Groenland

Arctic Circle Trail

Heerlijke herfstkleuren boven de poolcirkel

 

In IJsland zat ik net onder de poolcirkel, in Groenland zit ik er ruim boven. Minder spectaculair, maar met een ingetogen schoonheid biedt Groenland een fantastisch wandelavontuur: de Arctic Circle Trail. Ruim 165 kilometer van Kangerlussuaq naar Sisimiut met schitterende meren, indrukwekkende bergen en maar één rivieroversteek.

 

Dag 1 – Kangerlusssuaq – Hudeso – 20 km

De Arctic Circle trail begint officieel iets voorbij Kelly Ville, zo’n 13 km van Kangerlusssuaq Airport. Nadat ik gas en een kaart heb gekocht, hijs ik mijn rugzak om en begin te lopen. Ik ben te zuinig om 700 kronen neer te tellen voor een taxi en het weer past wel bij deze aanloop. Het miezert flink door, afgewisseld met een enkele sneeuwvlok. Hoewel Kangerlusssuaq het internationale vliegveld van Groenland huisvest, is het plaatsje zelf, of wat ik daarvan kan zien, maar klein. Een paar souvenirwinkels, een supermarkt en een hostel. Het schijnt gebruikelijk te zijn je te melden in het politiebureau, maar het kleine gebouwtje is dicht. Dan maar zo verder. Ik loop door langs de lage rode huizen en schuren, langs de elektriciteitsmasten, oliepijpleidingen en grote, ronde opslagtanks. Even denk ik met heimwee terug aan IJsland, waar je uit de bus kon stappen en je je meteen in de ruige natuur bevond. Waar is hier de wildernis gebleven? Het uitzicht aan de rechterkant van de weg is beter. Daar rijst de Kokkenfjeldet op, een indrukwekkende rotswand met grijze en bleekroze kleuren. Een enorm rotsblok aan de voet van de wand is beschilderd, maar onverlaten hebben een vuurtje gestookt en de tekening van een muskusos is deels zwart. De weg klimt iets langs een vangrail van vrolijk gele olietonnen met een ijzeren kabel ertussen en bij een picknickbank heb ik een mooi uitzicht over de Kangerlusssuaqfjord. Het vliegveld ligt aan het eind ervan en het is laagwater. Diepe geulen wringen zich door de modder, terwijl in de verte melkblauw water stroomt. Het is een behoorlijk eind over die weg en niet de mooiste route die ik ooit gelopen heb. Rotsen zijn besmeurd met graffiti, namen, jaartallen en hartjes. Tja, bij gebrek aan bomen moet je je liefde blijkbaar ergens anders op uitschreeuwen. Want bomen, die zijn hier niet. Tenminste, niet de ranke stammen met een kroon van groen die wij als bomen zouden herkennen. Struiken zijn er wel en vogels ook. Ik hoop voor de komende dagen op iets groters. Een muskusos of rendier. Een poolvos, als ik geluk heb. Zo af en toe is er een meertje langs de weg, met wit wolgras langs de oever. Maar geen eenden of andere watervogels. Ondanks dat deze weg amper ergens heengaat, rijden er nog wel auto’s. Een politiewagen komt met een noodgang voorbij, een taxi haalt iemand op en een vreemd, geel werkvoertuig met een grote sneeuwschuiver eronder hobbelt me tegemoet. Een sneeuwschuiver? Dan herinner ik me van IJsland dat je die ook kunt gebruiken om een onverharde weg te egaliseren. En inderdaad, als ik bij de afslag naar Kelly Ville kom, ligt de weg er keurig bij. Ik draai de wind de rug toe en als het zonnetje ook nog doorkomt, wordt het waarachtig nog warm ook. De brede, onverharde weg waarover ik verder wandel, voelt meteen een stuk leuker. Uitzicht op bergen, meertje erbij. Prachtig, toch? Het eerste wat ik zie van Kelly Ville zijn dichtgetimmerde prefab cabines. Er moeten zelfs kindereren hebben gewoond, want vanaf een stapel pallets buigt een glijbaan zich sierlijk naar de grond. Kelly Ville, dat nooit meer dan een handje inwoners kent, staat grotendeels leeg. De wetenschappers die de ionisatie in de atmosfeer bestuderen hebben hun koffers gepakt en zijn vertrokken. Het project wordt geëvalueerd, stond op een briefje in de supermarkt. Alleen bij de grote satellietschotel staat nog een gebouw met twee auto’s. Ik loop er voorbij en volg al bijna de zandweg omhoog als ik op de vier grote betonblokken van een verdwenen communicatiemast een cairn zie. Het zijn niet meer dan een handjevol stenen, maar even duidelijk als een ANWB-bord. Even verderop zie ik de eerste officiële cairn met de rode halve maan van Groenland, zij het nog zonder de beloofde rendiergeweien. Ik volg een quadtrack naar een meer in de diepte. Ik loop het voorbij, de plassen in de track vermijdend. Ik ben alleen, maar in de modder zie ik voetsporen en het omgebogen gras wijst me de weg om diepe modder heen. Hierdoor voel ik me verbonden met de ruim duizend wandelaars die dit pad jaarlijks lopen. Op een heuvel zie ik beneden me opnieuw twee meren, door een dunne reep land van elkaar gescheiden. Het eerste is naamloos, maar bij Hudeso staat de hut, die ik nu nog niet kan zien. Ik volg het pad naar het water, waar de wind wit schuim heeft opgezweept. Vlak onder een heuvel verdwijnt de track, maar ik heb dan allang een antenne gezien die de locatie van de hut verraadt. Door de vegetatie loop ik ernaar toe. Het is een allegaartje van huisvlijt en creativiteit. Ooit begonnen als caravan en met verschillende aanbouwtjes tot een behoorlijke hut uitgebreid. Het interieur is sjofel en het tapijt tot op de draad versleten, maar de stapelbedden zijn lang genoeg en de matrassen comfortabel. Wandelaars hebben van alles achtergelaten. Nog halfvolle gastankjes, spaghetti en zelfs een calorierijke outdoormaaltijd die me even in de verleiding brengt. Maar mijn eigen rugzak is al zwaar genoeg en wordt het snelst lichter door mijn eigen voorraad aan te spreken. Bovendien komt er misschien nog eens iemand langs die er echt om verlegen zit. Ik heb in het vliegtuig nog warm gegeten en ga zonder nog te koken snel naar bed. Volgens de Groenlandse klok is het pas 17.00 uur, maar mijn biologische klok staat nog op de Europatijd en mijn lijf gelooft niet in het vroege uur.

 

Dag 2 – Hudeso – Katiffik – 20 km

De wind is gaan liggen en als ik de hut uitstap, weet ik dat ik er goed aan heb gedaan pas eind augustus naar Groenland te trekken: geen midges te bekennen. De vroege ochtendzon boven Hudeso is prachtig en ik verheug me erop dit avontuur te beginnen. Ik volg een paadje naar de oever van het meer, waar een witte boot in het zand ligt. Het pad gaat niet verder en ik richt me op een kleine cairn niet veel verderop. Dwars door de lage struikjes koers ik erop af. Even later vind ik het echte pad weer terug en volg het door de kuithoge struiken, die gelukkig geen dauw hebben vastgehouden. Veel langer dan ik op basis van de kaart had verwacht rond ik de oever van Hudeso, tot ik een kleine landtong oversteek en na een laatste blik het meer achter me laat. Meteen al koers ik op het volgende meer af, Limnaeso. In de verte zie ik een paar witte stippen bewegen. Ik hoop op poolvossen, maar wanneer ik ze door de zoomlens van mijn camera bekijk, zijn het poolhazen. Nogal een onhandige schutkleur, zo felwit. Ik zag ze op honderd meter afstand. In de sneeuw vallen ze niet op, maar tot die valt, lopen ze elke dag gevaar.

Het is een dag van meren, de ene na de andere komt voorbij. Tussen de meren is er laag struikgewas en af en toe wat sompige grond vol modderplassen. Soms wijkt het pad behoorlijk ver van de cairns, wandelaars met hun voeten hun mening gevend over de makkelijkste route. In de verte verschijnt een serie smalle heuvels, als de bulten van een kameel. Het is helder en ik kan heerlijk ver kijken. Het valt me ook op hoe volkomen stil het is. Op een enkel vliegtuig na hoor ik niet het minste geluid. Zelfs mijn ademhaling klinkt me luid in de oren. Rond half elf dwing ik mezelf even te pauzeren en weer rond lunchtijd. Dan daal ik af naar een smalle reep land tussen twee meren. Een stroompje verbindt ze en ik steek het over zonder dat mijn zolen nat worden. In de zomer is het water kniediep, iets wat ik me nu amper voor kan stellen. Ik beklim een heuvel en zie in de verte voor het eerst wandelaars. Wanneer ik dichterbij kom, hebben ze hun rugzakken afgedaan en zijn op een rots gaan zitten net een prachtig uitzicht over Qarlissuit, een langgerekt en sierlijk meer omringd door heuvels. De wandelaars zijn twee Duitsers, vader en zoon en ze vertellen de Katiffikhut te hebben schoongemaakt. Ook hebben ze rendieren gezien en een valk op zijn prooi die ze tot op zes meter konden naderen. Dat belooft wat voor de komende dagen. Als ik eens zoveel geluk mocht hebben! Na een kort praatje ga ik verder. De route daalt af naar Qarlissuit en trekt dan de heuvels in naar het volgende meer, Amitsorsuaq. Wanneer ik hoger klim, zie ik meerdere paadjes langs de oever. Ik heb inmiddels geleerd dat ze meestal wel weer ergens bij elkaar komen. Op de top van een heuvel raak ik het pad kwijt. Wat lager zie ik weer sporen en ik daal af tot ik ze bereik. Ik weet welke kant ik op moet en koers af op het meer. De hut verschijnt een eindje naar rechts en ik realiseer me dat ik linksom een heuvel heb genomen waar dat rechtsom had gemoeten. Gelukkig is het niet ver meer. De hut is een klein, rood gebouwtje met een slaapplank waarop twee matrassen liggen, met plek voor een derde. Ook in deze hut is het nodige achtergelaten. Pasta, zongedroogde tomaten, lucifers… Ik vind zelfs een prachtig getailleerd Zweeds vest waarvan de rits vast  lijkt te zijn gelopen. Na wat gepriegel krijg ik de rits los en blijkt er niets mee aan de hand. Ik laat een stuk of wat oude oplaadbare batterijen achter waarvan ik er veel te veel heb meegenomen. Ik heb mijn gps nog niet één keer nodig gehad en als de markering de hele weg zo goed is als deze eerste echte wandeldag, dan blijft dat ook zo. De batterijen zijn zwaar en ik ruil het nutteloze gewicht graag in voor dat heerlijk warme vest. Op een wankel bankje met uitzicht op het water geniet ik van de zon. Niet veel later hoor ik stemmen. Twee Fransen lopen langs de oever en zetten iets voor de hut hun tent op. Over het water komt een kano aanzetten met nog twee wandelaars erin. Ze leggen aan op een zandstrandje en lopen de hut voorbij richting Hudeso. Ik zou morgen hun kano kunnen gebruiken voor de etappe van 20 km naar het Kanocentrum, een mislukte toeristische onderneming waarvan het gebouw nog in gebruik is als trekkershut. Her en der langs het meer zwerven er nog wat Canadese kano’s rond, vooral gebruikt door wandelaars op weg naar of van het Kanocentrum. Maar nee, ik ben een wandelaar en speel niet vals. Lopen zal ik en met plezier. Even twijfel ik of ik niet ook mijn tentje zal opzetten, maar de comfort van een echt matras wint het van de charme en het knusse thuisgevoel van mijn tent.

 

Dag 3 Katiffikhut – Kanocentrum 20 km

 

De zon verlicht de bergtoppen als ik op pad ga. Ik loop de tenten van de andere wandelaars voorbij, die net bezig zijn thee te zetten. Na het strandje, waar de zilveren kano omgekeerd in het zand ligt, pak ik de route weer op. Deze hele dag loopt de weg langs Amitsorsuaq en het is een makkelijk, smal pad dat voortdurend langs de oever golft en slingert. Bij een puinhelling stap ik bijna het water in om de rotsen te vermijden. Bij de volgende puinhelling verdwijnt het pad tussen de rotsen. Pas wanneer ik een paar passen hoger zet, vind ik het terug en het blijven fragmenten. Korte stukjes aarde met voetafdrukken tussen de grijze rotsen en lage wilgen. Het is puzzelen en passen, maar uiteindelijk gaat ook dit voorbij en wordt het pad weer het makkelijke spoor waarmee ik begon. Hoog boven me zie ik op een helling iets bewegen. Het is te groot voor een poolhaas en door mijn zoomlens zie ik de witte kont van een rendier. Helaas te ver weg om foto’s te maken, maar ik heb hem dan toch maar mooi gezien. Ik loop verder en houd na twee uur pauze om mijn lies te ontzien. Aan de andere oever zie ik een eiland en volgens de kaart betekent het dat ik bijna halverwege ben. Toch duurt het nog bijna anderhalf uur voor ik het eiland langs de buitenbocht van het meer ben gepasseerd. Het landschap is weinig gevarieerd, maar ik kijk met plezier naar de rotsen aan de overkant, waar de aardlagen schuin doorheen kronkelen. Dan zie ik een onmogelijk hoge cairn en ik ben er zo op gefocust dat ik bijna het rendier over het hoofd zie dat er in de buurt kuiert. Hij ziet mij eerder dan ik hem, maar rent niet heel ver weg. Het is een jong mannetje, zie ik als ik een foto maak. Zijn gewei bestaat uit twee lange stangen zonder punten. Even verderop zie ik er nog twee, iets oudere heren van wie het gewei verder ontwikkeld is. Poolvossen moeten hier ook meer dan genoeg zitten, maar het enige wat ik daarvan zie zijn de uitwerpselen waarmee ze hun territorium markeren. De lucht betrekt iets en ik begin moe te worden. Dan beklim ik een laatste heuvel en zie in de verte het rode kanocentrum. De route daalt af tot aan een steenstrandje, een pad dat alleen bij laagwater gelopen kan worden. Waar de hoogwaterroute is, maakt me voor nu even niet uit. Ik overbrug de laatste meters en ben blij dat ik mijn rugzak af kan doen. De hut is behoorlijk groot en dat is maar goed ook, want liefst twee groepen Duitsers en een solowandelaar, ook uit Duitsland, hebben er hun intrek genomen. En later komen er nog twee Duitse vrouwen binnen. Gelukkig is er meer dan genoeg plek en ik installeer me op het onderste bed van een stapelbed.

 

Dag 4 Kanocentrum – Ikkattooqhut 22 km

 

Nog slaperig luister ik naar het tikken van de regen op het raam. Hmmm… Dat belooft niet veel goeds voor vandaag. Na het ontbijt vraag ik met mijn GPS de weersverwachting op. Na negen uur moet het beter worden, krijg ik door en deel het nieuws met de andere wandelaars, die nog twijfelen wat ze vandaag zullen doen. Terwijl we wachten of het weer inderdaad opknapt, zien we door het raam drie rendieren. Ze schrikken ergens van en hollen gauw weer de heuvels in. Thomas, de Duitse solowandelaar, besluit een rustdag in te lassen. De twee groepen eveneens. De Duitse vrouwen blijken zussen te zijn, Anne en Marijke en maken zich klaar voor vertrek. Iets voor negen uur vind ik dat het iets lichter is geworden en ga ik op pad. Het miezert wat, maar ik ben goed ingepakt en er heb geen last van. Er staat nauwelijks wind, waardoor de gevoelstemperatuur nog best aangenaam is. Ik volg de route verder langs de oever van de Amitsorsuaq. Het pad klimt iets over een helling waar een modderstroom de vegetatie lijkt te hebben weggevaagd. Even verderop is duidelijk brand geweest. Tussen de grijze stenen zie ik alleen de zwartgeblakerde lijkjes van het struikgewas. Ik herinner me het gastenboek van het Kanocentrum waarin verschillende wandelaars hun zorgen uitspraken over de rook die ze tegemoet liepen en vraag me af hoe ze het hebben gered. Wanneer ik om een inham heenloop zie ik in het water een ijsduiker. Even later zie ik een vrouwtje met twee jongen, haar melancholieke roep schalt over het water. Ik passeer het eind van het meer, waar een groot houten rek een omgekeerde kano draagt, de peddels en reddingsvesten eronder. Wandelaars op weg naar het Kanocentrum die het laatste stuk niet willen lopen, hebben geluk.

Volgens het boekje moeten we een rivier volgen die aan het meer ontspringt. Aanvankelijk zie ik geen rivier en wanneer ik het watertje heb gevonden, zie ik een cairn aan de andere kant ervan. Dan herinner ik me dat de route officieel de rivier eerst oversteekt en later weer teruggaat naar de andere kant. De wandelaars hebben, eigenwijs en verstandig, een pad langs de linkeroever gemaakt en ook ik blijf daar. Het gebied is vrij moerassig, het pad verdwijnt soms in een langwerpige plas om aan de andere kant weer te verschijnen. Het is aan de wandelaar zelf om van pol naar pol te springen en de droogste, of de minst natte route naar de overkant te vinden. Binnen de kortste keren zijn mijn schoenen doorweekt en ik ben naar wat blij met mijn waterdichte sokken, die mijn voeten ook onder deze omstandigheden warm en comfortabel houden. De route slingert door een vallei en door de regen komen de kleuren van het gewas tot leven. Het groen oogt frisser, het tere rood brengt de herfst in herinnering en de dramatische wolkenluchten erboven maken het plaatje af. Een nieuw meer verschijnt, Kangerluatsiarsuaq, samen met een prachtig uitzicht op de uitlopers van de bergen die als vingers in het water grijpen. Ondanks de miezerregen kan ik het niet laten om foto’s te maken en ik maak er zelfs meer dan de eerste drie dagen bijelkaar. De route is vandaag veel afwisselender en ik heb het prima naar mijn zin. Het meer lijkt dichtbij, maar daar trap ik niet meer in. Ik loop rustig verder en stop niet om te lunchen. Ondanks mijn drie laagjes heb ik het net warm genoeg om het niet koud te hebben en nu stoppen is vragen om problemen. Gelukkig heb ik een pakje fruitkeks in mijn jaszak en al lopend knabbel ik de koekjes weg. De route komt niet in de buurt van het water, in plaats daarvan loop ik verder naar een lage pas en daal dan af naar een zandstrandje waar het in de zomer vast heerlijk toeven is. Nu loop ik er aan voorbij, steek een vallei over en begin te klimmen. Behoorlijk steil ook. Gelukkig hebben wandelaars met hun voetsporen een trappetje uitgesleten en met mijn trekking poles hijs ik mezelf omhoog. Eenmaal boven is er een klein stukje vlakke grond voor ik aan de volgende klim begin. Het is niet duidelijk of dit de tweede of derde klim is waar Paddy Dillon het in zijn routebeschrijving over heeft, maar wanneer ik na een topje afdaal, bekijk ik de nieuwe klim als een bokser die de kracht van van zijn tegenstander inschat. Ja, dit kan ik. Ik ben nu hoog boven de fjord in de bergen en ik vind het heerlijk. Hier voel ik me thuis, laagland en moeras zijn niets voor mij. Het contrast tussen de grijze steen en de kleurrijke struikjes geven het landschap net dat beetje extra. De grillig gevormde meren, het uitzicht op de fjord met zijn schiereilanden en mistige verten, een spontaan beekje dat het pad heeft overstroomd. Ik geniet. Ik voel me levend, meer dan de eerste drie dagen. Hiervoor ben ik naar Groenland gekomen. En plotseling ben ik ook trots op mezelf. Juist doordat het zwaar is, is het een uitdaging. Ik ben geen mooiweerloper, zoals de Duitsers in het Kanocentrum. Regen heeft zijn eigen schoonheid.

Toch begin ik ook wel uit te kijken naar de hut. Bij elke cairn verwacht ik hem te zien, maar de volgende cairn is telkens weer een stukje verder en dat kan er nog wel bij. Ik begin trek te krijgen, maar heb geen zin om mijn rugzak af te doen en hoewel ik de rits van het bovenste vak wel open krijg, kan ik op gevoel het tweede pakje fruitkeks niet vinden. Door ga ik, pad na pad, topje na topje, steeds verder. Dan, eindelijk, zie ik in de verte een rood hutje, bedrieglijk klein. Het duurt nog een half uur voor ik erbij in de buurt ben en allengs wordt het gebouwtje groter. Eenmaal binnen doe ik eerst mijn rugzak af en werk dan snel de fruitkeks naar binnen. Nadat ook Anne en Marijke zijn gearriveerd, begint het te sneeuwen.

 

Dag 5 Ikkattooqhut – Eqalugaarniarfikhut 11 km

 

De bergen om ons heen zijn bedekt met een dunne laag sneeuw en het is prachtig. De diepe stilte benadrukt de schoonheid ervan en als de zon is opgekomen, heb ik de eerste foto’s al gemaakt voor ik zelfs maar mijn rugzak heb omgehangen. Terwijl Anne en Marijke nog aan het inpakken zijn, ga ik al op stap. Ondanks de sneeuw blijft het pad goed zichtbaar, al ben ik me ervan bewust dat het hier en daar glad kan zijn. Dat valt in het begin mee. Met de route klim ik nog iets hoger de bergen in en de kale rotsen geven mijn zolen stevige houvast. De cairns zijn hier talrijk, maar hoewel het nog licht sneeuwt en de wolken de toppen van de bergen raken, is het eronder helder en heb ik geen moeite de route te volgen. Het pad slingert langs meertjes en over toppen. De sneeuw niet lijkt te smelten, toch stroomt er flink wat water over het pad naar beneden. Ik realiseer me dat de rivier die ik straks moet oversteken wel eens meer dan knie-diep kan zijn. Na de nodige klimmetjes en afdalingen vang ik in de verre een glimp op van de vallei waar de Itinneq doorheen kronkelt. Het is een prachtig gezicht, de roodbruine struikjes, de bergen in de verte die naar elkaar reiken en de rivier als een smal lint naar de horizon. Maar eerst moet ik er nog komen. Over de afdaling hoef ik me in ieder geval geen zorgen te maken. Over een serie plateaus ga ik heel geleidelijk naar beneden en het is nergens heel technisch of uitdagend. Slechts één keer glijd ik uit in de modder, gelukkig zonder ernstige gevolgen. Ik daal onder de sneeuwgrens en verruil het witte landschap voor het veenmoeras, waar soms een pad is en soms alleen naar plassen waarover ik zelf een weg zoek van pol naar pol. Binnen de kortste keren zijn mijn schoenen weer doorweekt en zelfs mijn waterdichte sokken beginnen klam aan te voelen. Ik ben blij dat het vandaag een korte etappe is, zodat ik ze straks bij de hut kan laten drogen. Het pad voert me de vlakte over, waar ik een bordje tegenkom dat de weg wijst naar een brug. Gelukkig heb ik na IJsland geen moeite meer met het oversteken van rivieren en kan ik mezelf de martelgang naar de brug besparen. De brug zelf is het enige makkelijke aan die optie, er is geen pad naartoe en ook geen pad terug naar de route Ook zijn er geen markeringen en moet je op basis van de routebeschrijving een weg vinden door het moeras. Nee, dank je. Dan liever natte voeten. Ik volg het pad verder naar de rivier, die in het midden behoorlijk hard stroomt. Maar hij lijkt niet al te diep te zijn en ik rol mijn broekspijpen op tot boven mijn knieën. Schoenen uit, sandalen aan, camera in zijn drybag en gaan. Het water is koud, maar het gaat prima tot ik vlakbij de andere oever ben. Daar wordt het opeens flink dieper. Nu ja, ik moet er toch doorheen. Ik waad naar de oever en word nat tot aan mijn kruis. Oeps! Gelukkig is het een sneldrogende wandelbroek en de zon doet dappere pogingen om door te breken. Dat komt wel goed. Ik ga verder langs de bergwand die de vallei begrenst, waar soms een pad is en vaak ook niet. Er lijkt een tweede, breder pad te zijn, een oud karrespoor misschien. Hoewel het begroeid is, is het vrij breed en recht en af en toe zie ik sporen in de klei die op de glij-ijzers van een slede zouden kunnen wijzen. Langzaam begint de route te klimmen en ik klim langzaam mee. Voor ik de route naar rechts volg, geniet ik eerst van het uitzicht op de Maligiaqfjord. Een paar zigzaggende rivieren en dan breed en open water omringd door hoge bergen. Wat een plaatje! Met enige moeite ruk ik me ervan los en volg het pad verder om een heuvel heen. Daar verschijnt de vertrouwde rode kleur van een hut, Eqalugaarniarfik. De hut staat pal in de zon en kijkt uit over de fjord. Een uitzicht waar je in andere landen flink voor zou moeten betalen en ik mag hier helemaal voor niets van genieten. Wat bof ik met deze prachtige hut op deze geweldige plek! De zon is nu goed doorgekomen en ik droog mijn schoenen en sokken op de trap en, maak het me gemakkelijk op de traptreden. Uit de wind, in de zon, heerlijk. Op het water van de fjord verschijnen bootjes. Drie verdwijnen er achter een berg en eentje blijft er midden op het water. Misschien om te vissen? Ik veeg de vloer van de hut en vervang de strontzak in het toilet door een lege en keer terug naar de zon. De volgende etappe is negentien kilometer en hoewel mijn rugzak lichter is dan op dag 1, is 30 kilometer op één dag teveel van het goede. Bovendien is het wel eens lekker om rustig aan te doen. Terwijl ik uitkijk over de fjord verschijnen er twee snelle boten die de Itinneq op lijken te gaan. Apart. Even later komen Anne en Marijke aan. Ze wilden oorspronkelijk deze hut voorbij lopen en halverwege de volgende etappe kamperen, maar doen het net als ik rustig aan vandaag. En het wordt nog drukker. Eerst verschijnt er een quad met drie rendierjagers uit Sisimiut die voor de hut hun tent opzetten en later nog  drie Duitse wandelaars die vanochtend vroeg in het kanocentrum zijn begonnen. Het past net, maar de hut wordt wel lekker knus.

 

Dag 6 Eqalugaarniarfikhut – Innajuattoqhut II 19 km

 

De drie Duitse wandelaars gaan het eerst op pad. Hun planning is vrij krap en ze lopen dubbele etappes om het vliegtuig van Sisimiut naar Kangerlusssuaq te halen. Achteraf hebben ze spijt dat ze niet wat extra dagen hebben om de ijskap te zien. De rendierjagers slingeren kort daarna hun quad aan. Ze hebben gisteren een stier gevangen, maar hebben meer nodig voor een succesvolle jacht. Wanneer ik mijn rugzak omhijs, zie ik hun quad tegen de berg opkruipen. Ik volg een paadje richting een cairn met de inmiddels vertrouwde rode halve maan. Als het pad de cairn voorbij lijkt te gaan, denk ik dat ik me heb vergist en sla even terug een ander pad in, hoewel ik ondertussen toch zou moeten weten dat het pad soms niets met de locatie van een cairn van doen heeft. Het pad dat ik volg loopt dood in de lage struiken. Ik richt me op een verre cairn en loop er dwars door de vegetatie naartoe. Daarvoor moet ik nog wel een riviertje oversteken, maar dat gaat gelukkig met stapstenen. Eenmaal bij de cairn zie ik op een verre heuvel een tweede, met de vage contouren van een pad erlangs. Dwars door de struiken trek ik verder, tot ik het quadtrack bereik en eenvoudig verder kan lopen. Hoewel het pad overwegend dezelfde richting volgt als het quadtrack verlaten we het brede spoor zo vaak mogelijk. De klim omhoog is pittig en ik voel hem in mijn kuiten. Maar de beloning is overal om mij heen, in het prachtige landschap, de plassen met wolgras, de stoere bergwanden met daarachter besneeuwde toppen. Niet voor de laatste keer prijs ik mezelf gelukkig dat ik hier mag zijn en dit mag beleven. Wanneer ik de top bereik, heb ik een geweldig uitzicht over een fjord met zijn sierlijk uitstekende schiereilandjes. Misschien daardoor let ik niet goed op en volg een pad naar beneden terwijl ik op de bergkam had moeten blijven. Het pad verdwijnt als ik een meer nader en ik besluit terug te gaan naar de laatste cairn. Als ik de voet van de bergkam bereik en de volgende cairn tegen de grijze hemel zie afsteken, merk ik dat ik zeker niet de enige ben die deze fout heeft gemaakt. Vanaf het foute pad leidt een subtiel, door de sneeuw geaccentueerd zijpaadje rechtstreeks naar de cairn. Ik klim omhoog en tref daar weer het brede en trefzekere pad van de Arctic Circle trail. De volgende cairn lonkt en ik vervolg mijn weg door de bergen en de sneeuw die het pad steeds meer bedekt. Dat heeft één voordeel: nu zie ik niet alleen de uitwerpselen van een poolvos, maar ook de pootafdrukken. Het beestje zelf blijft echter nog onvindbaar, hoewel ik de hoop niet opgeef er nog een te zien. Een serie sierlijke meren dient zich aan, gekruld om de voet van de Taseeqqap Saqqaa bergketen. De bergen zijn spierwit en ik ben gepast onder de indruk. Wanneer ik iets afdaal, is er een meertje met wolgras en voor de zoveelste keer haal ik mijn camera tevoorschijn. Door mijn omweg hebben Anne en Marijke me bijna ingehaald en pas wanneer ik Anne’s gebabbel hoor echoën tegen de rotswanden besef ik hoezeer ik de stilte waardeer en nodig heb. Hoezeer eenzaamheid deel van mij uitmaakt en zijn weerklank in mij vindt. Ik las een pauze in en laat de vrouwen passeren. Maar het is te koud om lang stil te zitten en wanneer de vrouwen stipjes in de verte zijn, ga ik ze achterna. De route daalt af naar een enorm meer waar het langs de oever loopt, soms pal aan het water en soms iets erboven. Ik zie dat Anne en Marijke nu zelf rust houden en wanneer ik ze nader krijgen ze gezelschap van een jager op zoek naar rendieren. Ik blijf kort staan voor een praatje. Hij heeft de natuur zien veranderen door de komst van toeristen, vertelt de man. Waar de rendieren vroeger beneden in het dal waren, moet hij nu meer moeite doen om ze te vinden. Maar hij biedt zelf trektochten met sledehonden aan, waarvan ik het affiche in diverse hutten hen zien hangen, dus het is niet allemaal verkeerd. Met verontwaardiging vertelt hij over het plan van de Groenlandse overheid om van de Arctic Circle trail een quadtrack te maken. Het is een van de redenen dat ik het pad zo snel mogelijk wilde lopen, voor de ongerepte natuur wordt verpest en de stilte wordt verscheurd door optrekkende motoren. Het plan is er nog niet door, maar ligt nog steeds op tafel. Mijn voeten houden het stilstaan niet lang vol en ik ga verder. Het pad kruist twee beekjes die over de rotsen omlaag tuimelen en ik steek ze via stapstenen over. Het meer is enorm en ik blijf de oever volgen, hoewel twee vage paden omhoog schieten naar een heuvel die met een cairn is getooid. Volgens mijn gids is dat de officiële route, maar is er geen pad dat de cairns met elkaar verbindt. Ik vind dat ik wel genoeg heb geklommen en bovendien is de weerspiegeling van de steile bergwanden in het water een traktatie op zich. Wanneer ik het eind van het meer bereik, is dat het begin van een rivier die zich aanvankelijk tussen nauwe rotsige oevers doorworstelt en zich daarna breed uitspreidt tussen groene kluiten mos. Hier lijkt het me prima om even te pauzeren en ik heb mijn rugzak nog naar net afgedaan of ik zie een rendier de rivier oversteken. Wat mooi! Er zijn helaas net teveel vliegjes om ontspannen van de zon te genieten en algauw hijs ik mijn rugzak weer om. Voor de rivier de fjord bereikt, stroomt hij eerst in een nieuw meer en ook om dit meer Ieidt de route heen. Het is een groot, moerassig gebied zonder cairns en de route volgen is lastig. Het pad verdwijnt even vaak als het verschijnt en alleen doordat ik de grond goed kan lezen en de vaagste buiging van goudgeel gras als pad herken, blijf ik op de goede weg. Het is zwaar en vermoeiend en de vliegen maken het er niet fijner op. Ik voel met mijn trekking poles waar de grond nog enigszins stabiel is, maar soms vergis ik me en zakt mijn schoen tot over de enkel weg in de turf. Het pad zwerft als een dronkeman door het moeras en gaat naar heel langzaam richting het eind van het meer. Uiteindelijk bereikt het aarzelend de voet van een heuvel en klimt dan iets, zodat ik voor de verandering eens droge voeten kan houden. Wanneer ik de heuvel rond zie ik in de verte een bolle heuvel met links een rood huisje erop. De cairns geven een pad aan dat naar de rechterkant van de heuvel zwaait. Ik volg de cairns, want aan de andere zijde van de bolle heuvel is een tweede, ruimere hut die zo fraai is dat hij door Paddy zeer wordt aanbevolen. En inderdaad, het rode huis aan de oever van een meer, met uitzicht op grijze en witte bergen, kan niet fraaier zijn. Ik claim een van de tien bedden en diep mijn hoofdnet op uit mijn rugzak. Dan maak ik het me voor de hut gemakkelijk in de zon. Door het muskietennet kan ik niet goed genoeg zien om een reisverslag te schrijven of om de foto’s van vandaag te bekijken. Ik kan alleen maar zitten en genieten van de warmte op mijn gezicht. Nietsdoen. Ik moet het nog leren. Maar voor even is het wel fijn.

 

Dag 7 Innajuattoqhut II – Nerumaqhut 16 km

 

Een rivieroversteek is een leuke manier om de dag te beginnen. Het water staat laag en het lijkt erop dat ik de overkant kan halen zonder mijn schoenen uit te doen. Toch is het even puzzelen welke rotsen geschikt zijn om als stapstenen te gebruiken. Van tevoren is het niet te zien welke los liggen en soms is een steen net onder het wateroppervlak beter dan een steen erboven. Met mijn trekking poles als extra ondersteuning gaat het prima en halverwege stop ik zelfs even om een foto te maken van de schittering van de ochtendzon op het water. Eenmaal veilig aan de overkant volg ik het pad langs de oever van het prachtige meer, dat zo op de voorkant van een reclamebrochure voor Groenland kan. Het pad voert door lage wilgen, die mijn broekspijpen geselen alsof ze ervoor betaald krijgen. De zon is doorgekomen en het is windstil, wat betekent dat de vliegen feestvieren. Het zijn geen midges, die als missie lijken te hebben zoveel mogelijk in je neus en oren te kruipen, maar lang voordat ik het eind van het meer bereik, heb ik er al schoon genoeg van. Het pad is goed te volgen, hoewel het soms lastig te vinden is als je er eenmaal vanaf bent geraakt. Dankzij de cairns vind ik het pad steeds weer terug en geleidelijk aan stijgt het tot waar een fris windje waait, waarvan het de belangrijkste verdienste is dat het de vliegen aan de grond houdt. Eenmaal boven heb ik een geweldig uitzicht op een keten aan onverbiddelijk witte toppen, Nerumaq. Ze zijn oogverblindend mooi in het zonlicht en ik kan niet ophouden ernaar te kijken. Ik passeer een aantal meren die het plaatje extra glans geven en bij een ervan graast een rendier. Hoewel hij me ziet, vlucht het dier niet. Dit is een stier vol zelfvertrouwen, in de kracht van zijn leven, die straks tijdens de bronst om een harem gaat strijden. Zijn veelpuntig bastgewei begint al te schuren. Lange, bloederige vellen huid hangen omlaag. Het irriteert hem duidelijk, want met zijn hoef probeert hij de resterende huid van zijn gewei te schrapen. Nadat ik een paar foto’s heb gemaakt, ga ik tevreden verder, het dier grazend achterlatend voor Anne en Marijke. Het pad is over het algemeen goed begaanbaar, al zijn er een paar puinhellingen waar ik van rotsblok naar rotsblok stap. Even verderop zie ik iets bewegen en ik vermoed een tweede rendier, hoewel het te ver weg is om met zekerheid te kunnen zeggen. Voorzichtig ga ik verder, ervoor zorgend dat mijn trekkingpoles niet tegen de rotsen schrapen. Ik kom bij een splitsing die Anne me gisteren liet zien en die niet in mijn routebeschrijving staat. De cairns gaan omlaag, de vallei in, maar er gaat ook een pad iets omhoog om de vallei bovenlangs te volgen. Ik ga een stukje het bovenste pad op, omdat het me dichterbij het rendier brengt. Nu kan ik zien dat het om een stier gaat, een spitser, als je de terminologie van edelherten ook op rendieren kunt toepassen. Hij is nog onzeker van zichzelf en rent nu eens deze en dan weer de andere kant op. Ik maak een paar goede foto’s en daal dan af naar het lage pad. Ik heb de hoge route niet in mijn GPS of in de routebeschrijving en zou me de hele weg zorgen maken over waar het weer aansluit op het juiste pad. Ontspannen is voor mij juist niet al te veel hoeven nadenken over de route en onbelemmerd genieten van de omgeving. Daarom volg ik de cairns naar beneden. Voor het uitzicht maakt het waarschijnlijk niet veel uit. Het verschil tussen hoog en iets hoger is tenslotte niet zo heel groot. Meteen wordt mijn keuze voor de lage route beloond. Voor het eerst zie ik een hinde met kalf, die snel voor me vluchten, dieper de vallei in. Wat jammer toch, dat dieren de mens als gevaar beschouwen en bang voor ons zijn. Hoe terecht ook, ik zie liever de Disneyversie waar mens en dier vredig samenleven. Zo in gedachten kom ik bij een moerasgebied vol plassen en ik begrijp waarom de hoge route is uitgevonden. Maar het is veel te leuk om van graspol naar graspol te springen en ik had dit niet willen missen.

Op een heuvel in de verte zie ik iets waarvan ik denk dat het een mens is. Die felle kleur rood kan niet natuurlijk zijn. Precies bij een beek ontmoet ik Kristen uit de Verenigde Staten. We praten wat en ik vertel haar van mijn waterdichte sokken en de pracht van Landmannalaugar. Kristen vertelt over een 73-jarige Duitser die een petitie is begonnen tegen het onzalige plan van de Arctic Circle trail een quadtrack te maken. Hij loopt de route richting Kangerlusssuaq, dus ik ga hem nog zeker tegenkomen. Mijn steun heeft hij alvast.

We nemen afscheid en ik ga verder over de bodem van de vallei, langs een aantrekkelijk meanderende rivier en door meer laag struikgewas. Het eind komt in zicht waar de vallei naar rechts draait. Een bijzonder contrast, de zonbeschenen, uitbundig begroeide helling aan mijn rechterhand en de sombere, mossige helling links. Ik loop verder, want als altijd ben ik nieuwsgierig wat er om de bocht te zien is. Het is als het doek van een toneelstuk dat langzaam opengaat. Zo onthult de vallei nieuwe besneeuwde pieken in de verte en al heel snel een kleine rode hut waar vier Denen een rustdag houden. Er passen zeven mensen in de hut, maar met de vier die er nu zijn is de lucht al benauwd en ik besluit voor het eerst mijn tent op te zetten. Die heb ik tenslotte niet voor niets meegenomen. Eenmaal opgezet heb ik het mooiste uitzicht dat ik ooit vanachter het gaas heb gehad. Omdat de afstand vandaag maar kort is, is het nog aardig vroeg en ik besteed een aangenaam uur aan het plukken van bosbessen om mijn avondeten op te vrolijken.

 

Dag 8 Nerumaqhut – Kangerluarsuk Tulleqhut 17 km

 

Opstaan is in een tent veel moeilijker dan in een hut. Niet alleen is een tent lekker knus, het verschil tussen de temperatuur in de slaapzak en die erbuiten is veel groter. Uiteindelijk sleur ik mezelf overeind, maar pas nadat ik de Denen op pad heb horen gaan. Wanneer ik mijn tent heb ingepakt, komen ook Anne en Marijke voorbij en niet veel later daal ik af naar de rivier voor mijn eerste oversteek van de dag. De eerste steen is nogal spits en wanneer ik erop probeer te stappen, gaat dat niet helemaal zoals ik in gedachten had. Gelukkig kan ik terug het water instappen zonder mijn evenwicht te verliezen. Ik stap om de steen heen naar een andere, die net onder het wateroppervlak ligt en een paar stenen later ben ik over. Er zijn vandaag geen vliegjes. Het is een stuk koeler dan gisteren en witte wolkenflarden krullen als bevroren golven over de bergen. De besneeuwde toppen van gisteren blijven voor me verborgen achter een lucht die even grijs is als de bergen. De route volgt de kabbelende rivier op zijn weg naar beneden, nu eens door lage wilgenstruiken, dan weer door natte turf en plassen. Waar je oversteekt, hangt af van hoe lang je benen zijn en hoever je springen kunt. Zo hier en daar komt er een waterval langs de bergwand naar beneden en is er een beekje om over te steken, hoewel ik ook droge beddingen tegenkom. Er is een wilgenbos waar de struiken tot boven mijn hoofd komen en ik door een gele tunnel loop, terwijl de takken mijn rugzak proberen te grijpen. Als ik eruit kom, word ik begroet door een stapel zakdoekjes die iemand pal naast het pad heeft laten liggen. Je zou denken dat de Arctic Circle trail alleen wordt gelopen door echte natuurliefhebbers die zich houden aan de erecode van wandelaars: laat niets anders achter dan voetstappen. Maar al dagenlang kom ik regelmatig zakdoekjes en ander afval tegen. Kleine stukken plastic neem ik zoveel mogelijk mee. Natuurlijk, ik heb ook een rol toiletpapier in zijn eigen, kleine drybag, maar als ik het gebruik, graaf ik een ondiepe kuil en bedek de rommel weer, zodat het landschap onaangetast oogt en het papier sneller vergaat. Ik moet denken aan de Inuit-legende van Sanna, de moeder van de zee. Een rivier stroomde door haar huis en omdat ze geen vingers had, kon ze haar huis niet zelf schoonhouden. Wanneer haar huis erg rommelig was geworden, raakten de zeedieren verstrikt in de rommel en waren er dus geen prooien meer voor de Inuit-jagers. De shamaan daalde met hulp van zijn geestbeschermers af naar Sanna’s huis. Hij kamde haar haren en ruimde het huis op, zodat de zee weer vrij kon vloeien en de prooidieren weer vrij konden zwemmen. Het is een eeuwenoude legende, maar zelfs in deze moderne tijd nog heel toepasselijk. We vergeten het misschien soms, in onze moderne, warme huizen, onze aandacht opgeslokt door sociale media, maar we zijn verbonden met de aarde en moeten goed voor haar zorgen.

Algauw loop ik Anne en Marijke achterop en weer besef ik dat ik liever alleen ben in mijn eigen zeepbel van stilte en eenzaamheid. Ik las een korte pauze in en geniet van het landschap dat zich nu ongegeneerd in herfstkleuren hult. Rood, groen en oranje wisselen elkaar af in steeds andere schakeringen en het verveelt nooit. Na een kwartier krijg ik het koud en ga verder. Hoewel ik in de verte nog twee figuurtjes zie lopen, hoor ik ze niet meer. Onder het lopen kijk ik om me heen of ik een poolvos zie. Volgens Kristen passeren we vandaag een heuvel waar er eentje een hol heeft. Maar ja, ik ben omringd door heuvels. Toch houd ik regelmatig stil en onderwerp elke heuvel aan een grondige inspectie voor ik verder ga. De route daalt af naar de rivier waar opnieuw van ons wordt verwacht dat we hem oversteken. Er gaat ook een pad verder langs de oever en ik vraag me af of andere wandelaars verderop overstaken of gewoon de rivier zijn blijven volgen, die we tenslotte straks weer terug moeten over moeten. Met mijn ogen volg ik de rivier naar een steile klif en besluit de oversteek te riskeren. Waar het pad in het water verdwijnt, zie ik een grote rots die de hele breedte van de rivier beslaat. Alleen zitten delen ervan een flink eind onder water. De rivier, aangevuld door de watervallen en beken die ik onderweg zag, is redelijk diep en stroomt snel. Met mijn trekkingpoles zoek ik een weg naar de overkant, maar mijn schoenen worden natter dan ik zou willen. Eenmaal over zijn er meer lage struiken en ik volg het pad omlaag. De rivier heeft een grote bocht gemaakt en strekt zich weer voor me uit. In de diepte zie ik Anne en Marijke oversteken. Even later sta ik aan de voorde, waar de rivier nog wat extra body heeft gekregen. Wederom zijn er stapstenen, maar weer houd ik mijn schoenen net niet helemaal droog. Soppend ga ik verder. Het liefst zou ik even stoppen om mijn sokken uit te wringen, maar inmiddels is het wat warmer geworden en de vliegjes dansen overal om me heen. Zolang ik loop, heb ik er weinig last van, maar zodra ik stop zwermen ze om mijn gezicht. Ik heb ontdekt dat ik een hekel heb aan vliegjes. Algauw wennen mijn vochtige schoenen en merk ik het amper meer.

Op een kale heuvel zie ik de Duitse vrouwen met iemand praten. Als ik ze bereik, blijkt het Frieder te zijn, de 73-jarige Duitser. Hij zit duidelijk op zijn stokpaardje wat betreft de plannen om van de Arctic Circle trail een ATV-weg te maken. Tot in detail vertelt hij over e-mails aan de burgemeester en aangepaste kaarten met de voorgestelde route. Wat ik echt wil weten, krijg ik pas te horen als ik hem onderbreek en ernaar vraag: kan ik iets doen om te helpen? Hij diept uit zijn rugzak een folder op met een website, waar ik informatie kan vinden en een petitie kan tekenen. Of het helpt, weet ik niet, maar ik zal er in ieder geval naar kijken. De vliegjes zijn een plaag en geven me een goed excuus om na een tijdje weer door te lopen. Het is belangrijk dat iemand tegen de plannen van de Groenlandse overheid protesteert, maar ik hoef niet de kleinse details te horen. De Duitse vrouwen ontkomen niet zo makkelijk aan hun landgenoot en maken zich op om hem nog wat langer aan te horen. Terwijl ik verder loop, denk ik na aan de ongerepte natuur die ik de afgelopen dagen heb gezien en de stilte, die zo luid klonk. Als hier daadwerkelijk een weg wordt aangelegd, gaat alles wat dit gebied de moeite waard maakt, verloren. Voor wandelaars en natuurliefhebbers is er dan geen reden meer om naar dit deel van Groenland te komen. Geen spontane ontmoetingen met een rendier, geen hoop meer op een poolvos. Zo jammer dat de overheid zich niet realiseert dat ze juist met de ongerepte natuur een uniek sierraad hebben dat in de rest van de wereld niet makkelijk te vinden of te bereiken is. Zonde dat ze hun landschap niet koesteren en bewaren voor toekomstige generaties. Ik ben blij hier nu te zijn, zolang het nog kan.

De Arctic Circle trail gaat verder en ik ga mee, steeds langs de rivier die vrij meandert en kronkelt, zich af en toe breed uitspreidend over de bodem van de vallei in aantrekkelijke plassen met wolgras en groen mos. Prachtig rode en oranje struikjes. Alsof ik in een Ravensbergerpuzzel ben gedwaald. Het lopen blijft een uitdaging, zoveel moeras en turf, springen en inschatten waar je het best je voeten kunt planten en waarna het pad weer opduikt alsof het nooit is weggeweest. Uiteindelijk mondt de rivier uit in een meer, waar ik soms over smalle strandjes loop, terwijl de golfjes mijn schoenzolen kussen. Voor het eind van het meer beklimt de route een heuvel. Terugkijkend wordt het meer mooier hoe hoger ik kom. De sierlijke bergen er omheen, de nu aardig blauwe lucht, de zon die het landschap een gouden glans geeft. Eenmaal boven bij een cairn raak ik voor het eerst  de route echt kwijt. Ik denk in de verte het pad weer te zien en loop er dwars door de vegetatie op af, maar een pad is het niet. Dan zie ik iets beneden me een cairn en hoewel er inderdaad een paar stenen door mensenhanden op elkaar zijn gestapeld, is er geen spoor van een pad.

Diep beneden me aan de oever van de fjord zie ik een rode hut en verderop, hoog op een heuvel, een tweede. De lage hut is groter, maar ligt twee kilometer van de route af en wordt soms door vissers gebruikt. Ik wil naar de hoge hut en die is te ver weg om dwars door het terrein naar toe te lopen. Niet alleen is dat zwaar, ik wil niet teveel schade toebrengen aan dit kwetsbare landschap. Ik weet dat het pad links van de hut loopt, omdat je na een laatste moerasgebied naar rechts moet afslaan. Ik beklim een heuvel in de verwachting het pad daar te kruisen en zie dan weer een cairn. En bij de cairn loopt breed en duidelijk het pad weer. Ik volg het naar de hut, waar Anne en Marijke zich al afvroegen waar ik toch gebleven was. De hut zit met de vier Denen en twee Duitsen goed vol, maar omdat er voor vannacht regen wordt voorspeld en we nu een stuk hoger zitten dan gisteren, kies ik voor de laatste overnachting van deze trektocht toch weer voor de hut.

 

Dag 9 Kangerluarsuk Tulleqhut – Sisimiut 20 km

 

Met zeven man slapen in een driepersoons hut is geen goed idee. Steeds is er wel iemand die even naar buiten moet, snurkt of zich omdraait waarbij het opblaasbaar matras luidruchtig kraakt. De lucht is benauwd en zwanger met de geur van natte sokken. Van slapen komt niet veel. Om 05.30 vind ik het welletjes en sta op. Terwijl de eerste zonnestralen de wolken oplichten, pak ik mijn rugzak in. Wanneer ik op pad ga hebben de fjord, de bergen en de lucht de blauwe teint van de zeer vroege ochtend. Het pad is duidelijk en leidt naar de rivier waar ik gisteren water haalde om mee te koken. Met twee stappen ben ik over. Er is een laag wilgenbosje en dan weer het kruipgewas en de vochtige grond van de afgelopen dagen. Het pad zweeft heen en weer over de helling, passeert droge beddingen en smalle beekjes en langzaam geeft de zon het landschap zijn ware kleur. Mijn fleecetrui gaat uit, het is warm. En dan bedenk ik me dat het al sinds ik de bergen bij Ikkattoq ben overgestoken een stuk warmer is dan daarvoor. Waarschijnlijk omdat ik nu verder van de ijskap ben en de wind niet langer de koude ervan meevoert. Langs de oever van de fjord ontdek ik een, twee privéhuisjes. Ik heb de route vandaag niet in mijn hoofd geprent en had verwacht de fjord tot het eind toe te volgen. Wanneer ik een waterval nader, zie ik het pad aan de andere kant ervan klimmen. Vlak onder de waterval steek ik de beek via stapstenen over en begin te stijgen. De klim doet me zweten en ik kom maar langzaam vooruit. William, de jongste van de Denen en een vrolijke jonge krullenbol, haalt me in en lijkt moeiteloos tegen de berg op te lopen. Eenmaal boven doet hij zijn rugzak af en daalt af om de rugzak van Jan, een oudere man, naar boven te dragen. Ik doe mijn jas uit en ga een stuk comfortabeler verder. De route loopt door een smalle vallei met hier en daar moeras, maar over het algemeen is het pad droog en comfortabel. Ik begin tekenen van menselijke beschaving te zien. Een vakantiehuis hoog boven een meer, in de grond geslagen houten paaltjes, een kapotte slee. Er is zelfs een klein monumentje met plastic bloemen en potjes kaarsen, maar zonder aanduiding voor wie het monument is en waarom juist daar. Later hoor ik van de Denen dat er een jongeman is omgekomen bij een ongeluk met een sneeuwmobiel.

Vanaf het meer stroomt een riviertje, nu eens breed, dan weer smal. De bergen om me heen hebben nog steeds die prachtige kleuren, zoveel tinten grijs en bruin en zwart, met op de bodem van de vallei het geelgroene lange gras en spiegelende water. Soms loopt het pad over ronde stenen en is het wat lastig te vinden, maar de cairns zijn talrijk en leiden snel en zeker de goede richting op. Aan de horizon verschijnt een serie scherpe pieken, waarvan Nasasaaq de hoogste is. De route meandert van de rechterkant van de vallei naar de linker en daar, in de schaduw, is het behoorlijk fris. Maar ik geniet en wil niet dat er een eind aan komt. Waar ik normaal gesproken niet kan wachten om te zien wat er over de volgende heuvel is, wil ik het nu tegelijkertijd wel en niet weten. Vlak voor het punt waar de rivier een heel eind naar beneden dondert, steek ik hem over en daal aan de andere kant sterk af. Het is aardig steil en een behoorlijk eind en ik ben blij dat ik de route niet in omgekeerde richting loop. Het uitzicht is prachtig. Nog steeds weer diezelfde tinten rood en geel van de lage struiken, een meer en, nog lager, weer een rivier. Een grindbank in het midden helpt met het oversteken van de eerste helft, stapstenen helpen me over de tweede. Dan draai ik me om en maak foto’s van de overstekende Denen, die vrijwel geen foto’s hebben waar ze allemaal op staan. Ze nodigen me uit om te lunchen, ook al is het pas elf uur ’s ochtends. Over een paar uur zijn we alweer in de bewoonde wereld en ook zij willen hun tijd in de wilde natuur nog iets rekken. Ik deel fruitkeks rond en de Denen koken water voor hun trekkerslunch. We bediscussiëren de voor- en nadelen van diverse outdoor maaltijden en ik vertel ze over mijn huisgemaakte trailmix, met brinta, melkpoeder, rozijnen en m&m’s. Daarna gaan we verder en de Denen, sneller dan ik, lopen al gauw een eind voor me uit. Nasasaaq doemt nu groot en grijs boven ons op. Een rode skilift is het begin van het einde. Ik volg de vallei verder en waar de heuvels uiteen wijken zie ik vrolijk blauwe gebouwen in de verte, de huizen van Sisimiut. Een vrouw loopt me tegemoet en is de eerste die me in Sisimiut verwelkomt. Nog eventjes duurt het groen, dan bereik ik een zandweg langs het grote meer dat de stad met zijn 5.500 inwoners van vers drinkwater voorziet. Een oudere vrouw komt aanlopen met twee grote honden en vanuit mijn ooghoeken zie ik een puppy enorm hoog de bergen inrennen. Het beestje is niet van haar, vertelt ze. Tot zes maanden mogen puppies vrij rondrennen, daarna worden sledehonden aangelijnd. De twee honden die ze bij zich heeft zijn ook sledehonden, want het is niet toegestaan andere rassen als huisdier te houden, om verzwakking van het ras te voorkomen. Wanneer ik de stad nader, zie ik talloze kleine hondenhokken en als er één beest begint te blaffen, doen ze allemaal mee. Het is een hels kabaal en ik begrijp waarom de honden buiten de stad worden gehouden. Wat ik niet begrijp, is dat ze de camping er pal naast hebben verzonnen. Het is een van de redenen dat ik doorloop naar de jeugdherberg, midden in de stad. De laatste paar honderd meter wordt ik begeleid door een enthousiaste pup, die blij is met een aai over zijn bol. De zandweg is verrassend lang en volgt de contouren van het rotsachtige landschap, terwijl in de verte steeds meer kleurrijke huizen verschijnen, blauw en geel en rood en groen. Die kleuren hebben een diepere betekenis die ik op het eerste oog niet had vermoed. Voor de Inuit konden schrijven en er zaken als huisnummers en straatnaamborden bestonden, gaven kleuren de functie van een huis aan of het beroep van de bewoner aan. Blauw voor vissers, rood voor handel, groen voor administratie en geel voor ziekenhuizen. Zo kon je als schipper een willekeurige haven aandoen en precies weten waar je de havenmeester of dokter kon vinden.

Het zandpad kronkelt verder richting de stad, met nu ook wat sledehonden op de rotsen, slapend naast hun kennels. Cairns zijn overal en verliezen hun betekenis als betrouwbare leidraad. Uiteindelijk zet ik voor het eerst in negen dagen weer stappen op asfalt, zie ik auto’s en mensen. Bijzonder hoe snel je dat ontwend raakt. Er is geen officieel eind van de Arctic Circle trail, geen plaquette of standbeeld om jezelf naast te fotograferen. Voor mij eindigt het pad bij het asfalt. Ik loop verder naar de jeugdherberg, maar mijn hart blijft achter in de bergen. Alleen de herinnering aan het fantastisch Arctic Circle trail en het Groenlandse landschap neem ik mee.