer als rivierklei terwijl het al uren eb is. De top van de volgende heuvel glinstert in het zonlicht. Grote brokken vulkaanglas, dat ontstaat als lava snel stolt, liggen overal. Telkens zie ik een nieuwe bijzondere steen die ik mee zou willen nemen, maar op één na laat ik ze allemaal liggen. Dan zie ik het. Bergen die bruin zijn in plaats van groen. De ryolietbergen waar Landmannalaugar bekend om staat. Nog maar een paar, niet heel spectaculair, maar ik kom in de buurt. Ook deze bergen zijn vulkanisch in oorsprong, wat zelfs in de naam terugkomt. Ryoliet is een samentrekking van de Griekse woorden rheîn en líthos, wat ‘stromen’ en ‘steen’ betekent.

Even verderop daal ik af naar een laatste sneeuwveld en zie ik rode en gele paaltjes, een teken dat Landmannalaugar met zijn dagwandelingen niet meer ver weg is. Ik rond een heuvel en dan ben ik er. Aan de rand van de vallei die Landmannalaugar beroemd maakt, Vondugil. Overal goudbruine bergen. Het is schitterend en ik kijk mijn ogen uit. Niet alleen de kleuren, ook de vormen maken het tot een bijzonder schouwspel. De manier waarop de bergen in elkaar overlopen, pure kunst. Wat een geweldig mozaiek. Ik kan me niet voorstellen dat deze vallei ooit bekend stond als een plek vol kwade geesten. Vondugil is IJslands voor ‘boosaardige vallei’. Het bijgeloof was zo sterk dat schapen die in deze vallei terecht kwamen, door de herders als verloren werden opgegeven, tot de vallei in 1852 grondig werd verkend en er niets mysterieus werd gevonden. Over een smalle bergkam daal ik af. Het pad is zanderig en ik probeer mijn aandacht erbij te houden om te voorkomen dat mijn voeten wegglijden. Dat is niet makkelijk met zoveel schoonheid om je heen. Voor me strekt zich de vallei uit waarover ontelbare stroompjes zich een weg banen naar ongeziene verten. Rechts van me duikt een waterval op die luidkeels over de oranjebruine rotsen naar beneden rommelt. En overal die ryolietbergen met hun onaardse kleuren. Dit is niet hoe ik bergen gewend ben. Zwitserland, Oostenrijk, Nieuw Zeeland, niets heeft me hierop kunnen voorbereiden. Ik daal af en loop terug naar de waterval voor een foto. Van dichtbij is hij nog indrukwekkender. Dan keer ik om en in de verte zie ik de eerste wandelaars uit Landmannalaugar. Omzichtig banen ze zich een weg door de vele beekjes, steeds het ondiepste punt zoekend. Ik zie even geen markeringen meer, maar kan de juiste richting nu wel raden. Eén beek is wat dieper dan de andere en vereist precisie, maar door de rest plas ik met mijn hoge schoenen achteloos naar de overkant. Tussen de beekjes ligt een landschap van grind en groen mos. Dan zie ik stoom opstijgen. Mijn eerste fumarole! Ik loop erop af en zie een klein kopje water driftig borrelen. Met een boogje loop ik omheen, ik geloof zo ook wel dat het kookt. Het terrein wordt drassig en langs de andere kant van de vallei is een pad. Ik volg het naar een lavaveld dat anders is dan wat ik tot nu toe zag. Dat was as, dit zijn enorme brokken steen. Het heeft zelfs een eigen naam, Laugahraun, wat lavabad betekent, een verwijzing naar de thermische poel waarin wandelaars hun vermoeide spieren ontspannen na een lange dag. Laugahraun is zo’n 350 jaar oud, afkomstig van een uitbarsting van de Torfajökull in 1477. Ik had verwacht dat er na drie eeuwen wel meer begroeiing zou zijn, maar het gebied is nog erg kaal, wat bijdraagt aan de ontzagwekkendheid ervan. Geen bloemen om de scherpe kanten te verzachten. Dit is harde werkelijkheid. Een breed pad voert door het lavaveld heen, met een kabel erlangs om de kwetsbare vegetatie te beschermen tegen onderzoekende voeten. Ik ben nu omringd door toeristen en dagjesmensen, want dit is niet alleen een toeristische trekpleister van formaat, hier start ook de Laugavegur, het Pieterpad van IJsland. Na anderhalf kilometer lava daal ik af naar Landmannalaugar. Het is even wennen na 2,5 dag eenzaamheid. Houten gebouwen met een enrome kooktent erachter. Een zee aan tenten. Wat een auto’s, wat een mensen. Toch heeft dat ook weer zijn voordelen. Een paar Duitsers houden mijn tent vast terwijl ik met een steen de haringen de harde grond in ram. Achteraan staan drie bussen waarin een winkeltje is gevestigd, de legendarische Mountain Mall van Landmannalaugar. Ik haal er een blikje cola en dat smaakt goed. En dan ga ik weer op pad, want de dag is nog jong en het is domweg te mooi om stil te zitten.

Vanaf het hoofdgebouw zijn verschillende routes gemarkeerd en ik kies voor de rode route naar Surðunámur die Paddy Dillon in zijn gids van IJsland aanraadt. Via een plankier over een drassig gebied verlaat ik Landmannalaugar. In een helder beekje speurt een kleine vogel met nerveuze bewegingen naar voedsel. Het is een franjepoot hoor ik later van een Nederlander die onder meer voor de vogels naar IJsland is gekomen. Andere beken borrelen en zitten vol gifgroene algen. Dit is een thermisch gebied vol warme bronnen en dat zie je terug in het landschap. Via een houten brug steek ik een riviertje over en beklim het pad naar een rots die uitzicht biedt op de voorde, wat een attractie op zich is. Ervaren IJslanders rijden moeiteloos door het diepe water, toeristen aarzelend en voorzichtig. Aan de andere kant staat de parkeerplaats vol met auto’s van mensen die het niet wilden of konden wagen. Ik volg de weg zo’n 600 meter, met uitzicht op de delta waarin riviertjes zich uitspreiden als de tentakels van een octopus. Dan begin ik te klimmen. En nog meer te klimmen. Er verschijnen nieuwe bruine bergen, spectaculair mooi. En hoe hoger je komt, hoe beter je het landschap ervaart. Plotseling zie ik een tweede lavaveld, maar ook de berg waaruit de de lava ooit naar beneden stroomde naar de vallei. De zwarte vlakte vreemd gevormde rotsen heeft nu een bepaalde logica, al wordt hij netjes doorsneden door de weg. Een andere lavastroom dan de Laugahraun, maar even indrukwekkend. Het begint steeds harder te waaien, maar ik voel het niet. Het landschap blijft te mooi. Dan komen me enkele mountainbikers tegemoet, die het pad al remmend afleggen. Ze worden gefilmd en na de opname lopen ze weer terug omhoog om het nog eens over te doen. Zij liever dan ik. Ik kom weer op de Hellismannaleið uit en had me voorgenomen hier over te stappen op een andere route. Maar de naam die op het bord bij de gele paaltjes staat, komt me niet bekend voor en ik kies voor zekerheid. Ik volg de rode paaltjes naar Vondugil met zijn waterval en talloze beekjes. Bij de afslag naar Landmannalaugar sla ik dit keer rechtsaf, richting de Bláhnúkur, voor de route die Dillon in zijn gids beschrijft. Nu loop ik tussen de dagjesmensen en wandelaars op weg naar Hrafntinnusker of het iets verder gelegen Áltfavatn. De geothermische hotspot even verderop is bijzonder. De bergen stomen, maar de  zwavellucht is niet te harden en de stenen zijn geel en grijs. Hier verlaat ik de Laugavegur en volg witte markeringen omlaag het lavaveld in. Voorzichtig, voorzichtig. Hier geen makkelijk toeristisch pad, maar rustig puzzelen waar ik mijn voeten neerzet. Bij een handwijzer stap ik over op de gele markeringen die ik volg door de Laugahraun en naar een andere vallei, Graenagil, wat ‘groene kloof’ betekent. Een rivier stroomt temidden van prachtige bruine bergen. Hij is snel en redelijk diep. Ik zoek een plek om over te steken en accepteer uiteindelijk dat een voet wat vochtig gaat worden. Dat kan ik hebben en ik spring naar de overkant. Daar kruis ik een sneeuwveld tot het punt waar het laatste gele paaltje staat. Er zijn meerdere paden en geen markeringen meer. Het pad rechtdoor dat over een smalle bergkam omhoog leidt, is afgesloten vanwege een gevaarlijke sneeuwbrug. Zo gemakkelijk geef ik niet op. Er is nog een pad, dat ik onder andere omstandigheden liever had gemeden. Ik begin te klimmen en het is zo steil dat het grenst aan het absurde. Zonder stokken had ik me hier niet gewaagd en hoe moet de groep wandelaars die me tegemoet komt hier in ’s hemelsnaam afdalen? Ik passeer ze en zie dan een groep van hogerop de berg naar beneden komen over een pad dat al even belachelijk oogt. Gelukkig informeren een paar Franse wandelaars me dat je de top ook achterlangs kunt bereiken over een makkelijker pad. Ik kies voor gemak en veiligheid en volg de route een zijvallei in. De klim is geleidelijk en niet al te zwaar. Telkens word ik afgeleid door het landschap, dat fraaier wordt naarmate ik hoger kom. De wind wordt sterker, tot ik me bewust staande moet houden. Weer ben ik blij met mijn trekkingpoles die me extra stabiliteit geven. Met verbazing kijk ik naar de wandelaars die naar beneden kuieren alsof het niets is. En dat over een smalle kam met een afgrond aan beide zijden. Met 943 meter ben ik op de top van Bláhnúkur, ‘Blauwe piek’, hoger dan de omringende bergen en het uitzicht is naar alle kanten spectaculair. Maar de wind is te sterk om lang te genieten. Voor de plaquette met de namen van de omringende bergen heb ik geen oog. Ik daal af en dit keer zijn er fatsoenlijke zigzaggen om gecontroleerd in het dal te komen. Nog steeds is het opletten, want het pad bestaat uit zand en gravel. Het is een heel eind omlaag en het gaat niet hard. Uiteindelijk kijk ik weer uit op de rivier en de wandelaars die de witte route hebben gelopen. En dan zie ik rotsen die groen zijn. Niet door mos, de steen zelf is een vreemde kleur groen. Heel apart. Nog een paar zigzaggen verder en ik sta op een vlakte, waar ik een pad volg naar eerst een kapotte brug en dan een plankier over het water waar de golven tegen aanslaan. Ik kom uit achter de Mountain Mall en verwen mezelf met wat lekkers om de mooiste dag van mijn leven te vieren. En wat is een mooiere afsluiting van een dag als vandaag dan een heerlijk bad in een natuurlijke warme poel. Het zijn in feite een koude en een gloeiend hete beek die bij elkaar komen, en waar de twee waterstromen zich vermengen is het aangenaam warm. Samen met zo’n twintig anderen geniet ik ervan en het is erg gezellig.