GR20

Gr20 / Fra li monti
De zwaarste wandeltocht van Europa

Met wandelen heeft het soms niets meer te maken. Klimmen en klauteren, met je vingertoppen en een grote teen aan een rotsrichel van hooguit een paar centimeter breed hangen. De GR20 is afzien zoals ik dat nog niet eerder heb meegemaakt. Maar landschap is prachtig, de voldoening immens en de wandelaars om je heen worden algauw familie.

Dag 1 – Calenzana – Refuge d’Ortu di u Piobbu 12 km

Het is nog donker als de eerste wandelaars in beweging komen en met ritselende geluiden hun spullen pakken. Ook ik laat rond 04.30 met een plof de lucht uit mijn matje lopen en hijs mijn rugzak om, die inclusief water zeker twintig kilo weegt. De zon komt net boven de bergen uit als ik Calenzana binnenloop. Liefst drie wandelroutes beginnen hier: de populaire GR20, de Mare e Monti en de Sentier de la Transhumance. De GR20 volgt de bergketen die het eiland van noord naar zuid doorsnijdt en wordt jaarlijks door zo’n 30.000 mensen gelopen. En elk jaar gebeuren er wel een paar ongelukken.

Ik volg de hoofdstraat naar de kerk en dan wijzen houten bordjes de weg door de straatjes en stegen van het dorp. Tussen schilderachtig vervallen huizen met meerdere lagen bruin stucwerk klimt de route klimt over trappen en langs hofjes. Hierna begint de GR20 dan echt. Fra li Monti, door de bergen, noemen de Corsicanen het pad en daar is niets aan gelogen. Vijftienhonderd meter stijgt de route vandaag, bijna continu omhoog. Ik kom door een bos vol ziekelijke dennen, de naalden aan de takken even bruin als die op de grond, het gevolg van een grote brand in 1982. Het is een opluchting om hoger te komen tussen de groene varens, waar een bron vrolijk spuit. Ik neem een paar slokken en maak mijn ijshanddoek nat, waadoor hij heerlijk koel blijft. Iets verder slaan de Mare e Monti en de Sentier de la Transhumance rechtsaf naar Bonifatu. Terugkijkend zie ik in de diepte de huizen van Calenzana en daarachter het grotere Calvi aan de Middellandse zee. Het verrast me hoe hoog we al zijn. Ik kijk neer op rotsen die ik een uur geleden nog van onderaf bewonderde. Het valt me ook op hoe ontzettend stil het is. Wel klinkt regelmatig het ‘bonjour’ waarmee wandelaars elkaar passeren. Wanneer ik het zonlicht nader, nodigen de rotsen me uit voor een klauterpartij. Ik gooi mijn poles vooruit en klim met handen en voeten omhoog. Zo zijn er steeds meer rotspartijen waarover ik nog onwennig mijn weg zoek. Dit is niet iets wat je in Nederland kunt oefenen. Na nog weer een pittige klim bereik ik de Bocca a u Saltu op 1250 meter. Een top met een heerlijk stuk gras waar talloze wandelaars zich hebben neergevleid. Ik kies de schaduw van een den en merk dat mijn waterzak al bijna leeg is. Van de drie liter is nog een halve over. Dat had ik niet verwacht. Gelukkig is het niet ver meer naar de refuge en het is bewolkt, waardoor de temperatuur blijft steken op ‘aangenaam warm’ in plaats van ‘Oh moeder, wat is het heet!’. De route is ook niet ingewikkeld meer, het is bijna een normaal pad, al blijven er altijd kleine uitdagingen. Hagedissen zijn hier in overvloed aanwezig en enkele blijven zelfs poseren. Er zijn bruine en groene, met staart of alleen een stompje. Wanneer ik een kam bereik, zie ik hemelsbreed 500 meter ver de refuge met zijn camping vol witte huurtenten liggen. Alleen heel flauw, door die enorme kloof moet ik flink omlopen om hem te bereiken. Dat duurt even, maar door de prachtige omgeving is het geen straf. Uiteindelijk bereik ik de refuge, die dit jaar is afgebrand. De camping strekt zich ver over de schuine helling uit en gelokt door een fantastisch uitzicht op de bergen kies ik voor een plekje in de zon. Ik gebruik de buitentent als hoofdkussen en val in slaap onder een prachtige sterrenhemel.

Dag 2 Refuge d’ Ortu di u Piobbu – Refuge de Carozzu 8 km

Ik word wakker in de schemering van de erg vroege ochtend, de bergen op mij heen donkere silhouetten. Hoger op de helling zijn verschillende lichtjes al in beweging. Ik sleep mijn rugzak omhoog, terug naar de route, maar stop eerst bij de bron om mijn waterzak te vullen. Na een korte klim door het bos kom ik terecht op een puinhelling vol grote rotsen, waarover de roodwitte markeringen de makkelijkste weg wijzen. De bergtoppen kleuren oranje in de opgaande zo’n, het belooft opnieuw heet te worden. Na een korte afdaling volg ik een pad onderlangs een enorme klif. Nu ja, pad is teveel eer: dwars over de kale rotsen, soms een paadje met wat gruis tussen de klif en het struikgewas. Uren aan een stuk klim ik telkens hoger. Het is niet moeilijk en de stenen vormen bijna een trap, maar dan wel een in een dronken bui ontworpen door M.C. Escher. Er zijn altijd wel uitsteeksels, richels en randjes waar mijn voeten houvast vinden. Het is zwaar, maar niet onmogelijk en daar ben ik al heel blij mee. Uit rots steekt een buisje waar koel, helder water uit stroomt en ik drink gulzig. Langzaam word ik ingehaald door de andere wandelaars. Ik laat ze voorgaan, want snel ben ik zeker niet. Over elke stap moet ik nadenken en puzzelen en dat kost tijd. En dan te bedenken dat dit het makkelijke stuk is. Ik nader het eind van de vallei, de kam boven me waar berken afsteken tegen de lucht. Maar telkens al ik denk dat ik er bijna ben, is er weer een nieuwe zigzag langs de helling. Eindelijk ben ik boven en heb ik een ‘I’m the king of the world!’-momentje. De Bocca Piccaia, 1.950 meter. Wow! Wat een spectaculair uitzicht! Een steile, diepe vallei voor mijn voeten, aan alle kanten geflankeerd door scherpe, bruine pieken. Als ik had gedacht dat het vanaf hier makkelijk naar beneden ging, kom ik bedrogen uit. We klimmen nog verder naar de 2.145 meter hoge Capu Landroncellu, al blijven we iets onder de top. Gedachteloos volg ik de roodwitte strepen omhoog over een zanderige helling, totdat het Franse stel voor me terugkomt omdat er geen markeringen meer zijn. Vanaf mijn iets hogere positie op de berghelling zie ik dat het pad achter een overhangende rots verder gaat langs de berghelling. Het pad daalt sterk en steil, daarna volgt een achtbaan van korte afdalingen en klimmetjes, geen enkele eenvoudig. Slechts één keer sta ik in een smalle kloof voor een rots op borsthoogte zonder enig idee hoe ik erop moet komen. In de rotswand aan mijn linkerhand ontdek ik een handgreep en bijzonder onelegant en met de nodige moeite hijs ik mezelf omhoog. De twee Franse wandelaars die op mij moesten wachten volgen meteen over de zijwand en laten de operatie er ontzettend makkelijk uitzien. Ook later, wanneer we een zeer steile rots bedwingen en onze zolen op de millimeter houvast moeten vinden, wijzen zij me de weg. Even verderop volg ik een pad over de flank van een berg, wanneer voor me drie wandelaars op hun schreden terugkeren. Ze zien geen markeringen meer. Ik zag er wel een omhoog in een smalle kloof, maar een enorme rots maakt dat tot een kansloze onderneming. Een Fransman wijst op de duidelijke markeringen achter ons, maar ik kan hem ervan overtuigen dat die bij de terugweg horen. Het juiste pad blijkt een onooglijke paadje waar de nodige klauterpartijen aan te pas komen, waarmee we aan de andere kant van de smalle kloof uitkomen, voorbij de grote rots. Jemig, zijn we nu nog niet boven? Nee, het gaat nog door en het blijft enerverend.

Op de flanken van de Punta Ghialla staan we opnieuw voor een zeer nauwe, steile klim. Je hebt er handen en voeten bij nodig en zelfs dan is het spannend. Als je hier valt, val je diep. Gelukkig is het van dichtbij niet zo moeilijk als het eruit ziet, wat de hele dag al mijn mantra is. De rots heeft voldoende uitsteeksels om grip te bieden, alleen de hoogte en de afgrond daaronder maken het eng. Verrassend snel ben ik boven en niet veel later weer beneden. Kort daarna dan eindelijk de laatste pas, Bocca Inuminata en de laatste afdaling waar ik zo lang op heb gewacht. Hoewel het dalen minder energie kost, vergt het nog steeds mijn uiterste concentratie. Het is een mix van zand, grind, losse stenen en rotsen. Alsof je op knikkers loopt. Ik stap zoveel mogelijk op vaste rots, druk mijn volle gewicht op mijn trekking poles terwijl mijn benen houvast zoeken. Het is moeizaam. Het is zwaar. Het is warm. En dan komt er zo’n ultraloper voorbij die in tien seconden een passage overbrugt waar ik twee minuten voor nodig heb. ‘Better slow and safe’ hebben twee Duitse zussen me eerder op het hart gedrukt en langzaam ben ik zeker. Hagedisjes scharrelen om mijn voeten, maar ik heb er geen aandacht meer voor. Ik heb nog water, maar heb dringend behoefte aan suiker. Ik voel de leegte in mijn maag en spieren. In de diepte zie ik de refuge tussen de bomen. Zo dichtbij en toch zo ver weg. Ik daal verder over een dik tapijt aan losse stenen. Het pad wordt nooit makkelijk. Dit is afzien. Mijn ervaring als lange afstandswandelaar komt nu van pas. Ik weet wat afzien is. Ik kan diep gaan en doorzetten. Telkens als ik een glimp opvang van de refuge is het gebouwtje dichterbij. Ik kruip ernaar toe. En dan zie ik de eerste witte huurtent tussen de bomen, hoor stemmen. Ik ben er! Ik storm naar het douchegebouwtje en vraag iemand die onder de buitenkraan zijn kleren wast even plaats te maken. Zonder aarzelen steek ik mijn hoofd onder het ijskoude water. Ik heb nog niet eens mijn rugzak afgedaan, maar wat is dat lekker! Mijn volgende stop is de refuge zelf, waar ik een cola en een chocoladereep koop. Ik heb nog nooit spijt gehad van een trektocht, maar voor het eerst vraag ik me af of ik de GR20 wel aankan. Acht kilometer in tien uur?

De refuge heeft een prachtig terras met uitzicht op de vallei in de diepte. Ik schuif aan bij Eithne en Noel uit Dublin die me pakjes mineralen geven om weer op krachten te komen. Het smaakt vreselijk, maar doet me wel goed. Meer nog word ik warm van hun aandacht en zorgen. Mijn benen zitten onder de blauwe plekken en ik heb een lichte schaafwond op mijn rechterenkel. Toch voel ik me weer een stuk beter, goed zelfs. Mijn zelfvertrouwen keert terug. Ik kan dit! Morgen wordt minstens zo zwaar als vandaag. En dat gaat me lukken ook.

Dag 3 – Refuge de Carozzu – Refuge D’Ascu Stagnu 6 km

In het eerste licht van de ochtend ga ik weer op pad. Ik ben uitgerust, maar mijn lijf is nog steeds van slag door de hitte en de inspanning en de fruitkeks die ik als ontbijt en lunch heb meegenomen, krijg ik amper weg. Door het bos daal ik af naar een prachtige wiebelbrug boven de Ruisseau de Spasimata. Aan de andere kant van de kloof begin ik te klimmen. Eerst nog over wat rotsen in het bos, daarna over een enorm, schuin rotsplateau. Bij één rots ben ik al halverwege voor ik de dikke ketting opmerk die er voor de veiligheid hangt. Meer rotsen, meer kettingen. Zo af en toe komt de ketting van pas om een bijzonder steil stuk te overbruggen. Meestal zitten er net genoeg scheuren en oneffenheden in het oppervlak van de rots dat ik eenvoudig omhoog loop. Voor me sturen wandelaars echo’s door de kloof omlaag. Voorbij de slabs zijn er weer rotsen en losse stenen. Een behoorlijk grote, die ik omlaag schop, veroorzaakt een kleine steenlawine. Aan het eind van de kloof slingeren we van de ene wand naar de andere en die stukjes zijn vlak genoeg dat ik even op adem kan komen. Ik passeer een groep wandelaars die uitrust boven een meertje. En dan is er het laatste stuk naar de pas. Een zeer steile klim, klauteren over rotsen zigzaggend omhoog. Ik zet door en uiteindelijk gaat het toch nog sneller dan verwacht. Ik drink veel en begin honger te krijgen. Net onder de pas rust ik in de laatste schaduw wat uit en dwing mezelf de resten fruitkeks te eten. Daarna overbrug ik de laatste meter naar de Bocca Muvrella op 1.980 meter. Bijna achthonderd meter heb ik geklommen en dat in amper vier kilometer. Ik volg de roodwitte verfstrepen naar rechts en zie dan een markering waar ik geen raad mee weet. Waar moeten we heen? Eh… recht naar beneden. Onder een richel zie ik de vertrouwde roodwitte strepen. Alleen, hoe kom ik daar? Heel voorzichtig is het antwoord en ik ben blij dat er niemand is om mijn trage en moeizame voortgang gade te slaan. Je kunt hier zo makkelijk misstappen en verongelukken. De kleinste randjes bieden steun aan mijn tenen en vingers en wat doe ik ondertussen met mijn stokken? Uiteindelijk haal ik ongeschonden de vaste grond en ik haal opgelucht adem. Het pad gaat verder naar beneden en hoewel het niet eenvoudig is, is er maar één kloofje waar ik even niet meer weet wat ik moet. Een Franse dame pakt mijn stokken over en geeft aanwijzingen waar ik mijn handen en voeten kan laten. Heel langzaam en heel voorzichtig kom ik beneden. Kort daarop mag ik gelukkig weer klimmen, wat altijd makkelijker is dan dalen. Ook op de Bocca a i Stagni blijf ik niet dralen. In de diepte zie ik een parkeerplaats vol auto’s en wat gebouwen. Het ski-station en de refuge. Dat ik het kan zien, betekent niet dat ik er ook gauw ben. Het is meer dan een kilometer en daar doe ik anderhalf uur over. Tot in het heerlijk geurend dennenbos blijft het opletten en glijden. Dan kom ik uit op een dienstweg en zie even lager tentjes tussen de bomen staan. Nadat ik bij de snackbar wat zoets naar binnen heb gewerkt, zoek ik mijn eigen plekje. Achter het bos stroomt een beek en onder een kleine waterval is een poel die net groot genoeg is om helemaal languit in te liggen. Het water is ijskoud. Dat doet mijn voeten goed. Ik was mezelf en mijn kleren, eet wat Corsicaanse geitenkaas met de Franse Julien en praat daarna bij met Eithne. Na een paar dagen beginnen de wandelaars elkaar te leren kennen en wordt het echt een gezellige familie.

Dag 4 Refuge D’Ascu Stagnu – Auberge U Vallone, 9 km

Het nieuws deed gisteravond al de ronde: er komt slecht weer aan. Verschillende wandelaars besluiten een rustdag te nemen of pakken de bus naar een dorp om vandaar naar de volgende refuge te lopen. Ik word wakker onder een wolkenloze lucht en het ziet eruit als een prachtige dag. Ik waag het erop, want ik hoef niet helemaal naar Auberge U Vallone. Een kilometer ervoor is een refuge en nog weer daarvoor beschrijft de gids kampeerplaatsen waar ik in geval van nood mijn tent op kan zetten. Iets voor zes uur volg ik de lijn skistoeltjes omlaag. De GR20 gaat direct het bos in, een smal, makkelijk pad met alleen wat boomwortels en hier en daar een steen. Dit is terrein waarin ik me thuisvoel en ik schiet flink op. Ik merk dat ik loop met een urgentie die eerder ontbrak, gehaast bijna, en dat is in de bergen nooit een goed idee. Onder de versleten roodwitte markeringen op bomen en rotsen is de gele verf zichtbaar waarmee deze variant gemarkeerd was voor het in 2016 de hoofdroute werd. Een jaar eerder kwamen zeven wandelaars om in de kloof Cirque de la Solitude. Sommigen betreuren het dat ‘de Cirque’ geen deel meer uitmaakt van de GR20, maar stiekem ben ik er blij mee. De weg die vandaag voor me ligt is al moeilijk genoeg.

Door de bomen hoor ik het geluid van water. Over grote rotsen passeer ik een kleine waterval en even later wandel ik langs de veel grotere Ruisseau du Tighjettu. Ik loop langs een aantal watervallen omhoog tot een brede houten brug zonder leuningen. Ik kijk terug naar de vallei en vooruit naar de pieken. En dan begint de monsterklim naar het hoogste punt van de GR20, de 2.607 meter hoge Pointe des Eboulis. Meer dan 1.100 meter stijging in drie kilometer. De klim begint uitdagend, omhoog langs de rotsen met hier en daar een dikke ijzeren ketting voor de veiligheid. Soms zijn er genoeg richels en uitsteeksels en heb ik de hulp niet nodig, maar een paar keer is het fijn een erg steil en lastig stuk te overbruggen met een beetje hulp. Toch hang ik vaak genoeg aan mijn vingertoppen en een grote teen op een richel van hooguit drie centimeter breed. Vallen is geen optie. Het is zwaar. Het is spannend. Het is af en toe een beetje eng. Maar het gaat. Als ik weer eens aan de voet van een imposante rotspartij sta, bekijk ik hem rustig en vind dan steeds weer een weg omhoog. Algauw heb ik er weer wat nieuwe blauwe plekken en schrammen bij op mijn inmiddels kleurrijke benen.

Eenmaal boven de rotsen wordt het pad weer herkenbaar, al is het nog steeds allesbehalve gemakkelijk. Een dikke laag grind en stenen zorgt dat je na elke stap vooruit weer een halve stap achteruit glijdt. Ik neem me voor om telkens na honderd stappen even op adem te komen, maar haal er amper twintig. Bij een laatste klauterpartij negeer ik de ketting en raak daardoor iets van de route af. Een wandelaar die afdaalt, wijst me de goede weg en op een relatief eenvoudig grindpad beworstel ik de laatste meters naar de pas. Dit keer geen ‘King of the world’ – moment, maar een hartgrondig ‘Never again!’, waar de andere wandelaars die uitrusten in de zon hartelijk om moeten lachen. Vanaf de pas kun je als extraatje Monte Cinto beklimmen. Nee, dank je. Ik zie dat er wel degelijk slecht weer op komst is. De enorme wolkenpartijen in de omringende valleien beloven niet veel goeds. Door ga ik, licht dalend over een makkelijk pad naar de volgende pas, terwijl in de diepte Lac du Cinto helderblauw glinstert. Ondertussen denk ik na. De GR20 is de zwaarste wandeltocht van Europa en ik had het in mijn hoofd zo groot en moeilijk gemaakt, dat ik beslist verwachtte het niet te kunnen. Maar ik ben nergens door gestuit, voor geen enkele klim teruggedeinst. De wandelgids staat vol aanwijzingen als ‘Take this stretch slowly and carefully and use extreme caution if the rock is wet and slippery’. Ging dat nu over die steile rotswand, de gebroken flank van de Punta Crucetta, die ik redelijk eenvoudig via smalle richels en handgrepen overstak? Ik kan dit echt. En jemig, wat ben ik trots op mezelf.

Ik bereik de pas Bocca Crucetta en vanhier gaat een redelijk eenvoudig pad omlaag. Als je trekking poles hebt, tenminste. Het pad bestaat uit los zand en losse stenen en de extra ondersteuning is cruciaal om overeind te blijven. Drie Italiaanse jongeren die zonder stokken omlaag gaan, hebben het behoorlijk zwaar en zoeken met beide handen houvast aan grote rotsen terwijl ze afdalen. Ik passeer ze moeiteloos en kom veel sneller vooruit. Telkens als ik een paar meter lager een markering zie en me afvraag hoe ik daar moet komen, opent zich een weg. De route is hier niet alleen met roodwitte verfstrepen aangegeven, maar ook met plastic gele bordjes en felgekleurde linten aan de schaarse bomen. Ik passeer een kloof en begin weer water te horen. Na een kleine waterval zie ik een dammetje in de beek, een teken dat de refuge dichtbij is. Om een bocht verschijnt het gebouw, hoger op de berg, maar waar de markeringen omhoog gaan, wil ik omlaag. Volgens twee wandelaars is Auberge U Vallone ‘just down there’. In de verte begint het te rommelen en ik maak tempo, voor zover dat mogelijk is op deze puinhoop. Rotsen en stenen in alle mogelijke vormen en maten liggen in een complete warboel dooreen. Het is een rivier van steen en ‘just down there’ is nog altijd een kilometer. Ik steek de beek over via stapstenen en daal aan de andere zijde verder af. Het gerommel komt dichterbij en de donkere lucht haalt me geleidelijk in. En dan zie ik plots tussen de lage bomen een dak verschijnen. Iets lager nog en het is een gebouwtje. Met tenten erbij. Ik zoek het eerste stukje vlakke grond, pal voor een lege huurtent, en zet haastig mijn eigen huisje neer. Ik gooi de buitentent erover en ram net de laatste haring met een steen de harde grond in wanneer het begint te regenen en er een paar harde donderslagen klinken.

Dag 5 – Auberge U Vallone – Hotel Castel Di Vergio 15 km

Bijna een uur later dan de eerste dagen ga ik op pad. De camping is al bijna uitgestorven en de eerste wandelaars van de refuge komen langs, waaronder Eithne en Noel. Ik hijs mijn rugzak om en volg het stenige pad naar beneden en dan een bos in. Hier liggen een paar indrukwekkende woudreuzen over het pad, bij een kunnen we er zelfs onder doorlopen zonder te bukken. Dan begint het pad langzaam weer te klimmen. Dit zou een makkelijke dag moeten zijn, maar hoewel ik slechts 500 meter omhoog moet, heb ik het zwaar. Mijn benen voelen aan als gelei en omdat ik slecht geslapen heb, kan ik niet voluit genieten. Ik kom bij een prachtig heldere beek vol kikkervisjes. Aan de andere kant klimt de route verder. Er zijn weer rotsen waarover ik klauter, al gaat me dat makkelijker af dan de eerste dagen. Ik hoef minder te bukken om met mijn handen steun te zoeken en loop over richels en hoekjes omhoog. Verder dan, het laatste stuk naar de Bocca Di Foggiale op 1.962 meter. Een prachtig dal vol gele bloemen die ik niet eerder zag. In een van de bergen zit een gat waardoorheen ik blauwe lucht zie. Na een klein topje daal ik door de struiken af naar de refuge de Ciottulu Di I Mori. Daar pauzeer ik op het terras en koop een rol koekjes, zodat ik in ieder geval iets te eten binnenkrijg. Ik verkruimel een stukje voor de vogels, maar tot mijn verbazing komt een hagedisje ervan knabbelen.

Vanaf de refuge gaan de gele bordjes hun eigen weg, recht naar beneden het dal in. Blijkbaar horen ze toch bij een andere route dan de GR20. Ik volg de roodwitte markeringen langs de rand van het dal waar ik weer uitzicht heb op fraaie pieken en diepten. Uiteindelijk gaat ook de GR20 omlaag. Links van het pad stroomt een riviertje over een serie aantrekkelijke watervallen tussen gladgeslepen grijze rotsen. Op het eind van de kloof steek ik een voetbrug over. Nu zal ik er al wel bijna zijn, verwacht ik. Kom ik even bedrogen uit. We mogen een ander dal in, passeren de vervallen gebouwtjes van de Bergerie de Radule en bereiken de welkome schaduw van een bos. Meestal geniet ik van bos, nu ben ik moe en wil naar het eind. En het pad gaat maar door, klimmen, golven, draaien. Ik merk dat ik mezelf voortjaag en dwing mezelf tot rust te komen. Ik luister naar de wind, een specht in het bos, ik ruik het hout, de aarde. Kalm ga ik verder en nog geen tien minuten later sta ik voor het hotel waar deze etappe eindigt, de camping er pal naast. ’s Avonds schuif ik in het hotel aan bij Eithne en Noel voor een heerlijk diner en op de camping kom ik de Franse Julien weer tegen, die problemen met zijn wandelschoenen heeft en de laatste kilometers daarom op zijn sandalen heeft afgelegd.

Dag 6 Hotel Castel di Vergio – Refuge de Manfanu 17 km

Tegenover de camping wordt een verzorgingspost opgebouwd. In de grote legertent zijn flesjes drinkwater hoog opgestapeld. Een paar varkens komen nieuwsgierig kijken en worden het bos in gejaagd. Datzelfde bos ga ook ik in, een dennenbos zonder stenen of wortels. Hier kan ik eindelijk eens doorlopen en het is heerlijk. Door openingen in de bomen zie ik de in elkaar grijpende bergen langzaam lichter worden, van blauw naar groen. Ondanks het vroege uur is het al warm. Zelfs als ik klim is het pad eenvoudig, met brede zigzaggen. Op de Bocca San Pedru staat een kleine kapel met een Jezus achter tralies. De col biedt uitzicht op een aardige vallei, waar koeien grazen. De leidkoe draagt een bel die vrolijk klingelt en even waan ik me in Zwitserland. Midden op de pas staat een boom die is gevorm door de wind en zijn takken als een wapperende vlag achter zich aansleept. We klimmen nog iets verder naar een heuvel waarop een elektriciteitsmast staat, de eerste echte smet op het landschap. Er volgt nog een heuvel en als om te vieren dat ik boven ben, hoor ik mijn eerste veldleeuwerik. Na nog een heuvel daal ik af naar Lac du Ninu, een breed meer omringd door een lieflijk groen landschap. Aan het meer ontspringt een beek, het begin van de rivier Tavignanu en ik verbaas me erover dat aan zo’n klein, stilstaand water zo’n snelstromende beek kan ontspringen. Ik zou verwachten dat het meer na een dag leeg is, zoveel water vloeit er over de rotsen. Ik steek de beek over via stapstenen en kom terecht in een gebied met loofbomen, die ik de afgelopen dagen behoorlijk heb gemist. Zo nu en dan wordt ik ingehaald door een ultraloper. Ze hebben een rugnummer en een label aan hun rugzak. Een race, zo lijkt het. Later hoor ik dat het gaat om een 110 km vanuit Corte. Wow. In dit landschap en met deze hitte, dat doe ik ze niet na. Ik passeer de Bergerie de L’Inzecche onderlangs en even later loop ik tussen de troosteloze kralen en gebouwen van de Bergerie de Vaccaghja door, die eigengemaakte kaas en koude dranken verkoopt. Maar de refuge is al zichtbaar op de volgende heuvel en ik loop door. Nog een laatste klim en ik kom bij een houten brug over een fraaie beek naar de refuge. Even later zoek ik een plek in de schaduw voor mijn tent. Daarna loop ik langs de refuge terug naar de beek en laat ik me dankbaar in de poel onderaan een waterval zakken.


Dag 7 – Refuge de Manganau – Refuge de Petra Piana 10 km

Door het gaas van mijn binnentent zie ik de sterren verbleken in het vroege ochtendlicht. De eerste wandelaars gaan met zaklampen op stap terwijl ik mijn spullen inpak. De ‘source’ is een iel stroompje en daarom heb ik mijn waterzak gisteren al tot de rand gevuld. Rond 05.45 steek ik het beekje boven de waterval over via stapstenen. Het pad klimt geleidelijk naar het eind van het dal, maar blijft vriendelijk van karakter. Het zigzagt kalmpjes omhoog en hoewel er genoeg rotsen en keien zijn, hoef ik nergens te klauteren. Zo af en toe is er een vlak stukje gras en hoewel ik zou denken dat koeien niet zo hoog komen, bewijzen hun vlaaien het tegendeel. Rechts van me stroomt een waterval een diepe kloof in en er is zelfs een klein meertje, glad als een spiegel waarin de pieken hun zonbeschenen kleuren tonen. Voor me rijst een muur aan scherpe, grijze pieken op en ik zigzag nog wat verder omhoog. De gele bordjes en linten van de ultraloop gaan gelijk met ons op en ik heb nieuw respect voor de atleten die dit parcours rennend hebben afgelegd. Het laatste stuk naar een smalle doorgang in de rotsen is vrij steil. Even heb ik weer mijn handen nodig, maar dan ben ik ook in een wip boven, de Bocca a e Porte op 2.225 meter. Van hier zie ik twee meren, Lac de Capitellu en Lac du Melo, met daarachter blauwe bergen. Het is schitterend en wel letterlijk, want de zon staat verkeerd voor een goede foto. Gelukkig draait de route met een boog om de meren heen, dus ik krijg later nog een kans. Wanneer ik hoog boven Lac du Capitellu ben, heb ik een geweldig uitzicht op de rotsen en bergen in de verte. Dit is nu precies waarom ik graag in de bergen loop, deze indrukwekkende natuurpracht. Hoewel we nu geen honderden meters meer stijgen of dalen, zijn er genoeg kleine klimmetjes en puzzelstukjes naar beneden. Dan komen we bij een steile rots waar een ketting aan hangt. Het ziet er intimiderend uit, maar als ik goed kijk, blijkt de ketting grotendeels overbodig. Hoewel het prettig is om hem te hebben, zijn er op een stukje na voldoende handgrepen om veilig omlaag te komen. Bij een volgende afdaling hangt een lang geel afzetlint en ik zie direct dat de route van de ultraloop en de GR20 een andere kant op gaan. Ik klim verder en bij Bocca a Soglua rust ik in de schaduw van een rots. Als ik verder ga, blijf ik hoog. Het pad voert over enorme rotsen en ik puzzel me er een weg over, steeds proberend mijn voeten terecht te laten komen op een stuk rots dat nog enigszins vlak en horizontaal is. Er is een gladde rots die ik omzijl door iets hoger over een smalle richel te lopen, daarbij de natte rots waarover water vloeit vermijdend. En dat is het laatste echt spannende stukje van vandaag. Ik kom bij de Bocca Renosu waar een grote groep wandelaars rust en even is er weer gras met kleine waterloopjes er doorheen. De volgende pas, Bocca Muzzella is niet ver. Ik zie het pad dalen, een bruingrijs lint dat van een afstand bedrieglijk makkelijk beloopbaar lijkt. De werkelijkheid is anders, er blijven stenen op liggen die een normaal ritme onmogelijk maken, afdalingen van een meter of twee waarbij je over elke stap moet nadenken en zwaar op je stokken leunt. Om een bocht verschijnt een nieuwe berg en pas achter de volgende bocht zie ik de strakke verzameling huurtenten die een refuge kenmerkt. Het ligt op een plateau aan de rand van een dal en zo te zien is er nergens schaduw. Terwijl ik verder afdaal, stroomt er een beekje mee over het pad. Dat maakt het wandelen er bepaald niet makkelijker op. Bovendien is er een zee aan paadjes, wandelaars die met hun voeten stemden over de eenvoudigste weg naar beneden. Ik volg nu eens dit pad, dan een ander en kies soms mijn eigen weg, steeds met een schuin oog op de markeringen. Dan steekt de route de beek over en is er even droge grond, helemaal tot aan de rand van de refuge. Er is inderdaad nergens schaduw, maar tussen de hoge struiken sta ik wel mooi uit de wind.

Dag 8 – Refuge de Petra Piana – Vizzavona 22 km

Ik word wakker met hoofdpijn en een tong als verdroogd leer. Ik ben verkouden. Met zulk prachtig weer? Met een hoofd vol watten ga ik op pad. Vanaf de refuge gaat het pad steil naar beneden. Het is zwaar, maar niet heel ingewikkeld. De stenen zijn wederom zo neergelegd dat ze een trap vormen. Wat een werk! In de diepte zie ik een rood dak. Wanneer ik lager kom, begint er water te stromen. Een fraaie waterval die ik via stapstenen oversteek, maar ook een stroompje zonder bedding, dwars over het pad de weg van de minste weerstand zoekend. Bij het huisje met het rode dak begint een soort jeeptrack, maar de stenen blijven het lopen bemoeilijken. Het pad loopt parallel aan de Ruisseau de Manganellu, een rivier vol prachtige watervallen omringd door sierlijk glad geslepen rotsen. Later wijkt het pad wat verder van de rivier en hoor ik alleen nog het zachte ruisen ervan. Uiteindelijk kom ik bij de Bergeries de Tolla waar de tuin vol picknicktafels in de schaduw van bomen me verleidt tot een rust. Daarna ga ik door naar een voetbrug vlakbij het punt waar de Ruisseau de Manganellu en de Ruisseau de Grottica samen komen. Ik volg die laatste rivier iets stroomopwaarts. Het pad gaat niet verder en ik merk dat ik me iets onder de officiële route bevind. Ik klim terug naar het pad en het blijkt een soort jeeptrack te zijn. De route klimt gestaag, tot ik bij drie jeeps kom. Hier houdt het pad op een track te zijn en slingert tussen de bomen door, die uitbundig zijn gemarkeerd. Hier geniet ik nu van, een smal pad dat zich om de stammen windt, niks geen stenen meer, maar wortels en bladeren en zachte aarde. Ik steek voor een waterval een stroompje over, nader de bosrand en stop om me in te smeren, want de zon brandt fel. Noel komt me tegemoet. Hij en Eithne hebben de kortere hoge variant gelopen en hij is nu op zoek naar een poel om in te zwemmen. Na een kort praatje ga ik door en zoals Noel al voorspelde, ben ik zo bij de Bergerie. Het is nog geen twaalf uur en langzaam ontstaat het idee twee etappes te lopen. Ik koop wat drinken en chocolade, neem afscheid van Eithne en ga samen met de Noorse Peter op pad naar Vizzavona. Pal achter de Bergerie klim ik omhoog, vrij steil, naar de refuge die uitkijkt over het dal. Vandaar klimmen we nog hoger, naar een stompe heuvel begroeid met struiken. Peter blijft achter, maar hij heeft dan ook geen trekking poles. Ik zou dit echt niet kunnen met alleen de kracht van mijn benen. Ik bereik de top van de heuvel, maar weet dat er nog een grotere klim volgt. Inderdaad kan ik vanaf de heuvel de scherpe pieken van nieuwe bergen zien. Het pad slingert in makkelijke zigzaggen omhoog en heel af en toe moet ik even klauteren, maar het is niets vergeleken met die eerste vier heftige dagen. Toch hangt hier een plaquette met de foto van een lachende man en zijn hond, beiden in april 2003 verdwenen toen hij de GR20 in de winter per ski aflegde. Vanaf de Punta Muratello aan op 2.100 meter gaat het steil naar beneden en dat gaat een stuk langzamer dan omhoog. Algauw komt Peter me voorbij, lichtvoetig over de rotsen dansend. Er zijn een paar grote, aflopende rotsen, maar deze zijn niet zo steil dat ik mijn handen nodig heb. Soms hebben wandelaars er een makkelijk paadje omheen gemaakt, maar ik kies telkens voor het moeilijkste. Ik vertrouw op mijn schoenzolen, die steeds houvast vinden op de schuine rotsen. De wolken boven de bergen zijn inmiddels grijs geworden en hoewel het niet regent, is de temperatuur een stuk aangenamer. Wanneer ik de boomgrens bereik, blijft het pad vol rotsen. Ik begin er genoeg van te krijgen. Een smalle brug over een beek die zich door een kloof wringt, biedt afleiding. Ik hoor kinderstemmen. Het pad gaat verder omlaag, langs een serie watervallen en poelen, de Cascade des Anglais. Ik heb geen energie meer om ze te bewonderen. En als ik weer voor een intensieve afdaling langs grote rotsen sta waar ik zeker ga moeten klauteren en op zijn Gargamels denk: ‘Ik haat rotsen!’, weet ik dat ik moe ben. Na nog een brug wordt het bospad breed, maar blijft vol stenen liggen. Ondanks mijn vermoeidheid raap ik wat plastic op, al buk ik met grote tegenzin. Ik heb nu meer het gevoel in een park te wandelen dan in een bos, her en der staan bankjes en in de verte hoor ik auto’s. Toch is het nog drie kilometer over deze grindweg en dat is lang. Het bos duurt maar en duurt maar. Ik ben zelden zo blij geweest het einde ervan te zien. Een huis! Vizzavona! Ik stap een asfaltweg op en pak de eerste camping die ik tegenkom. Buiten de douches kom ik Julien tegen. Hij heeft twee lelijke wonden op zijn hielen, veroorzaakt door slecht passende schoenen. Hij verruilt de GR20 voor het strand en ik geef hem geen ongelijk. Noel en Eithne komen hier morgen aan en houden twee rustdagen voor ze verder gaan. Die komen er wel, maar ik zal hun gezelschap missen.

Dag 9 – Vizzavona – Refuge di Prati, 34 km

Het weer in Corsica is bezig om te slaan. Ik hoor het in de wind, die met venijnige vlagen aan komt rollen. Er is slecht weer op komst. Vanuit mijn tent kijk ik naar een blauwe lucht en dus ga ik gewoon op pad. Na een luie rustdag in Vizzavona vol lekker en calorierijk eten, is het fijn om weer om 05.00 uur op te staan en rond 06.00 uur te vertrekken met een rugzak die met nieuwe maaltijden weer even wat zwaarder is. De ergste verkoudheid is voorbij, al hoest ik af en toe nog wel slijm op. Ik verlaat Vizzavona via de enige weg, zoals ik ook gekomen ben. De GR20 – Sud staat goed aangegeven. Kort loop ik over een paadje vol stenen parallel aan de weg en steek hem dan over. Een breed, makkelijke bosweg volgt. Geen wonder dat deze etappe met 16 km best lang kan zijn. Eindelijk kan ik normaal lopen, zonder steeds op mijn voeten te moeten letten. Als ik hoger kom, zie ik achter me een erg donkere lucht en ik ben blij dat ik nu niet in het noorden ben. Vrij abrupt verlaat de route de grindweg. Een smal bospad dat klimt en slingert. Het is niet zwaar, maar juist genieten. Als het begint te miezeren, blijf ik onder het dichte bladerdak droog. Ik nader een open heuvel en daar sta ik bloot aan de elementen. De wind rukt aan mijn rugzak en ik wordt gegeseld door de regen. Moeizaam bereik ik de top van de Bocca Palmento van 1.645 meter. Geen plek om lang te blijven met dit weer. Ik daal snel af naar de boomgrens en de beschutting van de bladeren. Maar wanneer ik daar ben, biedt het dunne bladerdak geen bescherming tegen de hoosbui die dan losbarst en ik trek mijn regenjas aan, maar trek hem al snel weer uit als het droog wordt. Ik passeer een stel gebouwtjes, de Bergerie d’Alzeta, die gesloten zijn. Het pad slingert langs de berg, steeds net boven of net onder de boomgrens. Tieners komen me tegemoet, het lijkt alsof er een complete schoolklas op pad is. Kleine stukjes weg verschijnen in de route, maar vlak voor de skilift is er nog een aangenaam klauterpartijtje. Ik passeer de tenten van de refuge d’E Capanelle, waar een wandelaar ondanks het vroege uur al zijn tent opzet. De volgende etappe is kort en die kan er nog wel bij. De route is iets steiler, maar nergens ingewikkeld. Bijna ongemerkt stijgt het pad, ik steek stroompjes, beken en rivieren over, meestal met stapstenen. Ik draai om een berg heen en heb een geweldig uitzicht op het eind van een dal, een kom vol grijze bergen. Een rivier stroomt donderend naar beneden en even later steek ik een andere over.

Op het Plateau de Gialgone houd ik opnieuw rust, onder het toeziend oog van een kudde koeien. Lang blijf ik niet zitten, ik wil door. Hier is brand geweest, zie ik aan de zwartgeblakerde stammen en de dode dennen tussen het groen. De route daalt daarna sterk af tot ik op een breed bospad kom. Ik loop parallel aan een rivier in de diepte, een stenig pad dat irritant zou zijn, zo laat op de dag als niet wandelaars net ernaast in het bos een glad paadje hadden uitgesleten. Bij een picknickplaats bestijg ik een grindweg naar een asfaltweg en precies op die kruising is de refuge di Verdi. Het is een prachtige plek. Tentplaatsen in het bos, tussen de dennenbomen. Ik zou hier gelukkig zijn, al is het maar voor een nacht. De verleiding is groot. Maar ik heb iets anders in mijn hoofd. Verderop is een tweede refuge. Vier kilometer, twee uur klimmen. Ik wil het en ik wil het niet. Ik ben daadwerkelijk wandelverslaafd. Niemand houdt me tegen. Ik vul mijn waterzak en ga.

Het begint nog kalm, een grindweg omhoog. Dan wordt de grindweg zo steil dat ik me niet kan voorstellen hoe een auto hier tegenop kan. Ik laat de weg achter en trek het bos in. Het pad stijgt en ik stijg mee. Tussen de slanke stammen door zie ik blauwe lucht en langzaam neemt het blauw meer en meer ruimte in. Ik vertrouw het niet. Na elke top of kam is er wel weer een nieuwe. Zo gaat dat in de bergen. Zo ook hier. Eenmaal uit de bomen heb ik een prachtig uitzicht op een serie pieken. Het pad volgt de contouren van het dal, redelijk vlak en even kan ik op adem komen. Er is groen, dat ontspant. Als ik weer moet klimmen, is er letterlijk een trap van stenen. Ik klim. Nog een paar honderd meter tot de pas. Mijn rechterhand verkrampt om de trekking pole. Op de pas zie ik het land aan de andere kant. Vakjes met velden en weides, dorpen, een stad, de zee. Volgens een handwijzer is de refuge twintig minuten ver. De gids had het over vijftien. Ik loop en zie nog niets. De zee loopt aan mijn linkerhand mee. Een tent. Een groen, golfplaten dak. De refuge staat midden op een pas. Het waait hard, er zijn koude douches in stenen hokjes. Het is geen fraaie plek.

Dag 10 – Refuge di Prati – Refuge d’Usciolu 12 km

Een dicht wolkendek laat lang genoeg gaten vallen om een prachtige zonsopgang achter een bergpiek te zien. Maar het gerommel in de naburige vallei bevalt me niets. Ik pak mijn spullen, ik pak mijn tent en als het recht boven me begint te flitsen, verschuil ik me met de andere kampeerders in de refuge. Anderhalf uur lang regent en dondert het. Daarna klaart het op, al is het nog steeds koud en heb ik voor het eerst mijn dunne windjas aan. Wanneer het helder is, ga ik op pad, al stijgen er nog steeds wolken op uit de valleien om ons heen. Zo af en toe klaart het wat op en kan ik ineens tot in het dal kijken, waar de normale wereld zich langzaam weer aan ons opdringt met wegen, geordende velden en kleine witte huizen.

Het pad klimt kort, maar blijft daarna op ongeveer gelijke hoogte, nu eens aan de ene kant van de bergkam, dan weer aan de andere. Dat betekent allerminst dat het ook een makkelijk pad is. De GR20 – Sud is technisch eenvoudiger dan de GR20 – Nord, maar het is nog steeds een pittige wandeling. Er zijn slabs die ondanks de regen goed beloopbaar zijn, steile klimmen en en even steile afdalingen. Ik voeg nieuwe schaafplekken, blauwe plekken en schrammen toe aan mijn al vrij uitgebreide collectie. Nog steeds is het landschap in dichte wolken gehuld, wat het een mysterieus aanzien geeft. Alles wat niet relevant is, valt weg. De route daalt naar een aangenaam bos en begint even later weer stevig te klimmen. Hoewel ik geniet van het pad, het bos en de zachte grond onder mijn voeten, win ik slechts langzaam hoogte. De klim mondt uit in Bocca Di Laparo en wanneer de wolken tijdelijk wijken, zie ik een hoogspanningsmast en wat gebouwen. Kijk, dat had ik best willen missen. De markeringen leiden me verder omhoog en het pad blijft ingewikkeld. Enorme rotsblokken waarover je een pad mag zoeken, grote gaten ertussen. Het is weer klauteren en puzzelen. Ik blijf voorzichtig, nu nog een enkel breken zou zonde zijn. Tegelijk begin ik me te realiseren dat ik vandaag geen anderhalve etappe ga lopen zoals ik van plan was. Blijkbaar zijn de extra calorieën van Vizzavona uitgewerkt, hoewel ik in deze lagere temperatuur de fruitkeks weer lekker wegknabbel. In de verte rommelt het met enige regelmaat en voor mijn gevoel loop ik op het onweer af in plaats van er vandaan. Boven een naastgelegen vallei zie ik een enorm donkerblauwe lucht, maar die schuift een ander dal in voor ik het hoogste punt van vandaag bereik, een pas bij Monte Furmicula op 1.950 meter. Vandaar daalt het pad dan eindelijk, hoewel er nog genoeg stenen liggen om me te plagen. Er is een nare, steile afdaling over een wirwar aan paadjes, maar dan ben ik dan toch bij refuge d’Usciolu. Weer wacht me een koude douche, dit keer zelfs in een hokje zonder deur, met enkel een douchegordijn. Ik vraag me af hoe graag ik wil douchen…

Dag 11 – Refuge d’Usciolu – Bergerie d’Croci 15 km

Als ik wakker word, hangen de wolken onder ons in het dal. De bergen zijn donkere eilanden in een witte zee. Ik ben aangenaam lui vandaag en ga een uur later dan gewoonlijk op pad. Dat is nog steeds om 07.00 uur ’s ochtends, maar het begint al wat warmer te worden. De route begint meteen vanaf de refuge te klimmen, al is het niet steil en niet ingewikkeld. Er zijn grote rotsplaten, maar de steen is ruw en korrelig als cement en mijn bergschoenen hebben prima grip. Natuurlijk is er het nodige geklauter, maar niets kan me nu nog tegenhouden. Eenmaal boven blijven we op de kam, Arete a Monda, nu eens aan de ene kant wandelend en dan weer aan de andere, ons soms door nauwe doorgangen in de rotsen wringend. Een keer daal ik na zo’n doorgang af in een bos, omdat ik iets als een pad herken. Een Pools stel dat me voorging, ziet geen markering meer en wanneer we teruggaan zien we dat we direct weer naar de andere kant van de kam hadden moeten terugkeren. Het land waarop we uitkijken wordt steeds meer geciviliseerd. Rechts van de kam liggen de dorpen Cozzano, Zicavo, een helikopter vliegt af en aan bij een steengroeve. Links van de kam is bebost, met alleen in de verte gladde velden. De route voert over toppen als Punta d’Usciolu en Punta di a Scaddatta, maar omdat we steeds min of meer op dezelfde hoogte blijven, zijn de klimmetjes kort en makkelijk. Dan dalen we af, een smal pad door hoge struiken en later open bos. Na een open plek, waar verschillende bekende medewandelaars rusten, ga ik door, verder naar beneden. Zomaar opeens verdwijnen de rotsen van het pad en kan ik heerlijk doorlopen, al word ik nog wel afgeleid door de talloze hagedissen die voor mijn voeten wegschieten. Er zijn prachtige heuvels en het pad loopt door hoge varens, het is schitterend. Ik ben zoveel groen niet meer gewend na al die dagen boven de boomgrens. Het pad daalt naar een idyllisch beekje, de Ruisseau de Partuso. Ik zou hier heerlijk kunnen badderen, maar hoe zou ik daarna ooit weer op gang komen? Ik steek de beek over en volg even later een andere, ondiepe rivier stroomopwaarts, de Ruisseau de Veracolongu. Ik volg het pad dat een lus maakt naar de Bergerie de Bassetta. Daar rust ik uit op het terras. Er zit een ander groepje wandelaars te eten en wat zij voor zich hebben ziet er zo lekker uit dat ik hetzelfde bestel, een luxe onderweg die ik mezelf nog niet eerder heb gegund. Na een tijdje ga ik door, al loopt het met een volle maag toch wat minder prettig dan op een lege. De route blijft gelukkig kinderlijk eenvoudig, met heuveltjes en dalen ertussen. De twee etappes die ik vandaag wilde lopen, ga ik niet halen, heb ik al besloten. De volgende etappe mondt uit in een klim naar bijna tweeduizend meter en ik heb geen zin om weer verstoppertje te spelen met een onweersbui. Toch snoep ik wel wat van de afstand van morgen af, want ik loop door naar de Bergerie d’ l Croci, waar ik op de warme douche hoop die ik bij de refuge de Matalza zeker niet verwacht. Bergeries zijn in particuliere handen en bieden daardoor iets meer service en kwaliteit dan refuges die worden beheerd door de PNRC, de Parc naturel régional de Corse. Vanaf de refuge is er een brede grindweg, met meer zand dan grind en dat loopt heerlijk weg. Het landschap is er een van beekjes en heuvels en ik geniet volop. Het is drie kilometer naar de Bergerie en daar doe ik langer over dan ik gezien het landschap verwacht. Maar als ik er kom, is de camping heerlijk rustig en zijn de meeste huurtenten leeg. De Bergerie ligt midden in twee korte etappes en is blijkbaar niet populair onder wandelaars van de GR20. Ik doe er mijn voordeel mee. Eerst een douche, weliswaar niet gloeiend heet, maar ook niet koud en dat is al fijn. Daarna was ik mijn kleren eens grondig uit tot het water dat eruit komt niet zo heel bruin meer is.

Dag 12 – Bergerie d’ l Croci – Village de Bavella 19 km

De dag begint bewolkt en daardoor heerlijk fris. Ik volg twee ultralopers omhoog naar een brede grindweg en kijk ondertussen naar de bijzondere wolken boven de bergen. Behalve gewone schapenwolken is er één vreemd rond als een enorme UFO. Wanneer de route me van de grindweg afleidt, is dat voor een kort, spannend paadje voor ik weer op een makkelijk grindpad uitkom. Het voelt als een snelweg. Ik rond een dal tot aan de Bocca di Chiralba op 1.743 meter. Ik klim iets en daal iets, maar het stelt allemaal niet veel voor. Plotseling sta ik op een rotsheuvel en zie ik geen markeringen meer. Ik stijg iets…niks. Ik daal wat…ook niks. Dan maar terug naar de laatste markering. Ik zie hem al vanaf een afstand, maar waar is de volgende? Pas wanneer ik pal naast de markering sta, vallen de volgende me op. De route klimt haaks op het pad omhoog over de rotsen. Ik klim de roodwitte verfstrepen achterna. De grote rotsplaten zijn van ruw steen en ik heb er geen moeite mee hoger te komen. Ik bereik de pas op de schouder van Monte Alcudina op 2.025 meter, waar een aantal wandelaars uitrust van hun klim omhoog. In de diepte ligt de refuge en aan de overkant van het dal zie ik een serie scherpe pieken en daarachter de zee. Het eind komt letterlijk in zicht.

Ik begin aan de afdaling en die is lang en steil. De refuge verdwijnt uit beeld, om dan weer vanachter een heuvel te verschijnen. Het is een prachtige plek, het uitzicht op de vallei en de bergen is geweldig. Wandelaars zijn er niet en vanaf het terras bewonder ik vogels die ongestoord hun lied zingen in de boomtoppen. Na een tijdje ga ik door. Het is tenslotte nog 11 kilometer naar het eindpunt van vandaag. De route daalt de vallei in en aanvankelijk zijn er aardig wat stenen. Dan daalt de route naar de welkome schaduw van een dennenbos, al vermindert het aantal stenen op het pad niet. Ik steek een flinke rivier over en de route gaat verder langs de andere kant van de vallei. Zo af en toe is het pad eenvoudig en kan ik meters maken, maar vaak genoeg puzzel ik me voorzichtig een weg naar beneden. Mijn linker grote teen vindt dat dalen maar niks en later blijk ik een gat in mijn sok te hebben. Oeps! Het dennenbos maakt plaats voor berken en niet veel later loop ik weer tussen de jeneverbesstruiken. Zo nu en dan kom ik dagjesmensen tegen, maar wandelaars met bepakking blijven uit. In de diepte zie ik een wit gebouw met een rood dak. Hoopvol speculeer ik dat het Bavella is, al weet ik dat het in de verkeerde richting ligt. Voor Bavella maakt de route nog een bocht en wanneer de markering naar links draait, hoop ik opnieuw dat ik er bijna ben. Nog 4,5 km, vertelt een Duits stel dat hier vakantie viert. Het lijkt niet veel, 4,5 km, maar ik heb het er zwaar mee. De bewolking is weg en het is weer warm geworden. De route stijgt en wordt zwaarder. Opnieuw mag ik klimmen en klauteren. Zo ga ik tenminste snel omhoog, waar ik een weg zie. De laatste meters omhoog. Een parkeerplaats. Drukte. Het lijkt de Vaalserberg wel. Zoveel toeristen opeens. Ik snap waarvoor ze komen. Als ik terugkijk zie ik een spectaculaire bergketen, de Bavella. Village de Bavella bestaat uit een paar bars en restaurants en een bungalowparkje. Het eerste restaurant heeft een gite in de kelder en omdat ik het niet zie zitten nog twee uur verder te lopen, boek ik een bed.

Dag 13 – Village de Bavella – Conca 19 km

In de stilte en het donker van de gite verslaap ik me. Oeps! Een uurtje later kom ik vanuit de gite terecht in een fascinerend schouwspel van jachtige wolkenflarden die pal over de parkeerplaats naar de zonbeschenen pieken erachter vliegen. Ik volg de weg omlaag tot een haarspeldbocht waar het asfalt linksaf slaat en ik rechtsafaf langs een bron een grindweg opstap. De eerste bordjes van bars in Conca hangen er al. Even verderop mag ik de grindweg verlaten, een heerlijk bospad met niet al te veel stenen. Ik daal een flink eind en mag daarna meteen weer klimmen naar de Foce Finosa op 1.206 meter. De bergen blijven boven de bomen uitsteken en indruk maken op deze laatste dag. Veel touroperators slaan deze etappe helemaal over en eindigen de GR20 in Village de Bavella, maar ik heb geen spijt dat ik het pad afmaak zoals het hoort.

Na een tijdje te hebben geklommen daal ik weer en het geluid van een generator is de eerste aanwijzing dat ik de refuge d’l Paliri nader. De refuge is prachtig gelegen en ik geniet van het uitzicht op een kale rotswand en een enorme rots met sierlijke gaten erin, waar aan de zijkant een open keukentje tegenaan is gemetseld. De benzinelucht en het doordringende geluid van de generator jaagt me toch weer door. De route gaat een bos in dat me het zicht op de bergen grotendeels ontneemt. Gelukkig zijn er af en toe ook open stukken, waar ik kan genieten van rotsen met namen als Punta di l’Anima Damnata, rots van de verdoemde ziel. Ook daarna blijven er steeds nieuwe rotsformaties verschijnen. Meestal is een laatste dag een afscheid van de natuur en dringt de beschaving zich al lang voor het eind aan je op. Hier niet. Dit blijft geweldig mooi en ik verveel me geen moment. Het is in inmiddels erg warm en ik zweet behoorlijk. Dan wordt het nog mooier dan ik voor mogelijk hield. Ik kom op een topje met kaal graniet, de Bocca Di u Sordu. Zoals wij glooiende duinen hebben, zijn hier golvende rotsen en blijkbaar is de steen nog zacht ook, want er zijn bijzondere vormen uitgesleten. De vlakke rotsen lopen lekker en zijn prachtig om te zien. En vanaf elke heuveltop zie ik de zee en daarmee het eind dichterbij komen. Een stadje, de witte sporen van boten op het water. Na de granietrotsen daal ik af. Het pad is goed en makkelijk, alleen de open stukken in de zon zijn een bezoeking. Daarna steek ik een rivier over, de Ruisseau de Punta Pinzuta, al zou ik het gezien het smalle stroompje eerder een beek noemen. Ik daal verder en volgens de kaart is het dezelfde rivier die ik nogmaals oversteek. Aan de andere kant van de rivier kijk ik omhoog naar een waterval, in de hitte van de zomer een bescheiden stroompje over brede, gladgeslepen rotsen. Het water stroomt in een serie uitnodigende, diepe poelen. Dit keer kan ik de verleiding niet weerstaan. Waarom zou ik me naar het eind haasten? Ik doe mijn rugzak af, trek mijn wandelkleren uit en laat me in het lauwe water zakken. Heeeerlijk.

Toch heb ik niet genoeg rust in mijn gat om lang in het water te blijven liggen. Ik kruip eruit en juist als ik aan het opdrogen ben, komt er een groep van vijf ultralopers die ook een duik nemen. Vanaf dit punt is het nog vijf kilometer naar Conca. Dat lijkt niet lang, maar in de bergen duurt alles langer dan je verwacht. Telkens denk ik: is dit de laatste klim, de laatste afdaling? Maar er zijn er altijd meer. Ik volg het pad langs naar het eind van de heuvels en gelukkig is het niet zwaar of ingewikkeld. Dan kom ik bij weer een topje waar een doorgang tussen twee rotsen oogt als een deur, er ontbreekt alleen nog een plank in dat gat. Als ik er doorheen ga, zie ik aan de andere kant huizen. Conca! Het is nog twee kilometer naar beneden. Het dorp verdwijnt weer uit beeld, het pad verdiept zich als een loopgraaf. Er liggen nog genoeg stenen om voor de laatste keer hartgrondig te denken: ik haat rotsen. Dan…asfalt. Ik daal af naar het dorp, waar ik bij het eerste het beste café het terras deel met andere wandelaars. We feliciteren elkaar, want we hebben het toch maar mooi gedaan. De GR20. Niet zomaar een wandeling.