Heaphy Track

Klimmen naar de Tasman Zee: de Heaphy Track (2015)

Volgens de legende was de Polynesische zeevaarder Kupe rond 925 de eerste die het land zag. Omdat er laaghangende bewolking over de heuvels hing, noemde hij het Aotearoa, het land van de lange witte wolk. In 1642 noemde Abel Tasman de eilanden naar een Hollandse provincie Nieuw Zeeland. Tegenwoordig is het een paradijs voor avonturiers,  wandelliefhebbers én fans van Lord of the Rings. Ik ben alle drie en daarom loop ik hier de komende zes weken zeven wandelpaden en één IML. Dit is de Heaphy Track.

Dag 1 Brownhut – Saxonhut, 30 km
Voor de Heaphy Track staat vier tot vijf dagen. Ik begrijp niet goed waarom, want ik doe het in 2,5. Lange dagen, dat wel, maar het gaat. Vanwege de afstand sta ik vroeg op in de Brownhut aan het begin van het pad. De wolken hebben net hun roze kleur verloren als ik de gezellige hut met zijn haardvuur verlaat en mijn eerste stappen zet op het pad langs de Brownrivier. Niet veel verder is een stevige brug en steek ik de rivier over. Het pad is een breed gravelpad en voor de verandering hoef ik me geen zorgen te maken om een verzwikte enkel als ik eens om me heen wil kijken. Voorlopig is er nog niet veel te zien, want het pad slingert langs de bergwand door het bos. Het stijgt, maar zo geleidelijk dat ik het nauwelijks merk en nooit buiten adem raak. Het bos verandert voortdurend van karakter, nu eens donker met boomvarens, dan weer een licht, open woud van stammen en groen. Voor het eerst kom ik bankjes tegen, strategisch geplaatst op plekken waar een opening in de bomen uitzicht geeft op het dal. De eerste twee loop ik voorbij, het is nog te vroeg. Als ik zin krijg in een pauze, is er natuurlijk geen bankje meer te bekennen. Gelukkig doet een grote, platte rots ook prima dienst als pauzeplek. Het dal is een zee van groene pieken. Hier geen naakte rots, de bergen hier zijn niet zo hoog dat bomen er geen heil meer in zien. Heel in de verte zie ik een paar geciviliseerde velden, maar dat is dan ook het enige teken van beschaving. Zo heb ik het graag. Gesterkt door een paar handjes rozijnen, pak ik de route weer op. Pas na een tijdje valt me op dat ik voor het eerst op een Great Walk geen hermelijn- of buidelrat-vallen zie. Uit de vogelrijkdom blijkt dat er in het verleden toch wel het nodige is gedaan aan ongediertebestrijding. Fantails komen nieuwsgierig kijken, tui’s zingen naar elkaar en er is een piepklein, kogelrond grijs vogeltje dat voor mijn voeten opvliegt. Dat moet de grey warbler of de rifleman zijn. Heel in de diepte hoor ik het gerommel van een rivier, de Aorere. Het pad volgt vanaf grote hoogte zijn loop door het dal. Pas als we om een berg heen draaien, merk ik opeens hoe stil het is zonder het geluid van water. Dan hoor ik het geluid van een motor, iets wat ik hier beslist niet had verwacht. Het blijkt een ranger op een met gereedschap beladen quad te zijn, die zich moeizaam omhoog werkt naar de plek waar aan de track wordt gewerkt. Na ongeveer anderhalf uur is er een afslag naar Shakespeare Flats, maar ik loop door naar de Aorere shelter. Zelfs voor iemand die zoveel van bos houdt als ik, is nu wel zo’n beetje de limiet bereikt van wat ik op kan nemen. Ik geniet nog steeds, maar kijk uit naar wat Nieuw Zeeland nog meer te bieden heeft. Toch sta ik even stil als ik een klimplant ontdek die prachtig rood bloeit. Een bellbird, een groen vogeltje met gele streep op zijn vleugels dat zo mooi kan zingen, gaat de bloemen af en zuigt de nektar op met zijn gekromde snavel. Vlak voor de Perry Saddle Hut is een zijpaadje naar Flanagan’s Corner, een uitzichtpunt over de Aorere-vallei en met 915 meter het hoogste punt van het track. Dat je er nog een flink stukje voor moet klimmen, is dan weer een kleine tegenvaller.  Over boomwortels en rotsen werk ik me omhoog, tot ik bij een picknickbank kom. Het is een briljante plek om te lunchen, maar nog steeds aan de vroege kant. Bovendien word ik afgeleid door de prachtige regenboog aan de overkant van het dal. Die kan niet worden veroorzaakt door de bescheiden waterval die ik tussen het groen zie. Blijkbaar zit er water in de lucht. Aan mijn rechterhand zie ik een hut liggen. Niet eens zo heel ver weg, merk ik verheugd. Op de open punt koelt de wind me snel af en na een paar foto’s zoek ik de beschutting van de bomen weer op. Terug op het pad loop ik snel op de hut af. Ter aanmoediging staat er op 1 km van de hut een markering. Dat die vergezeld gaat van een bordje met eens slak erop, zou je verkeerd kunnen opvatten als je niet weet dat de vleesetende slak Powelliphanta hier voorkomt. Blijkbaar is dat een soort mascotte. Jakkes. Om half één ben ik dan bij de hut. Het is behoorlijk rap gegaan en ik heb wel een pauze verdient. Uit mijn rugzak diep ik enkele muesli-repen op en vanaf het terras, lekker uit de wind, laat ik het me goed smaken. Mountainbiken is hier blijkbaar ook toegestaan, maar tot nu toe ben ik nog geen fietsers tegengekomen. Terwijl ik me buig over een sudoku begint het te miezeren. Voor de zekerheid pak ik mijn rugzak in de regenhoes, maar het is niet ernstig genoeg om mezelf ook in te pakken. Na een half uurtje vind ik het tijd om door te gaan. Volgens de gids verandert het landschap dramatisch vanaf dit punt. Dat is een tikkeltje overdreven. De eerste kilometers loop ik gewoon weer door bos, als is de kwaliteit van het pad net na de hut een stuk minder. Volop stenen, waardoor ik goed moet kijken hoe ik mijn voeten neerzet. Verwend als ik ben door de eerste kilometers valt me dit even tegen. Gelukkig wordt er inderdaad aan het pad gewerkt. Algauw kom ik machinerie tegen, de nu lege quad, een graafmachine, een platte kar op rupsbanden. Een dikke laag grijze aarde ligt nu op het pad en dat loopt alweer een stuk makkelijker. Om een bocht staat iemand met een walkietalkie en even verderop iemand met een paar draden in zijn hand, in de klassieke pose van iemand die iets op gaat blazen. De draden steken uit een rots, die plaats moet maken voor een geul die langs het pad het water zal afvoeren. Als ik een paar honderd meter verder ben, hoor ik het enorme gedonder van de ontploffing. Het geluid echoot langs de groene wanden van de vallei. Misschien hebben ze wel meer opgeblazen dan die rots alleen, want het geluid staat niet in verhouding tot die ene, redelijk kleine rots. In korte tijd steek ik drie kreken over, de Sheep, Quintina en Fawn Creek. Bij de eerste twijfel ik even, want het water staat hoog en stroomt snel. Dan gebruik ik de stapstenen in de voorde om naar de overkant te komen en uiteindelijk komt het water niet hoger dan mijn zolen. Pas aan de overkant zie ik dat er iets lager een brug ligt voor als het water echt hoog staat. Bij de Fawn Creek doe ik niet eigenwijs en loop meteen droog over de planken naar de overkant. Plotseling maakt het bos plaats voor de Downs, een gebied waar alle voedingstoffen uit de bodem verdwenen zijn en bomen niets meer te zoeken hebben. Alleen gras groeit hier, lang en bruin. Een hele vallei vol, glooiend alsof ik in Engeland ben. Hier jaagden de Maori al in de 16e eeuw op de Moa, een landvogels nog groter dan een struisvogel. Ook de Haast-adelaar moet hier dan zijn voorgekomen, die dan weer de adelaar met de grootste spanwijdte was en voor wie de Moa de voornaamste prooi was. Ik volg het pad naar beneden, langs een paal waaraan wandelaars hun oude schoenen hebben gehangen. De meeste zijn versleten, aan het verteren bijna, maar een sportschoen ziet er nog verrassend goed uit. Helaas is het maar één en niet in mijn maat. Dat iemand een laarsje met een hoge hak heeft opgehangen, kan ik me goed voorstellen. Als je daarop de Heaphy wilt lopen, krijg je er snel genoeg van. Kort daarna begin ik water te horen. Ik dacht dat ik al beneden was, maar in een diepe, steile vallei nog veel lager stroomt een rivier die ik alleen kan horen. De wanden van de vallei zijn begroeid met bomen en alleen aan de ronde vorm van hun groei zie ik hoe de rivier meandert. Even later daal ik een stukje verder naar een brug, waar ik de Cave Brook oversteek. Het water is vreemd bruin, heel anders dan het kraakheldere water dat ik tot nu toe van Nieuw Zeeland gewend ben.

Een kilometer verder bereik ik de Gouland Downs hut. Als ik de prachtige omgeving zie, heb ik even spijt dat ik mijn planning heb aangepast en doorloop naar de volgende hut, zes kilometer verderop. Maar het is een kleine hut, zonder gas en zo te zien had ik er alleen geslapen. Zoveel privacy hoef ik nu ook weer niet. Na een paar slokken helder regenwater trek ik de deur weer achter me dicht en zoek het pad weer op. Vrijwel meteen duikt het pad een bos in en van dit bos wordt ik onbegrijpelijk blij. Dit is het soort bos waar sprookjes geboren worden. Het groene licht, het mos, de varens. Het is een plaatje. Een boom blijkt een bocht verder op een overhangende rots te staan, die boven een beekje uittorent. Hier vermoed ik ’s nachts het zachtblauwe licht van gloeiwormen. Het bruine pad leidt me erdoorheen, tot ik aan de andere kant weer voor open grasland sta. Gesterkt en met verende pas trek ik de leegte weer in. Ik kom bij Shiner Brook, waar wandelaars worden gemaand om bij hoog water van de brug gebruik te maken. Ik ga even kijken bij de voorde, maar oversteken lijkt me geen haalbare kaart. Hoewel een Nieuw Zeelander een beek misschien pas serieus neemt als het water tot zijn knieën komt, zijn natte voeten charmanter in verhalen dan in werkelijkheid. Ik kies laf… eh, verstandig, voor de brug. Maar als ik aan de voet van de brug sta, begin ik me af te vragen of die keuze wel zo verstandig was. Dit is een hangbrug. Een échte hangbrug. Niet het standaard-model met houten planken, dat leuk meeveert met je voetstappen. Dit exemplaar ziet eruit als een geïmproviseerd model dat wandelaars tijdelijk moet overzetten, terwijl het Departement of Conservation spaart voor een echte. Vier stalen kabels, bespannen met stevig gaas en om de 60 cm een ijzeren balkje vormen het loopvlak. Als leuning zijn er opnieuw stalen kabels, met netten bespannen zodat je niet valt. Het hele ding wiebelt en zwaait en als er dit keer staat dat de maximale belasting één persoon is, geloof ik ze onmiddellijk. Wel vraag ik me af: hoe krijg je hier in ’s hemelsnaam een mountainbike overheen? Ik waag de oversteek en ben blij als ik aan de andere kant weer op vaste grond sta.

Even verderop, bij de beek met de ontoepasselijke naam Big River, staat nog zo’n geval. Dit keer ga ik er snel overheen, zwaaiend in de wind. De Saxon-hut is niet heel ver meer, maar het is hier zo mooi dat ik steeds langzamer begin te lopen. Een miezerbui trekt over de Down en omdat de zon schijnt, ontstaat opnieuw een prachtige regenboog. Zoiets loop je toch niet zomaar voorbij? Talloze naamloze beekjes stromen over het pad en ik plons er vrolijk door zonder nat te worden. Langzaam klim ik het dal uit en de bomen beginnen brutaler te worden in hun ambitie naar de hemel. Langs het pad staat een oude, knoestige stam die me acuut tot staan brengt. Zó mooi. De vormen, de lijnen. Waarom zou je nog naar het Rijksmuseum gaan als de natuur zulke kunstwerken voortbrengt?  Dan verschijnt de hut, met een prachtig uitzicht op de Downs en de bewolkte bergen erachter. Ik hoef geen spijt te hebben dat ik niet in de Goulands Down Hut verblijf. Deze is zowaar nog mooier gelegen. En ik deel hem met een Duitse wandelaarster, dus ook voor gezelschap is gezorgd.

Dag 2 Saxon Hut – Heaphy hut, 36 km
Terwijl de zon in het oosten een enkele wolk roze kleurt, drijven in het westen grijzen wolken over de bergtoppen. En daar loop ik naar toe, de blauwe lucht achter me latend. Het maakt weinig verschil, want het bos omsluit me weer en tussen de takken door zie ik alleen een grijs niets. Een enkele boom steekt onheilspellend zwart af tegen het blanke canvas van de mist. Kort na de hut steek ik de Saxon River over  en kom dan in een mooi, vlak gebied dat te vochtig is voor bomen, de Saxon Flats. De zon doet verwoede pogingen om door te breken en licht het rode gras op tot een diep bruin. In een wand vol mos ontdek ik zonnedauw, het vleesetende plantje dat bij rivieren zoveel goed kan doen door zandvliegen op te vreten. Er zijn talloze stroompjes die een weg zoeken langs het pad. De Blue Duck Creek, Blue Shirt Creek en Monument Creek steek ik over met gelukkig ‘gewone’ houten bruggen. Over de plankieren komt me een aantal wandelaars tegemoet, op weg naar Saxon hut of verder. Het is drie uur naar de MacKay hut en iets eerder dan verwacht kom ik er aan. Vanaf de veranda kan ik, heel in de verte, de Tasman Zee zien. Na een flink aantal handjes rozijnen ben ik voldoende uitgerust om verder te lopen. Het pad duikt een dik, vochtig bos in, waar naamloze stroompjes zich een weg naar beneden zoeken. Na zoveel Great Walks heb ik mijn portie bos wel gehad, maar toch blijft er genoeg te genieten. Een naaldboom die zijn takken naar beneden laat hangen als een treurwilg, de vogels. Er zijn zoveel kleuren mos bijeen. Het dieprode spagnummos groeit het laagst, donker- en lichtgroen mos iets hoger. Erg mooi. Door de bomen heen begin ik glimpen op te vangen van de Heaphy-rivier, een bruin lint in een witte bedding. Er hangen ook borden die waarschuwen voor uit helikopters verspreid gif, het in Nieuw Zeeland bekende ‘1080’. Het gif, dat in kleine capsules vanuit een helikopter wordt verspreid, is erg effectief. Eerst dood het de ratten die van het aas eten. Als buidelratten daarna op de dode ratten afkomen, sterven zij ook. Dit geeft vogels de kans hun jongen groot te brengen en hun soort in stand te houden. Het gif is echter behoorlijk controversieel, want het wordt ook verspreid in bewoonde gebieden. Mensen zijn bang voor de waterkwaliteit, zowel vee als huisdieren zijn er al aan gestorven. Hoewel het DOC beweert dat het gif biologisch afbreekbaar is en je 60.0000 liter moet drinken voor een dodelijke dosis, zijn natuurbeschermers sceptisch. De onderzoeken die de onschuld van 1080 aantonen, zijn betaald door de overheid, beweren ze, die belang heeft bij positieve uitkomsten. Eén anonieme activist heeft gedreigd 1080 aan babyvoeding toe te voegen als de overheid niet voor 1 april stopt met het gebruik ervan, wat in Nieuw Zeeland voor veel onrust zorgt. Hoewel het pad is gecontroleerd, worden wandelaars gewaarschuwd dat er mogelijk nog capsules liggen. Ik zie er geen en aangezien de laatste dropping in november 2014 was, maak ik me geen zorgen.

Ik verwacht dat we zullen dalen, maar het pad kleeft tegen de bergwand aan, de contouren van het dal volgend. Vrijwel tot aan de Lewis Hut blijft het pad in het bos, maar dan sta ik onverwacht opeens bij de hut, die praktisch aan de oever van de Lewis-rivier staat vlak voordat die zich bij de Heaphy voegt. Terwijl ik mijn muesli-repen oppeuzel, scharrelen twee weka’s rond, hoopvol wachtend op een kruimeltje. Het lijkt me echter verstandig om ze niet te voeren en ze moeten het doen met afgunst. Ik kan niet lang stilzitten en een kwartiertje later ben ik alweer op pad. Ik steek de Lewis rivier over en even later de Heaphy. Zoals de gids al voorspelde, is het bos aan deze kant van het water totaal anders dan wat ik eerder heb gezien. Het begint met de palmbomen, echte dit keer. Ze hebben een zachte, bijna rubberachtige bast en enorme bladeren. Daarnaast leidt een zijpaadje naar een boom als een flatgebouw. Als ik er omheen loop, tel ik 25 onnauwkeurige passen. Dikke lianen hangen naar beneden. Een tweede gigant is een wereld op zich. Talloze andere planten maken van de sterke schouders gebruik om te groeien, tot het moeilijk te zeggen is waar de boom ophoudt en de rest begint. Tussen de dode bladeren scharrelt opnieuw een weka. Eerst één, later kom ik een moeder tegen met twee jongen. Of zijn het twee ouders met één jong? Dan kom ik bij de Gunner-rivier, waar weer zo’n staalkabelhangbrug overheen leidt. Dit is geen uitzondering, begrijp ik van twee Nieuw-Zeelandse wandelaars. Buiten de Great Walks zijn alle hangbruggen van dit model, ik krijg dus een authentieke Nieuw Zeelandse ervaring voorgeschoteld. Het pad volgt nu de Heaphy rivier, waar ik tussen de bomen door af en toe een glimp van opvang. Palmbomen omzomen het pad, met af en toe zo’n indrukwekkende gigant ertussen. De palmen laten duidelijk merken dat de herfst er aan komt. Het bos krijgt iets droefs van al die afgeworpen palmbladeren, met nog een rubberachtig stuk bast eraan. Alsof soldaten na een veldslag liggen te wachten tot ze begraven worden. Zo af en toe beginnen rotsen naast het pad te verschijnen, op een bijzondere manier verweerd, alsof ze onder water hebben gelegen. Een gemeen klimmetje had ik niet meer verwacht, zo aan het einde van de dag. Volgens de gids is het makkelijk en vlak, maar daar denken mijn benen anders over. Als ik weer door een beekje plas, dat vanuit een waterval over het pad stroomt, zie ik vanaf een ondiepte een vis naar de diepe poel onder de waterval vluchten. Een vis, hier? Hoe kan die nu overleven in deze minieme poel? Of moet ik geloven dat hij vanuit de rivier hier naar boven is gezwommen om hier te paaien? Dat lijkt me niet. Het blijft een raadsel. Als ik de laatste rivier oversteek, zie ik in de verte heuse kliffen. Uiteraard begroeid, want alles is hier groen. En dan kom ik bij de hut, waar de rivier in de Tasman Zee uitkomt. Het is een idyllisch plekje. Een grasveld leidt naar het strand waar ik mijn tenen in  het zachte zand begraaf. Een soort aalscholver, met een heel witte buik en hals, vliegt over. Aan de overkant van de rivier staat een bos op een hoge rotswand. Het water heeft er gaten in geslepen, zodat de rotsen fascinerende gaten en scheuren vertonen. De ruige branding van de Tasman Zee slaat op het zand. Het brede strand ligt vol aangespoeld hout, dat langzaam verbleekt in de zon. Als ik terugkijk richting de heuvels, lijkt het alsof er flink slecht weer aankomt. De verre heuvels zijn vaag, alsof het daar al regent. Ik keer snel terug naar de hut en zie dan onder de veranda enorme ruggewervels, ongetwijfeld van walvissen, gevonden tussen het wrakhout. Ze zijn zo groot als scheepsschroeven en geven een kleine indruk hoe groot het dier zelf moet zijn. De hut kijkt uit op het westen en terwijl ik mijn pasta met tonijn opsmikkel, zie ik de zon in de wolkenlaag zakken die net boven de horizon hangt.

Dag 3 Heaphy hut – Kohaihai, 16,5 km
Ik ben er zo onderhand aan gewend om geluk te hebben en toch verbaast het me iedere keer. Vanavond zou ik in Karamea overnachten en daar twee dagen gedwongen rust houden, omdat ik niet kon uitvogelen hoe ik vandaar het snelst naar de start van de Abel Tasman Coast Track kon komen. Dat blijkt het best vanuit Nelson te kunnen en in de Heaphy hut ontmoet ik twee Nieuw Zeelanders, Chris en zijn vader, die vanuit Kohaihai naar Picton rijden, over Nelson. Ik vraag en krijg een lift en daarom ga ik net als zij als rond 08.00 uur op pad. Ik daal het gazon af en duik net voor het strand het bos weer in. Het pad volgt de kustlijn, maar gaat niet letterlijk over het strand.  Als ik de mistige heuvels zie, voel ik de drang om toch vrij op het strand te lopen en die blauwe bergen op de foto te zetten. Ik loop een tijdje door, maar zie geen paadje naar het strand. Op een plek waar de groene haag maar enkele planten dun is, duw ik met mijn stokken de stugge bladeren van flax opzij en wring me zo toch naar het strand. Aangezien het zand best zwaar loopt, keer ik daarna terug naar het pad, dat langs de heuvels golft. De stranden hebben hier namen als Twenty minute beach en Nettle beach. Soms is er zand, maar er zijn ook stukken vanaf de bosrand tot de branding bezaaid met grote, kogelronde rotsen. Af en toe ligt er een grote, bruine rots wat verder in zee, waar de branding spectaculair op stukslaat. Kijkend naar de golven valt me op dat ze niet parallel aan de kust lopen, zoals ik van de Noordzee ben gewend. Naarmate we vorderen, komen de golven onder een steeds schuiner hoek aanrollen, tot ze bijna haaks op het land staan. Zo nu en dan steken we een beek over, die vanuit de bergen naar zee stroomt. Vreemd genoeg is dit water weer zo helder als ik van Nieuw Zeelandse beken gewend ben. Gelukkig zijn er dit keer stevige, houten hangbruggen. Af en toe worden we gewaarschuwd dat bij hoog water of extreem weer wandelaars op het pad gevaar lopen. Het water is zich echter al aan het terugtrekken en extreem weer heb ik, behalve bij Tongariro, nog niet meegemaakt. Nieuw Zeelanders noemen dit hun beste zomer sinds tijden en ik ben blij dat ik daarvan mag profiteren. En dan komen we een klein monumentje tegen. Niet meer dan een paar gestapelde rotsen met wat kleine aandenkens. Een glazen bloem, wat kleingeld, een folder en een musketon. Een kleine plaquette maakt melding van drie jongeren, waarvan wordt verondersteld dat ze zijn verdronken. Zouden het wandelaars zijn? Of mensen die toch zo onverstandig waren hier te gaan zwemmen? Het stemt wel tot nadenken.

Zo langzamerhand begin ik erover na te denken om de bosjes in te duiken. Dat is tegen de Nieuw Zeelandse ere-code voor wandelaars en in de afgelopen weken heb ik het nog niet eerder gedaan. Gezien de hoeveelheid openbare toiletten waarmee het land is bezaaid, zou het ook niet nodig moeten zijn, maar ik kan me tussen de hut en  het eindpunt bij Kohaihai geen shelter herinneren.  Ik loop nog te twijfelen als ik Katipo Creek Shelter bereik, die ik over het hoofd had gezien, en dankbaar gebruik maak van de latrine. Dat is een veredelde Dixie, met dit verschil dat de DOC-latrines altijd schoon zijn en ruim voorzien van toiletpapier. Als ik mijn rugzak even afdoe om een muesli-reep te pakken, komt direct een weka kijken of er iets te halen valt. Helaas voer ik geen vogels, om hun natuurlijke dieet niet te verstoren, en het beestje kijkt me teleurgesteld na als ik weer verder loop. Dan leidt het pad me naar het strand, waar ik Chris en zijn vader weer tegenkom. We zijn dan op een punt aangeland waar aan het pad wordt gewerkt. Eerst hangt er een bord dat 1 minuut voorafgaand aan de ontploffing een hoornsignaal klinkt. Bovendien is het pad afgezet met een geel lint waarop in zwarte letters ‘danger’ staat. We zien niemand aan het werk. Het strand is op dit punt rotsachtig en weinig aantrekkelijk. We besluiten het erop te wagen en stappen onder het lint door. Even later blijkt dat de ontploffingen al zijn geweest. Op het pad liggen indrukwekkende hoeveelheden rots, tot hanteerbare stukken gereduceerd. We klimmen er overheen, tot een punt waar het strand weer uit zand bestaat. Met nog meer steenlawines in het vooruitzicht kiezen we alsnog voor de veiligheid van het strand. Het loopt wel behoorlijk pittig, maar gelukkig duurt het niet lang voor we het bos weer in mogen. Ook bij een ander punt worden we over het strand geleid. Dat scheelt ons de behoorlijke klim die bij hoogwater moet worden genomen. We vorderen gestaag en dan draait het pad het binnenland in, tot we de zee zelfs niet meer horen. Het klimt ook behoorlijk en dat vertraagt me enigszins. Eenmaal bij Scotts Beach is er een uitzichtpunt waar we uitkijken over de zee en de heuvels in de verte. Ongelooflijk dat we nog maar een kwartiertje geleden daar beneden waren. En ook jammer dat het einde er nu bijna is. Het is nog maar een half uurtje naar Kohaihai. Het pad daalt en door een opening in de bomen zien we de parkeerplaats, waar een rode auto naast een rivier staat. Even later steken we zelf de Kohaihai over, een brede rivier die vol zelfvertrouwen op de zoute zee afkoerst. Een pad langs een rotswand voert ons nog een paar meter verder. Daar, bij de kampeerplek en shelter is de parkeerplaats, het einde van dit pad. De zandvliegen zijn er talrijk en dus blijven we niet lang stilstaan. We stappen in de grijze huurauto en laten de schoonheid van Kahurangi national park achter ons.