Coast to Coast

Genieten van de Ierse Zee tot aan de Noordzee (2015)

Alfred Wainwright’s Coast to Coast. Een van de beroemdste wandelingen van Groot Brittannië is het geesteskind van één man. Een man met een voorliefde voor heide, heuvels en ongerepte natuur. Het pad van 308 km loopt van de Ierse Zee naar de Noordzee en komt door drie nationale parken, het Lake Districs, de Yorkshire Dales en de North York Moors. Klinkt goed! Daarom staat de Coast to Coast hoog op mijn verlanglijstje. De geleende gids staat al een paar jaar in mijn kast en nu is het dan eindelijk zover. We gaan!

Dag 1 St. Bees – Black Sail, 37 km
De start van de Coast to Coast is aan het strand van St. Bees en wordt gesierd door een trotse markering, die Astrid en ik natuurlijk fotograferen. Het is hoog water en het 30 km verderop gelegen Isle of Man, gistermiddag nog zo prominent aanwezig, is nu niets meer dan een blauw vermoeden aan de horizon. Het strand wordt gedomineerd door een indrukwekkende, 61-meter hoge klif, St. Bees Head en daarheen richten zich onze schreden. We beginnen met een brug over een rommelig stroompje, Rottington Beck, en dan klimmen we omhoog, een vakantiepark vol stacaravans snel achter ons latend. Pal langs de afgrond lopen we en we zien de plaatsen waar het pad zich landinwaarts heeft verplaatst omdat wind en regen de aarde hebben afgekloven. Aan de rechterhand is een schaapweide van zulk intens groen, dat ik opeens aan Tolkien moet denken en zijn liefde voor  Engeland en de natuur. Het is niet moeilijk voor te stelen dat iemand met een zeer rijke fantasie in dit landschap de Hobbits bedenkt,  met hun liefde voor alles wat leeft en groeit. Het groen wordt opgelicht door de geel bloeiende brem en tere paarse en witte bloemen. Hoewel we nog fris zijn, worstelen Astrid en ik ons naar boven en eenmaal daar begint het genieten pas echt. Zo nu en dan maakt het pad een kleine draai, waardoor we een fraai uitzicht hebben op de roestrode rotsen. Aalscholvers en meeuwen vliegen onder ons langs. Voor ons lopen twee Engelsmannen die een andere wandeling doen, horen we als we ze inhalen. Verder zien we nog geen andere wandelaars. We hebben een lange etappe voor de boeg en zijn daarom direct na het ontbijt, om 07.30 uur, vertrokken. Dat is laat voor ons doen. Astrid en ik houden er een ander bioritme op na dan andere mensen en na de IML in Wellingborough vinden we het volstrekt normaal om rond 06.00 uur op te staan en al om 06.30 aan te lopen.

Halverwege South en North Head is er dan opeens een kloof, Fleswick, waarvan de nauwe wanden een tunnel vormen naar zee. We dalen erin af en klimmen aan de andere kant weer omhoog. Daar wachten ons nog meer weilanden, maar saai is het geen moment. Wanneer we bij een vogelobservatiepunt komen dat uitkijkt op een klif, kan ik het niet laten om even te kijken. En we worden rijkelijk beloond voor mijn nieuwsgierigheid. De rots ziet zwart én wit van de vogels. Ik heb mijn verrekijker thuisgelaten maar mijn camera heeft een beste zoomlens en zo haal ik de vogels toch heel dichtbij. Honderden zeekoeten, sierlijke vogels met een witte buik en zwarte rug en kop, staan naast elkaar op de ondergescheten richels. Het is een constant komen en gaan en het gekwetter is niet van de lucht. Tot mijn stomme verbazing lopen de Engelsmannen aan dit wonder voorbij. Wat is het plezier van wandelen als je niet nieuwsgierig bent naar de wereld om je heen? Algauw halen we ze weer in en zien ze daarna niet meer. We passeren de vuurtoren, niet een van die hoge, slanke torens die ik gewend ben, maar een sierlijk witte, 17 meter hoge toren 1865. Door een kissing gate volgen we de kust. Het pad is nauwelijks gemarkeerd, maar tot nu toe zijn er nog geen zijpaden die ons in verwarring kunnen brengen en we stappen stevig door. Wanneer we North Head ronden, verschijnt aan de horizon een behoorlijke stad, gedrapeerd over de heuvels. Gelukkig hoeven wij die kant niet op. Bij een steengroeve vol dieprode rotsen, 250 miljoen jaar oud woestijnzand, slaan we rechtsaf en dalen af naar Sandwith. Daar twijfelen we even over de te volgen weg, maar gokken juist. Op de volgende kruising staat een van de eerste handwijzers die ons naar een graspad bij een boerderij dirigeert. De markeringen worden iets talrijker en het helpt zeker, want ik weet niet of ik het pad op de routebeschrijving en kaart alleen had kunnen volgen. We lopen een laan in die sterk daalt en een graspad door een weiland brengt ons verder omlaag naar een tunnel onder een spoorlijn. Aan de andere kant is opnieuw een weiland. Ik volg de hint van platgetrapt gras naar een bruggetje. Volgens de kaart zou er ook een groot meer moeten zijn, maar ik geef het zoeken naar dit duidelijke oriëntatiepunt op als ik in de routebeschrijving lees dat het meer verborgen blijft door riet en hoog gras. Met behulp van de schaarse pijlen vinden we ons weg naar een tweede, ongebruikte spoorlijn. Daar gaan we opnieuw onderdoor en dan is het even flink klimmen naar de A595. We steken de drukke weg over en meteen aan de andere kant staat het modderbruine beeld van een Coast tot Coast-wandelaar. De man heeft een mond met strenge, neerwaarts gebogen hoeken. Heel on-wandelaars. Ik zou nergens liever willen zijn dan hier, wandelend. Een avontuur! Daar wordt ieder mens toch blij van?

Het beeld is bedoeld als welkom in het dorp Moor Row en daar stoppen we even bij een bakkerij voor wat lekkers. Algauw krijgen we gezelschap van vier andere Coast to Coasters, drie Australiërs en een Noor. Zij hebben deze ‘lus’ gisteren gelopen en zijn vandaag vanuit St. Bees direct naar Moor Row gelopen over een toeristisch fietspad. Onze gastvrouw gaf ons gisteren dezelfde tip, maar ik wil niet valsspelen. Onze Coast to Coast start vandaag en ik wil de hele tocht van begin tot eind lopen, zonder trucjes of afsnijden. Over een behoorlijk stuk weg lopen we Moor Row uit, tot we door een hekje een ‘public footpath’ mogen betreden, waarvan Groot Brittannië een onuitputtelijke voorraad heeft. Er is zelfs een vereniging van mensen die de minst gebruikte paden jaarlijks tenminste één keer loopt, om zo te voorkomen dat onwillige grondeigenaren ze afsluiten. In de verte verschijnen heuvels, waaronder één waarvan de top uit het bos oprijst als het kale hoofd van een oude man. We doorsnijden het dorp Cleator, steken het riviertje Ehen over en beginnen dan te klimmen, niet steil maar wel gestaag. Aanvankelijk is er bos en daar ben ik blij mee, want dat heb ik nog niet veel gezien in Groot Brittannië en het is heerlijk om weer even de vertrouwde en voedzame geur van dennenbomen op te snuiven. Uiteindelijk wordt het pad in een brandgang iets te modderig en kiezen we voor het alternatief tussen de bomen dat zoveel wandelaars voor ons al hebben gekozen dat er een duidelijk pad is ontstaan. Pas als we over een stroompje moeten springen, keren we terug naar de brandgang. We zijn dan al bijna boven de boomgrens en het klimmen heeft ons zo verhit, dat de wind heerlijk verfrissend is. We komen in een landschap van gras en rots en ik zou bijna een bergmarmot verwachten. Achter ons ligt de Engelse beschaving. Dorpjes, de rokende centrale van Sellafield, een politiesirene die concurreert met de jubelzang van een boomleeuwerik. Voor ons ontvouwt het Lake District zich. Wenkende bergen, hun toppen verborgen in de wolken. Ons thuis de komende drie dagen. Aan de andere zijde van de berg dalen we af, dit keer steil naar beneden. Erg steil. Generaties wandelaars die tegen de stroom in wandelden hebben met hun zware schoenen  een soort trap uitgesleten en daar maken we dankbaar gebruik van. Eenmaal op de bodem van de vallei volgen we een beekje, Nannycatch Beck. Alleen al van de naam word ik blij. Het roept een beeld op van blozende kindermeisjes en onstuimige jongemannen. Het water zingt en springt en verandert regelmatig van mening over waar het ten opzichte van het pad wil stromen. De eerste keer is er nog een bruggetje, daarna zijn er stapstenen of stroomt het water gewoon waar het wil en plassen we er opgewekt doorheen. Het is een idyllische vallei, de wanden die ons insluiten begroeid met gele brem en schapen die op eigen houtje bepalen welk stukje gras het malst is. Om in Ennerdale Bridge te komen, moeten we uit deze vallei klimmen en dat doen we met frisse tegenzin. Eenmaal weer boven volgen we een weg, al mogen we gelukkig gauw een voetpad op dat op het schaarse verkeer neerkijkt. Omdat bankjes ontbreken, strijken we neer op een trappetje voor een snelle lunch van brood en kaas die ik nog uit Nederland heb meegenomen. Daarna lopen we door naar het dorp, dat veel kleiner is dan het op de kaart lijkt. Een paar huisjes, een pub, een klein speeltuintje. Inmiddels is heel onverwacht de zon doorgebroken en wat ik vanmorgen niet voor mogelijk hield, gebeurt: we wandelen in T-shirt. Heerlijk. Er is een rustige weg naar het meer en die volgen we, tot even voorbij de parkeerplaats een prachtig landschap aan ons wordt onthuld. Dit is natuur met een hoofdletter N. Prachtige bergen, van bruin tot roestbruin met een groene blos. Ze lopen in elkaar over, er lijkt geen eind aan te komen. Geen hoogspanningsmasten, geen weg, zelfs geen ander geluid dan het zingen van vogels en het zachtjes kabbelen van water tegen de stenige oever. Supermooi. We kiezen de mooie, maar pittige route langs de rechteroever en omdat je hier met de auto kunt komen, zien we hier voor het eerst een aantal wandelaars. Nu ja, wandelaars… Dagjesmensen op platte schoenen, die picknicken aan het water met een radio in een tas. Wanneer we de eerste heuvel ronden en het pad volgen naar de prachtige verten, laten we de mensen achter ons. Ik bedenk dat ik veel liever deze kant oploop, dieper de natuur in, dan omgekeerd, met uitzicht op de gladgeschoren velden. Ons pad is rotsachtig, maar goed te doen, tot we bij Robin Hood’s Chair komen. Volgens de gids is dit een lastig stuk, maar gewend als ik ben om in bergen te wandelen, vind ik het nog heel erg meevallen. Leuk juist. Wel laten we de stokken van onze polsen glijden om met handen en voeten omhoog te klauteren. Voor Astrid is dit de eerste kennismaking met het serieuzere bergwandelen en ze weert zich kranig. Zo nu en dan zijn er bomen die oplichten in de zon. Beekjes dartelen over het pad naar beneden. We genieten. Ook ontdekken we een dood schaap in het water, wat niet al te fris is, als je bedenkt dat er in het meer ook wordt gezwommen. Later zal ik het melden bij de hutwaard van de Black Sail. Die vertelt dat het hier niet is toegestaan om schapen te laten grazen en dat niemand zal willen toegeven de eigenaar te zijn. Maar ze heeft zo haar vermoedens en zal zorgen dat het dode dier wordt weggehaald. Ondertussen twijfelen we of we de hoge of de lage route naar de Black Sail zullen nemen. Het prachtige weer is ideaal voor de hoge route, maar de middag nadert al zijn einde en we willen het niet al te gek maken. We stellen de beslissing nog even uit, maar houden onze pauze in de verleidelijke zon wel kort. We lopen verder naar het eind van het 4 km lange meer en zien op het water een middelste zaagbek, een eend met een bijna punkachtig koppie. In Nederland is de vogel zeldzaam, dus voor mij als vogelliefhebber is dit een bijzondere ontmoeting. We gaan door en het pad is nu minder uitdagend, bijna geplaveid met grote, platte stenen, maar toch blijft het goed opletten waar we onze voeten planten. Wanneer we het uiteinde van het meer bereiken, lopen we door een weide, een klein stuk bos en steken dan een riviertje over. Zo komen we bij de Ennerdale Jeugdherberg. Dit is nog niet het eindpunt; de Black Sail, de meest geïsoleerde jeugdherberg van Groot Brittannië, ligt nog een paar kilometer verderop. Over een brede gravelweg lopen we door. De beslissing voor de hoge of lage route wordt ons uit handen genomen als we de afslag missen. Achteraf zijn we er blij om. We beginnen onderhand moe te worden en aan de gravelweg lijkt geen eind te komen. Dan, achter een laatste bocht, worden we verrast door de Black Sail, als een cadeautje op zomaar een doordeweekse dag. De hut, het voormalig verblijf van een schaapsherder, is schitterend gelegen aan het eind van de Ennerdale vallei. Hoge bergen torenen aan alle kanten boven ons uit. Het weer verslechtert, het begint te waaien en even later zelfs te regenen. Opnieuw zijn we blij dat we het bij de lage route hebben gehouden. Het was een lange, maar fantastische eerste dag.

Dag 2 Black Sail – Grasmere, 24 km
De wolken zijn langs de bergen omlaag gekropen en fijne regendruppeltjes tikken tegen de ramen als de we Black Sail verlaten. De brede gravelweg die ons hierheen bracht, gaat niet verder dan de hut en het smalle paadje dat we vanaf nu volgen, verdwijnt algauw in een drassig gebied. Via net boven het water uitstekende rotsen steken we Loft Beck over en zoeken ons een weg door het moeras. Alleen de meest subtiele lijnen in het landschap en de geringste kleurverschillen in het gras wijzen ons de weg. Toch raak zelfs ik het spoor hier enigszins bijster. Ik lees, ik bestudeer de kaart, ik lees nog eens. We staan bij een tweede beekje, Tongue Beck dat vanaf een verre bergwand als een zilveren lint naar beneden stroomt. Volgens de gids, die ons tot nog toe nog niet in de steek heeft gelaten, moeten we langs de rechteroever van Loft Beck omhoog. Maar hoe ik ook kijk, ik zie niets dat op een pad lijkt. Uiteindelijk ontdek ik een onnatuurlijke lijn, die een eerste zigzag van een slingerend pad zou kunnen zijn. Van onderaf is het ontzettend moeilijk te zien, maar ik waag het erop. Voorzichtig steken we ook Tongue Beck over en klimmen naar het vermoedelijke pad. En als we er eenmaal staan, is het superduidelijk. Een trap van platte stenen voert ons omhoog door de kloof die Loft Beck heeft uitgegraven. We stijgen, we hijgen, krijgen het zelfs warm. Eenmaal boven pauzeren we even om ons van onze regenbroeken te ontdoen, die we uiteindelijk toch niet nodig hebben en verstikkend warm zijn. We komen terecht in een kaal heuvellandschap, ingesloten door grijze mist. We zijn de enigen en dat voelt geweldig. De rust, de stilte, de ruimte. We volgen cairns, grote stapels stenen die de route markeren. Er lijkt geen einde aan de cairns te komen en juist als ik toegeef aan mijn ongeduld, stelt de auteur van de wandelgids me gerust. Hij verwerkt zijn eigen ervaringen op een prettige manier in de routebeschrijving en schrijft letterlijk: ‘maak je geen zorgen als de cairns wel erg lang door lijken te gaan’. Dan komt er van rechts een pad bij, Moses’ Trod, genoemd naar een smokkelaar en illegale whisky stoker. We volgen het slingerende pad door het eenzame landschap en komen zo nu en dan nog weer een cairn tegen. Het volgende punt waar we naar uitkijken is de ruïne van een huis aan de voormalige trambaan naar de Honistermijn, waar sinds 1643 leisteen wordt gewonnen. De ruïne zien we niet, maar de trambaan ligt onmiskenbaar op een laag en kaarsrecht talud. Aan de voet ervan ligt metaal te verroesten. We volgen de trambaan naar beneden en hier komen we voor het eerst ook andere wandelaars tegen, op weg naar de Black Sail. We lopen verder over de trambaan, die steeds vreemder wordt,  want er zitten trappetjes in en hij eindigt met een smalle afdaling tussen twee rotsen. Na nog weer een trappetje omlaag komen we uit bij de parkeerplaats van de Honistermijn, die vol staat met oude legervoertuigen die aan hun eigen toertocht gaan beginnen. Bij de mijn is een klein winkeltje en hier pauzeren we even, terwijl het buiten weer begint te regenen. Net als we verder gaan is het weer droog, wat een geluk. We volgen de weg, maar mogen gelukkig al gauw overstappen op de oude, in onbruik geraakte weg naar Seatoller. De nieuwe weg slingert samen met een beekje omlaag door een hobbelig landschap met vreemde rode blosjes. Het zijn de dode varens die nog niet worden overvleugeld door fris groen. Als we lager komen, zien we ook weer bomen die het landschap de broodnodige kleur geven. Dan deponeert een kissing gate ons op de weg naar Seatoller en lopen we het dorp in. De naam is afgeleid van het Scandinavische woord voor ‘zomerweide met de elzenboom’. Het dorp stamt uit 1893, toen er acht huisjes werden gebouwd voor de mijnwerkers, die voorheen in primitieve hutjes of zelfs in de mijngangen sliepen. Via een parkeerplaats wandelen we Johnny Wood in, terwijl het geluid van de Derwent met ons meehuppelt. Waar het pad op het water afstevent, is een rotspartij met een richel van één voet breed waar we overheen moeten. Er is een ijzeren kabel gespannen om wandelaars te helpen, maar in feite valt het best mee. De rotsen lopen heel geleidelijk af naar de rivier en de kabel is met dit fraaie weer niet nodig. Wanneer we uit het bos komen, zijn er nog twee schapenweides nodig voor we het dorpje Rostwaite bereiken. Daar steken we Stonethwaite Beck over en volgen een breed pad vol grind en stenen dat langzaam stijgt. De beek houdt ons gezelschap op onze weg omhoog en verwent ons met steeds fraaiere watervallen. Terwijl de indrukwekkende Eagle Crag boven ons uittorent, bewonderen we de talloze schapenmuurtjes die zich langs de wanden van de vallei omhoog slingeren tot krankzinnige hoogten. Dit moet duizenden jaren werk hebben gekost en het zou me niets verbazen als ze op de Unesco Werelderfgoedlijst staan. Steeds hoger klimmen we en als we omkijken is Rosthwaite een postzegel glad groen in een verder ruig, grijsbruin landschap. Na elke bocht denken we zo onderhand wel het einde van de vallei te hebben bereikt, maar steeds volgt er weer een nieuwe klim. Zelfs wanneer we de kom zien die het einde van de vallei dan toch echt inluidt, moeten we nog linksom een grote rotspartij passeren, verder omhoog. Gelukkig is hier weer een soortement trap gemaakt van platte stenen en aan het eind ervan staan we dan echt boven. Het uitzicht is 360 graden geweldig. Even is er twijfel over de route, maar wanneer we een voor een de beekjes oversteken die op de kaart staan, kan ik me weer oriënteren. Wel verdwijnt het pad in het hoge gras en lopen we lukraak door de natuur. Pas een heuveltje verder, bij de ijzeren palen van een verdwenen hek, zien we weer de paar grindstenen die een pad aanduiden. Hier kunnen we opnieuw kiezen voor een hoge of een lage route naar Grasmere. Wainwright wilde wandelaars stimuleren zelf op avontuur te gaan, dus er is niet één, vaste route voor de Coast to Coast. Na een korte pauze besluiten we dat het weer goed genoeg is voor de hoge route. Omdat we al vrij hoog zitten, hoeven we nauwelijks nog te klimmen. In plaats daarvan dalen we niet af, maar blijven op deze hoogte tot vlak voor onze Grasmere. Hierdoor hebben we een fantastisch uitzicht op de omringende valleien, verre regenbuien en een spiegelglad meertje in een kommetje op een top. Langzaam verschijnen er weer groene velden in het dal, bomen en huizen. Schapenmuurtjes tekenen abstracte vormen in het bruine landschap. Als de afdaling dan eenmaal komt, dagen we onze benen uit en gaan scherp naar beneden. Het gladde asfalt daarna is een verademing. Even weer normale stappen zetten, de benen strekken en heerlijk uitrekken. De Coast to Coast gaat voor Grasmere linksaf, maar wij gaan rechtdoor, het toeristische centrum in. Het dorp heeft een stuk of drie outdoorwinkels en Astrid heeft een nieuwe rugzak nodig. De heupriem van haar B-merkrugzak heeft losgelaten, waardoor al het gewicht op haar schouders rust en met nog acht wandeldagen in het vooruitzicht is dat geen goede zaak. Het is bijna sluitingstijd, maar gelukkig komen we in een goede winkel terecht met een uitgebreide keuze aan rugzakken. Voorzien van een A-merkrugzak die Astrid zo goed bevalt dat ik hem misschien ook ga kopen als ik aan een nieuwe toe ben, lopen we het dorp uit naar onze B&B.

Dag 3 Grasmere  – Shap 40 km
Het is officieel. Astrid en ik zijn bikkels. Van 07.00 tot 19.00 uur wandelen met alleen een koffiepauze van een half uurtje om 11.00 uur is zelfs voor mijn doen extreem en ik heb toch al best wat gekke dingen gedaan in mijn wandelcarrière. En dat met een wind van pak hem beet 60 km/u. Hard genoeg om ons van de sokken te blazen in ieder geval. Windsnelheden waarbij experts het afraden om de bergen in te gaan. Maar ja, wij gingen niet. Op het moment dat iemand daarboven de airco aanzette, waren wij er al…

De dag begint nog rustig en kalm. We zijn zoals gewoonlijk vroeg wakker en trekken niet veel later de bergen weer in. We lopen over een grindweg langs de beek Tongue Gill en volgens de gids is er een interessant alternatief aan de andere kant van het water. De eerste, nog vrij nieuwe brug die we tegenkomen, steken we over. We komen terecht in een wijngaard, waar het pad algauw verdwijnt tussen de jonge, door groene plastic kokers beschermde boompjes. Na een paar pogingen een route te vinden, geven we het op en keren terug naar de grindweg. Om even later een tweede brug tegen te komen die betere dingen belooft. Daar is een duidelijk pad dat de vallei in de juiste richting volgt. Terwijl de beek in de diepte ruist, steken we de talloze stroompjes over die dwars door het pad naar beneden dartelen. Langzaam stijgen we en tegen het eind van de vallei is er een waterval die zich vanaf een hoge rots naar beneden stort. Helaas kunnen we er amper iets van zien door de dichte mist die vanaf de toppen naar beneden zakt. We gaan verder omhoog en worden verwend met een goed begaanbare trap van platte stenen. Eenmaal boven dalen we weer af en ontwaren onder ons het rimpelloze water van Grisedale Tarn. Aan de verre oever kampeert een grote groep jongeren. Dik ingepakt wachten ze tot iedereen klaar is voor vertrek. En dan komen wij langs, in T-shirt en transpirerend na onze klim. Aan het eind van het meer heet een steen te staan met een gedicht van Wordsworth erop, want dit is de plaats waar William voor de laatste keer afscheid nam van zijn broer John, die in 1805 verdronk. Maar probeer maar eens één bepaalde steen te vinden tussen honderden andere stenen. Het is geen doen. Ook hier hebben we de keuze tussen een hoge en een lage route, maar die is makkelijk gemaakt. In dit weer, met in wolken gehulde toppen, heeft verder klimmen geen enkele zin. We dalen af in de vallei en zouden op Patterdale af moeten koersen. Helaas ligt het dorp net om een hoekje en misschien wel doordat we geen bestemming kunnen zien in de verte, lijkt er geen einde aan de vallei te komen. Toch valt er nog genoeg te zien en te genieten. Zo nu en dan een watervalletje en als we wat lager zijn, zit een geelgors prominent bovenin een boom te zingen. Zo goed heb ik het beestje nog nooit gezien! Na een paar boerderijen slaan we af naar een weg en even genieten we van het vlakke asfalt onder onze voeten. Normaal lopen, zonder na te denken hoe je je voeten neerzet, wat een luxe. Daarna worden we een nieuw natuurgebied ingeleid, Glenamara Park. Het gebied is allesbehalve parkachtig en de uitzichten over een ver meer, ingeklemd door bergreuzen, zijn meer dan indrukwekkend. Wanneer we dan toch Patterdale bereiken, stoppen we in een hotel voor koffie. Het dorp is niet groot en ik denk niet dat we verder nog veel horeca tegenkomen. Wel is er even verderop een souvenirwinkeltje waar we een mouwembleem en koelkastmagneet van de Coast tot Coast scoren. Ook al zijn we nog maar net begonnen, die hebben we alvast. Kort nadat we het dorp achter ons laten, steken we een beek over naar het gehucht Rooking. Daar beginnen we weer te klimmen. Heel geleidelijk, gelukkig. In rustig, maar gestaag tempo stappen we voort, terugkijkend naar de bergen achter ons en het meer, dat nu een glimmende, zilveren vlek in de diepte is. Eenmaal op de top komen behoorlijk wat paden bij elkaar en het vinden van de juiste is behoorlijk lastig, aangezien de gids van links en rechts opeens overschakelt naar zuid en zuidoost. Ik ben iemand van concrete aanwijzingen en herkenningspunten en windrichtingen of een kompas zijn aan mij niet besteed. Ik ben toch geen zeiler. Uiteindelijk kies ik een pad dat de juiste richting opgaat en waarvan de schaarse cairns aan de routebeschrijving van de gids voldoen, al passeren we de toppen aan de rechterkant, terwijl we die volgens de gids links hadden moeten passeren. Gelukkig komen we een wandelaar tegen die bevestigt dat dit het pad is naar Angle Tarn. Met zijn bijzondere vorm, zijn schiereiland en een klein eiland is het meer onmiskenbaar. Aan de oever zitten een paar ganzen, de die stilte luid verstoren met hun alarmroep als we langskomen. Hoewel we het meer van een andere kant naderen dan volgens de kaart had gemoeten, kan ik me nu weer goed oriënteren en gaan we over het enige en juiste pad verder, op weg naar een volgend meer, Hayeswater. Er is inmiddels een venijnige wind opgestoken en de miezer voelt als hagel tegen onze blote huid. Onze stokken worden  zowat weggeblazen en op de vlakke stukken doen we het zonder. Aan het begin van het meer zou een pad naar beneden moeten zijn, maar dat komen we niet tegen. Misschien wel omdat we een tweede, minder gebruikelijk pad volgen dat naar de top van The Knotts leidt, met 739 meter het hoogste punt van de Coast to Coast. Ergens bij het meer moeten we linksaf, maar waar? Door het slechte weer voelt de afstand langer en voor mijn gevoel hadden we de afslag allang moeten zien. We schuilen aan de lijzijde van een heuveltje om de gids nog eens te lezen en te zien of we een de vallei een pad kunnen ontdekken. Heel in de verte vangen we een glimp op van wat Haweswater Resevoir zou kunnen zijn, maar de lage bergrug ervoor staat niet op mijn kaart. Uiteindelijk trotseer ik de wind en beklim een heuveltje, waar ik zie dat we het einde van het Hayeswater nog niet hebben bereikt. We dalen af naar het officiële pad waarvan we zijn afgedwaald en ik prijs me gelukkig dat er niet zoveel mist hangt dat ik het meer niet kan zien. De wind maakt het denken lastig en ik begin me zorgen te maken. Onder deze weersomstandigheden wil je niet verdwalen in de bergen. Gelukkig blijft Astrid positief en zorgt voor een vrolijke noot. Voor ons lopen enkele wandelaars en ik hoop dat zij een aanwijzing kunnen geven over de juiste richting. Twee verdwijnen over een heuvel en één volgt een schapenmuurtje naar de top van The Knotts. Helaas. Uiteindelijk komen we bij een cairn en een pad naar links. Op dat punt kan het me eigenlijk niet zoveel meer schelen en wil ik alleen nog van deze berg af. De wind blaast ons letterlijk omver en ik stop mijn bril in een zak van mijn jas om te voorkomen dat hij van mijn neus wordt geblazen. Het pad leidt naar een bergtop en verdwijnt dan. Even weten we niet hoe we verder moeten, maar als de mist kort optrekt, zien we het pad verderop weer verschijnen. Het is geen makkelijk pad. Heel af en toe is er een stukje grind waarop we enigszins normaal kunnen lopen, maar verder is het meer klauteren en sukkelen over een mozaïek van rotsen. Beneden ons zien we een lang water dat alleen maar het Haweswater Resevoir kan zijn waar we op moesten uitkomen. Ik weet niet of het geluk of wijsheid is, maar we volgen het juiste pad. Wanneer we een stuk lager zijn en de wind wat is afgenomen, wil ik mijn bril weer opzetten, om er dan pas achter te komen dat de jaszak geen zak was, maar een stukje stof dat tegen de jas was aangelijmd. Was, want nu wappert de rits nutteloos rond en mijn bril is verdwenen. Astrid wil teruggaan om te zoeken, maar dat is nergens voor nodig. Ik zie ook zonder bril goed genoeg om te wandelen, alleen zijn de verten niet meer heel scherp. Een landschap als dit is juist rustgevend voor mijn ogen, overal groen, geen borden, geen snel verkeer. Daarnaast betwijfel ik of de lichte bril nog echt ligt op de plek waar ik hem ben verloren en niet al honderden meters verderop, door de wind gedragen. Het laatste stuk gaat over gras, maar het is zo steil dat het niet als een verbetering voelt na de rotsen. Voorzichtig schuifelen we naar beneden, tot we bijna aan het uiteinde van het meer staan. We moeten naar het andere uiteinde ervan en het is een verdraaid lang meer. Minstens 6 km slingeren we langs het water, af en toe nog klimmend en dalend, maar nooit meer zo erg als hoog in de bergen. Er zijn talloze watervalletjes en wanneer we bij een dennenbos komen, poseert een rode eekhoorn parmantig voor een foto. Zo nu en dan miezert het ook nog, maar zonder de wind zit er geen scherpte meer in het water en stoort het ons nauwelijks. Wel heeft de wind en regen ervoor gezorgd dat we geen lunchsstop hebben ingelast en alleen wat mueslireepjes hebben gegeten. Toch begint mijn maag weer te rammelen en als we kijken blijkt het half vier te zijn. We laten de boterhammen voor wat ze zijn en ik snijd twee dikke plakken kaas af van het stuk Goudse dat elke dag kleiner wordt. Ook heerlijk. Gesterkt lopen we door en als om de dag met een feestje af te sluiten, verschijnt er een prachtige regenboog over het meer. Wel een half uur lopen we naar de regenboog toe, zonder hem ooit te bereiken. Het eind van het meer, gemarkeerd door een strenge, rechte dam bereiken we wel. Daar verwachten we het dorpje Burbanks, maar op een paar huizen na, valt er geen leven te bespeuren. Zeker geen pub waar we een kop warme chocomel kunnen scoren. Een sprookjesachtig bosgebied vol paars bloeiende boshyacint leidt ons naar Naddle Bridge, waar we waarachtig een honesty box tegenkomen. Een krat vol lekkers, met een klein geldpotje erbij. We zijn beiden erg toe aan wat suiker en laten ons de blikjes cola goed smaken. Dit kwam echt op het juiste moment! En als Astrid ook nog drop bij zich blijkt te hebben, ben ik helemaal tevreden. Weer vol nieuwe energie volgen we het beekje door een aantal weilanden en langs boerderijen. Het lijkt of het gaat schemeren, want de lucht wordt donkergrijs. Het is gelukkig maar een miezerbui, de zoveelste vandaag. Nu het Lake District zo’n beetje verlaten, zijn markeringen weer toegestaan en de Coast to Coast staat redelijk goed aangegeven. Toch ben ik blij met de gids, die me feilloos de weg wijst naar Goodcroft en Fairy Crag. Een laatste heuvel en dan kijken we neer op de ruïne van de abdij van Shap, Het is maar een klein ommetje, maar Astrid is al net zo gek als ik en we lopen naar de gerafelde toren om even de toerist uit te hangen. Daarna is er alleen nog asfaltweg en zo op het eind is dat een verademing. We komen bij een kaal veld vol caravans en raken aan de praat met een dame die de Coast to Coast vier jaar geleden zelf heeft gelopen. Haar dochter en haar vriend lopen hem nu en ze heeft ze vandaag hier opgewacht. Ze geeft ons waardevolle tips over de route en het is erg leuk om haar ervaringen te horen. En dan is daar eindelijk Shap, onze B&B en een welverdiend ligbad.

Dag 4 Shap – Kirkby Stephen 32 km
De dag begint met een spoorlijn en een graspad naar de snelweg M6, terwijl een cementfabriek tegen de achtergrond van de bergen van Cumbria dikke rookwolken uitbraakt. Niet bepaald een fraai begin van deze etappe. Gelukkig steken we de snelweg snel over en wanneer we langs Harrendeel steengroeve lopen, verdwijnt het verkeersgeluid naar de achtergrond. We passeren het gehucht Oddendale, dat door bomen grotendeels voor ons verborgen blijft. Doordat we nu een volgens de gids afgepaste etappe lopen, ontmoeten we meerdere wandelaars die hun dag net als wij in Kirkby Stephen eindigen. Er is een pas getrouwd stel uit Arizona, een Duitse die met volle bepakking loopt en een Engelsman met wie we een tijd samen lopen. Het is rustgevend om even niet op de route te hoeven letten als we het weidse heidegebied Crosby Ravensworth Fell betreden. Aan de rand ervan komen we een vrij rechte lijn pokdalige stenen tegen. Het kan niet de oude Romeinse weg tussen Londen en Schotland zijn, want volgens de gids is die nu verdwenen. Het blijft een mysterie. We volgen het gemarkeerde pad slingerend over de heide en komen uit bij een weg die we volgen naar een iets drukkere weg. Onze gids geeft wel een graspad aan waardoor we wat asfalt kunnen vermijden, maar er rijdt op deze weg geen verkeer en we hebben het te gezellig om onze Engelse wandelmaat alleen te laten. De drukke weg hoeven we niet lang te volgen, door een kissing gate dalen we af richting Orton. Hier nemen we alsnog afscheid van onze wandelgenoot, want hij loopt het alternatief, met een grote boog om Orton heen, terwijl wij tussen lage heggen naar het dorp afdalen voor een stop in de chocolaterie. Aldus verfrist pakken we de route weer op, maar niet de officiële. Die volgt een weg het dorp uit, maar op het topografische kaartje zie ik dat we er ook via een public footpath kunnen komen. We volgen het voetpad door enkele weiden, tot het alsnog misgaat. We wijken één weide te vroeg af naar de weg en staan dan voor een ondoordringbare schapenmuur. Gelukkig heeft de weide een hek dat open kan en zo trotseren we een laatste stukje asfalt voor de hoofdroute en het alternatief elkaar weer ontmoeten. Het landschap oogt niet zo spannend en ruig als de afgelopen dagen. De mens heeft er duidelijk haar stempel opgedrukt. En toch is het mooi. De lage schapenmuurtjes, de velden waarin koeien grazen in groene vlekken zonlicht, de dreigende blauwe wolken en heel in de verte de bruine en donkerbruine heuvels. We belanden op een weg langs verschillende boerderijen, waar een hond semi-serieus naar ons gromt. Streng houd ik hem op afstand. Ik mag dan niet van honden houden, ik kan ze wel aan. Bij de laatste boerderij houdt de weg op en gaan we door over een graspad naar Tarn Moor, een volgend heidegebied waar een meertje zich tussen bleekblond gras heeft genesteld. We slingeren over de heuvels en komen twee dode schapen tegen, één ervan nog redelijk vers, de ander een hoopje botten met een oormerkje. Als vogelliefhebber juich ik dit alleen maar toe. De vale gieren die onlangs naar Nederland dwaalden, hebben er niets te eten en zijn zo weer weg. Een paar andere schapen lopen mank en ik vraag me af of er wel voor ze gezorgd wordt. We laten de heide achter ons en stappen vrolijk verder langs een aaneenschakeling van schapenmuurtjes en weides. Het verveelt geen moment. Dan dalen we af naar de in onbruik geraakte spoorweg en in het dal aan de andere kant zien we de Smardale brug over Scandal Beck die zó op een ansichtkaart kan. Een weiland verderop is een boer bezig zijn schapen met een tractor en een schapenhond naar de brug te drijven. We komen daar tegelijk met de eerste schapen aan en doen daarmee het harde werk van hond en boer weer teniet, want de schapen vinden ons maar eng en vluchten weer even hard terug de andere kant op. We steken het beekje over en als we omhoog klimmen en terugkijken naar de spoorweg, zien we de kale rotsen van een in onbruik geraakte mijn. Er zijn ook weer wat bomen, kort en laag alsof de wind ze in hun groei belemmert. We verwachten Kirkby Stephen nu snel te bereiken, maar Smardale Fell, een laatste heidegebied is groter dan ons ongeduld aankan. Achter elke schapenmuur verschijnt een nieuwe, achter elke weide meer groen gras. Tenslotte is daar dan onze derde ongebruikte spoorweg van vandaag en Greenriggs Farm. De boer heeft blijkbaar de nodige ervaring met wandelaars op plekken waar ze niet horen te komen, want er is uitbundig gepijld. Via de oprijlaan dalen we af naar Kirkby Stephen, waar we de Engelsman van vanmorgen weer tegenkomen. Dit is de laatste keer dat we hem zien, want wij houden een welverdiende rustdag.

Dag 5 Kirkby Stephen – Muker 24 km
Door een nauw steegje verlaten we het marktplein van Kirkby Stephen en dalen af naar de koperkleurige rivier Eden, Net aan de andere kant van Franks Brug is het volgens een wegwijzer nog 108 mijl naar Robin Hood’s Bay, terwijl St. Bees al 82 mijl achter ons ligt. We zijn bijna op de helft. We volgen de rivier een stukje en slaan dan af naar het dorpje Hartley. Als de daar op een kruispunt even de gids erbij pakken, tikt een dame op haar raam en wijst naar rechts. Daar vinden we een pad om een zeer bescheiden stroompje, Hartley Beck, over te steken en beginnen dan aan de lange klim naar de Nine Standards. Het eerste stuk van de klim gaat over een asfaltweg die om de Hartleymijn heen draait. Jonge konijnen schieten her en der weg onder bloeiende bremstruiken. Door verschillende wandelaars zijn we gewaarschuwd voor de slechte conditie van het pad in dit heidegebied en als we bij het laatste hek komen, zien we een crowdfundingsactie om op de grens van Cumbria en North Yorkshire met stenen te bekleden om de kwetsbare grond te ontzien. Om de erosie te beperken, zijn er drie routes door het gebied, te volgen in verschillende periodes. Voor ons ligt de rode route klaar, die in mei en juni mag worden gevolgd. Het bestaat uit een grindpad dat we bergopwaarts volgen. Heel in de verte zien we een heuvel met een aantal puisten erop, de Nine Standards die steeds dichterbij komen. De zon is nu goed doorgebroken en we krijgen het warm op onze weg omhoog. Om ons heen zingen de veldleeuweriken alsof ze hun eigen Idols-competitie houden. Naarmate we de Nine Standards naderen, wordt het pad inderdaad iets slechter, maar het is lang niet zo erg als ons is voorgespiegeld. Het heeft de laatste weken niet hard geregend en hoewel de turf meegeeft onder onze voeten, zakken we er niet heel diep in weg. Na eerst een paar ‘gewone’ steenhopen, bereiken we dan de top waar de indrukwekkende cairns op ons wachten. Het valt meteen op dat ze niet uniform zijn. De een is vierkant, de ander kogelvormig, weer een derde spitst zich trapsgewijs toe. Het zijn geen gewone cairns, die bergwandelaars de weg wijzen in mistige omstandigheden. Waar dienden ze voor? Meestal zijn er wel legenden over zulke unieke objecten, maar de theorie dat het ze zijn gebouwd om het leger van Bonnie Prince Charlie in verwarring te brengen, zoals de gids suggereert, lijkt niet waarschijnlijk. Charles Edward Stuart leidde in 1745 de opstand van de Jacobieten, terwijl een Welsh document uit de 6e eeuw  al spreekt van ‘de betande berg’.

Na even rond te hebben gekeken en te hebben gerust, gaan we door. Ook al is de dag niet lang, op de top van deze berg waait het te hard om stil te zitten. Langs een oriëntatiebord met de namen van verre heuveltoppen dalen we weer wat af. Het pad wordt nu inderdaad wat slechter en de grond is grondig stuk gelopen door de vele wandelaars. We lopen over waterplassen heen en springen over drassige stukken, maar toch zak ik één keer tot aan mijn kuiten weg in de modder. Astrid is voorzichtiger en dat is aan haar broek te zien. Waar de mijne zowat tot aan de knieën zwart is, heeft die van Astrid slechts een enkel spatje. Overal om ons heen glooiende heuvels, alsof het nooit ophoudt en er geen dorp, geen stad is voorbij de horizon. Heerlijk. Astrid schrikt een fazantenkuiken op die snel het pad verlaat, de moeder doet wild flapperend of ze gewond is om roofdieren mee te lokken. We zijn niet gevaarlijk en als we voorbij zijn, keert ze terug naar haar jong. Even verderop blijkt een eenzaam roepende vogel een goudplevier te zijn. Erg mooi! We komen ook halfronde muurtjes tegen die netjes zijn genummerd. Het zijn schuttersputjes voor de jacht op korhoenders. Helaas zien we de in Nederland zeldzame vogel niet.  We worden ingehaald door een Nederlander die vandaag naar Reeth doorloopt en ondanks zijn lange etappe houdt hij even in voor een praatje over de honderdste Vierdaagse, die hij en Astrid allebei gaan lopen. Bij een boerderij nemen we afscheid, want de familie staat bekend op zijn heerlijke  scones en Astrid en ik hebben wel trek in iets lekkers. Na de versnapering, die inderdaad heerlijk blijkt, lopen we door langs een indrukwekkend ravijn, How Edge Scars. We volgen het een hele tijd, genietend van de aanblik die het biedt op de rivier in de diepte. Bij een vork in de weg kiezen we geheel tegen ons instinct in voor het asfalt naar Keld. Volgens de gids is er een spectaculair uitzicht dat je mist als je nog voor wat extra meters gras kiest. Algauw begrijpen we waarom en worden we bevestigd in onze keuze. Een enorme klif van kalksteen, met een rand van bomen, torent boven de bruine rivier uit. Wain Wath Force Fall is een aantrekkelijke, zij het niet al te hoge waterval. Zeker het asfalt waard.

Niet veel verderop slaan we af naar Keld, een klein dorpje met alweer een paar prachtige watervallen aan de andere kant ervan. Hier komen we een Engelsman tegen die spontaan Nederlands begint te praten als hij hoort waar we vandaan komen. Erg leuk en bijzonder. Als we de rivier zijn overgestoken, slaan we af richting Muker. De hoofdroute van de Coast to Coast gaat bovenlangs naar Reeth, een etappe van vijf uur. Wij hebben een overnachting in Muker geboekt en dat betekent het alternatief langs de rivier. De route bovenlangs komt langs ruïnes van smeltovens en andere tekenen van de mijnbouw die hier ooit bedreven is. Hoewel de gids het aanraadt, trekt het me niet. Hoewel ook het landschap langs de rivier duidelijk door mensen is beroerd, voelt dit niet als een litteken. Het is prachtig. Een lange grindweg voert ons hoog langs het water tot we afdalen en de rivier oversteken naar Muker. We zijn weer dik tevreden.

Dag 6 Muker – Catterick Bridge 35 km
Over het fraai betegelde pad lopen we terug naar de rivier Swale. Die steken we over en aan de andere kant van de voetbrug pakken we de route weer op. Aan alle kanten vluchten konijntjes voor ons, die veel kleiner zijn dan de Nederlandse en wel in onze had passen. Vreemd genoeg zijn een aantal holen juist vlak bij de rivier en de beestjes wagen zich over en onder boomwortels op weg naar de veiligheid. We kruisen talloze schapenmuurtjes door overstapjes die beslist voor slanke mensen zijn gemaakt. De overstapjes zijn amper 50 cm breed en waar dat nog teveel wordt gevonden, is een dwarssteen geplaatst om het gat te verkleinen. Zelfs de superslanke Astrid heeft met sommige overstapjes nog moeite. Overgewicht wordt hier niet gewaardeerd. We blijven weilanden dwarsen, waar GB een onuitputtelijke voorraad van lijkt te hebben. In veel weilanden staan vervallen schuurtjes, gebruikt om vee te stallen en hooi op te slaan. Sommige zijn nog in gebruik, andere niet meer dan een ruïne. Het water van de Swale ruist over de ondiepe stenen bedding. Waar de bedding wat breder is en het water dieper, verdwijnt het rustgevende geluid en missen we het. Aan stukjes touw in de bomen en riet in een prikkeldraadhek is te zien dat het water hier veel hoger kan staan dan nu. Met dit lage water verwacht ik geen ijsvogels te zien, maar halverwege de ochtend zien we dan toch twee blauwe flitsen langsscheren. De route wordt  langzaam groener dan hij tot nu toe is geweest Langs de rivier lopen we door een tunnel van bomen, terwijl om onze voeten witte en paarse bloemen bloeien. We zien fazantenhanen, scholeksters en een grutto.  Het valt Astrid op dat de schapenmuurtjes hier vervallen zijn en op veel plekken vervangen door prikkeldraad aan houten palen. Het is ongetwijfeld effectiever en eenvoudiger, maar het doet wel wat af aan de Engelsheid van het landschap. Algauw bereiken we Reeth, wat een grotere plaats is dan we verwachtten, met drie pubs en betaald parkeren. Na Reeth dalen we opnieuw af naar de rivier, volgen hem een tijdje over een heerlijk groen pad tussen de bomen en klimmen dan omhoog door een bos als een sprookje. Eén bloemenzee en hoewel de bloemen enigszins naar uien ruiken, is het prachtig. Mei is toch echt de beste tijd om de Coast to Coast te lopen. Het is rustig en alles staat in bloei. Op een weg uitgekomen volg ik de pijl van het public footpath naar rechts, voor ik me realiseer dat we naar links hadden gemoeten, via een overstapje een weiland in. Daar is het lastig platgetrapt gras van bandensporen te onderscheiden, maar we volgen de weg beneden ons in de juiste richting. Een weiland verder zien we in de verte vier dames lopen en omdat het pad ook duidelijker wordt, houden we de schade aan het wintervoer voor de koeien beperkt. We volgen de dames naar de ruïnes van een abdij, waar nu een outdoorcentrum in is gevestigd. Net als de vier wandelaarsters  kunnen we het niet laten om toch een kijkje te nemen. Algauw komt er een medewerkster naar buiten om ons op een typisch Engelse manier, heel beleefd, weg te sturen. Toch maak ik nog snel een foto van het schitterende landschap door een vergaan kerkraam. Dan begint het klimmen, het dal uit door een bos dat heel toepasselijk Steps Wood heet. Volgens de gids is er een trap met 375 treden, maar in feite is het een goed geplaveid pad omhoog, waardoor het stijgen niet al te veel inspanning vergt. Bovendien lopen we door een bos omhoog, een welkome afwisseling na al die weiden. We komen uit in…een weide. Er staan met een aantal jonge koeien en of het stieren of vaarzen zijn, geen idee. Ze staan op als we langskomen en staren ons aan. Wij staren net zo hard terug en lopen door. De dames voor ons waren zo geïntimideerd, dat ze een ruime omweg hebben gemaakt. We doorkruisen het gehucht Marrick en aan de andere kant van het dorp is opnieuw een veld nieuwsgierige koeien. Zo nieuwsgierig zelfs dat ze ons achterna komen wanneer we hun domein betreden. Gelukkig geven ze de achtervolging uiteindelijk op. Van Marrick koersen we op Marske af. Al sinds Nine Standards zijn we in Yorkshire Dales National Park, maar ik heb niet het gevoel in een natuurgebied te lopen. Dit is boerenland, fraai, maar om het nu een nationaal park te noemen. Of misschien missen we de hoogtepunten ervan op onze snelle weg van west naar oost. Vlak voor Marske vindt Astrid een bril bij een overstapje, netjes op een steen gelegd alsof de wandelaar die hem hier heeft verloren er nog voor terug zal komen. Pas later bedenk ik dat ik hem wel eens had kunnen proberen. Misschien was het wel ongeveer mijn sterkte. Na Marske is er opnieuw een venijnig klimmetje, het houdt niet op en daar zijn we alleen maar blij mee. Al een tijdje horen we helikopters en zien we ze ook in een soort zoekpatroon langs de heuvels vliegen. Eerst denken we dat er een ongeluk is gebeurd, maar later begrijpen we dat het om een militaire oefening gaat. Na een aantal boerderijen met allemaal Applegarth in de naam, is er heerlijk bos, Whitecliffe Wood. Het eindigt vlak voor een asfaltweg, maar de gids geeft een alternatiefje dat het groen nog een kilometertje of wat verlengt. We slaan rechtsaf, een smal graspad naar beneden, waar we weer bij de rivier uitkomen. Dan moeten we er toch aan geloven en lopen Richmond binnen. Wat een cultuurshock na zoveel dagen natuur. Zo druk, zoveel lawaai, zoveel verkeer. Wat ben ik blij dat we hier niet overnachten, maar een gehuchtje verderop. Toch vind ik ook in deze stad interessante geschiedenis, zoals de toren van de Albertijnen, ook wel de Grijze Broeders genoemd. Afhankelijk van giften waren ze zo succesvol in het vinden van donateurs, dat de rijkdom velen een doorn in het oog werd en de kloosters werden ontbonden. De toren uit 1500 was nog niet afgebouwd toen de orde in Richmond ophield te bestaan en is nu alles wat van het klooster nog rest. Even verderop steekt een tweede toren boven de daken uit en dat is Richmond Castle, de ruïne van een kasteel uit de 11e eeuw, waarvan alleen de muren en enkele gebouwen nog overeind staan. Terwijl Astrid buiten wacht, glip ik net voor sluitingstijd naar binnen. Ik bekijk de grote zaal, die nog iets van zijn oude glorie heeft bewaard en beklim de donjon uit de 12e eeuw, omdat het kan en omdat je van bovenaf een prachtig uitzicht hebt. In de Eerste Wereldoorlog, toen de dienstplicht werd ingevoerd, werden dienstweigeraars in de cellen van de donjon opgesloten. De tekeningen en boodschappen die zij op de muren achterlieten, zijn helaas te kwetsbaar om door bezoekers te mogen worden bekeken en ik moet het doen met foto’s ervan.

De gids geeft geen duidelijke aanwijzingen hoe we vanuit Richmond verder moeten, alleen dat er talloze kleine straatjes naar Richmond Bridge leiden. Wij kiezen een verkeerde straat en komen uit bij Station Bridge. Als ik dat eenmaal door heb, lopen we op de kaart verder tot we de route weer oppikken. Daarbij komen we langs de resten van de Easby Abdij, een toren in iemands achtertuin waarin brandhout droog wordt gehouden. Erg bijzonder. Door onze omweg lopen we langer dan nodig langs de drukke A6136. Het verkeersgeluid begint na een verrassend korte tijd te irriteren. Eindelijk mogen we dan afslaan en omdat er een fietsbordje naar Catterick staat, lopen we bijna verkeerd. Gelukkig komen we op het juiste moment een hondenbezitter tegen die ons de juiste weg wijst. In Colburn twijfelen we opnieuw, maar kiezen dit keer de goede richting. Dan komen we bij een veld, zien over een heuvel het rode dak van St. Gilles Farm en stevenen er recht op af, terwijl we volgens de route een bochtje linksom hadden moeten maken. Oeps! Door iemand achtertuin bereiken we toch nog St. Gilles Farm, een luxe B&B die we delen met zes Engelsen die de Coast to Coast al voor de derde keer lopen. Ze zijn drie dagen eerder gestart dan wij en hebben geen rustdag gehouden. Dat we ze nu hebben ingehaald, voelt best apart. De groep had in Shap al gehoord van twee Nederlanders met obsceen lange etappes en zijn gepast onder de indruk. Vanaf nu doen wij het rustiger aan en dat betekent dat we min of meer gelijk met de Engelsen oplopen.

Dag 7 Catterick Bridgge – Osmotherly, 34 km
Een tropische dag zoals we nog niet eerder hebben gehad begroet ons wanneer we ‘s ochtends de deur uit stappen. Vol goede moed gaan we op weg, maar al vrijwel meteen lopen we verkeerd volgens onze tot nu toe betrouwbare gids. We keren om en komen al gauw de Engelsen tegen, die kort na ons op pad zijn gegaan. Zij hebben een gids die nog dit jaar is uitgebracht en daar staat een omleiding in vanwege de aanleg van een nieuwe snelweg. Hoewel ze iets langzamer wandelen dan wij, lijkt het ons verstandig om even samen op te lopen en zo vinden we de weg naar het viaduct over de snelweg en langs de paardenracebaan van Catterick. Voor de laatste keer steken we de Swale over en omdat de Engelsen ongemerkt al een paar honderd meter achterop zijn geraakt, besluiten Astrid en ik er vandoor te gaan. Hoewel we de rivier nauwelijks zien door de bomen en het onkruid langs de oevers, volgen we de loop ervan door een laatste schapenwei. Ooien en lammetjes liggen heerlijk op het pad in de schaduw en met deze hitte maken we graag boogje om ze heen om ze niet te verjagen. Bij een zand- en grindafgraving verlaten we de Swale voorgoed. We lopen om de afgraving heen naar Bolton-on-Swale en mogen na de duistere kerk een weiland in, waar we een meanderend beekje volgen. Het gras staat hoog en zowel mijn schoenen als broek worden flink nat. Heerlijk verkoelend in deze hitte. De route is een goed platgetrapt pad door het gras, mede doordat de boer erop aandringt dat de wandelaars de rand van het weiland aanhouden. Het gras is immers het wintervoer voor zijn koeien. Uiteindelijk komen we uit op een drukke weg, die we volgen langs Kipling Hall, een landhuis dat zoals wel vaker achter hoge muren verborgen blijft. Voor mijn gevoel lopen we vrij lang door de berm voor we mogen afslaan, maar in werkelijkheid zal het hooguit een kilometer zijn geweest. Ik verwacht ergens rechtsaf te moeten slaan en wordt onrustig als de route erop staat om rechtuit te gaan. Toch zitten we goed, want het gastenboek van een biologische boer en de ruïne even verderop staan gewoon in de routebeschrijving. We volgen de route van boerderij naar boerderij over akkers met wuivend jong graan en frisgroen gras. Zo komen we in Danby Wiske, een bijzondere naam voor een dorp. Het doet mij aan de naam van een stripfiguur denken, maar blijkt te komen van de oud Noorse woorden Danir en by, dat ‘boerderij van de Denen’ betekent en Wiske verwijst naar de nabijgelegen rivier. We rusten even uit bij de pub en als we verder gaan, nemen de Engelsen onze plaatsen in. In de verte horen we de treinen van Londen naar Edinburgh voorbij razen en al snel steken we een spoorbrug over. Daarna volgen enkele koolzaadvelden, die we gisteren pas voor het eerst uit de verte hebben gezien. Door de zon kleuren de bloemen ook echt Smiley-geel en het is prachtig. Het pad door de koolzaadvelden is zo smal dat zelfs mijn broek geel ziet van het stuifmeel. Een tweede spoorlijn, die van York – Middlesbrough steken we via een onbewaakte spoorwegovergang over. Een trappetje levert ons af op de rails en aan de andere kant is weer een trappetje omhoog. Grappig. Zo langzamerhand trekt de wind aan en brengt het geluid mee van de drukke A19, een vierbaansweg die we straks moeten oversteken. Hier zie ik de hele dag al tegenop, want het is ronduit gevaarlijk. De auto’s rijden er snel en het zijn er veel. Ook de Engelsen hebben ons gisteren gewaarschuwd goed op te letten. Omdat de Coast to Coast geen National Trail is, is er geen geld voor markeringen en zoiets als een voetgangersbrug. Blijkbaar is het wachten tot de eerste dode valt voor er iets aan wordt gedaan. Maar ik wil niet die eerste zijn. Uiteindelijk valt het toch nog mee. De auto’s en vrachtwagens rijden hard, maar juist als we aankomen lopen, zie ik een gaatje in het verkeer van rechts en rennen we naar de vluchtheuvel in het midden. Meteen daarna is er een gaatje in het verkeer van links en zo zijn we er in een wip over. Maar wij zijn hier vroeg, voor de spits. Ik ben benieuw hoe moeilijk de Engelsen het hebben, die na ons komen. We lopen opgelucht door naar Ingleby Arncliffe en vandaar naar Ingleby Cross. Daar wacht ons weer een bos, Arncliffe Wood, maar het duurt even voor ik de bomen aan weerszijden van een brede grindweg als bos herken. Het pad is te netjes, de bomen staan er te ver vanaf. We zigzaggen omhoog en dit keer met frisse tegenzin, want alles wat we nu stijgen, moeten we straks weer omlaag. Uiteindelijk komen we bij een klaphekje aan de rand van het bos, waar we de Coast to Coast even verlaten. Onze B&B is in Osmotherly, volgens de planning 1 mijl van de route af, maar het voelt behoorlijk veel verder. De B&B is een heel end buiten het dorp en dan moeten we nog terug naar het centrum voor de pubs.  Maar vanaf nu worden de etappes telkens korter, dus dat kan er ook nog wel bij.

Dag 8 Osmotherly – Blakey Ridge, 32 km
Voor het eerst deze Coast to Coast hoeven we de gids nauwelijks te raadplegen, want de route volgt vrijwel de hele dag de Cleveland Way, die, als National Trail, uitstekend is gemarkeerd. Op advies van onze gastvrouw snijden we een stukje af om weer op de route te komen en onze Coast to Coast begint vandaag met een laatste stukje bos voor Scarth Wood Moor. Dat is een weids heidegebied, vol bruintinten en een regenboog aan groen. Om erosie te voorkomen, is het pad geplaveid met platte stenen. Het loopt makkelijk, maar mist de natuurlijke charme en uitdaging van los zand of kale rots. Ik hoop niet dat fysieke uitdaging van de Coast to Coast ook zo onderuit wordt gehaald als het pad een national trail wordt en budget krijgt voor het onderhoud van paden. Van de heide lopen we een bos in, Clain Wood, met ook al weer een makkelijk grindpad. Het groen aan weerszijden van het pad is zo jong dat ik me er bijna oud door ga voelen. Via een asfaltweg stijgen we weer wat hoger en komen op Live Moor en vandaar op Carlton Moor. We lopen vlak langs de rand van het heide gebied, waar de aarde een spectaculaire snoekduik naar beneden neemt. In de diepte zien we gele koolzaadvelden, nette groene vakjes met graan of gras, dorpjes als poppenhuisjes. Vanuit het niets rijst een heuvel op, kaal met op de top een groen bos, als een slecht zittend toupetje. Volgens de gids zouden we vandaag voor het eerst de Noordzee kunnen zien, maar de kans daarop achten we nihil. Hoewel het weer lang niet zo slecht is als voorspeld, wordt het zicht in de verte begrenst door een wit gordijn van mist en fijne regen. Wij lopen droog en prijzen onszelf gelukkig met elk uur dat het nog niet regent. Plotseling vliegt er een vogel langs en strijkt even verderop neer in de heide. Hij maakt een geluid dat ik nog niet eerder van een vogel heb gehoord. Een soort lachen of knorren, een mopperende oude man of een speelgoedeend versneld afgedraaid. Erg apart. Als ik met mijn camera inzoom, zie ik rode kammen boven de ogen. Een korhoen! Wat bijzonder! In Nederland zijn de vogels zo goed als uitgestorven. Alleen op de Sprengenberg bij Nijverdal kwamen in 2013 nog twee hanen en tien hennen voor. Een nauwelijks levensvatbare populatie. Dat jaar zijn er ook 25 uit het wild gevangen vogels uit Zweden geïmporteerd, maar door voedselgebrek sterven de jongen binnen een paar dagen nadat ze uit het ei zijn gekomen. Ik maak foto’s, maar dan geeft mijn camera plotseling aan dat de geheugenkaart vol is. Acht MB. Vol? Gelukkig heb ik er nog twee bij me en maak er paar foto’s meer. Een korhoen! Mijn dag kan niet meer stuk.

Even verderop is een splitsing. Er staat geen markering. Tot nu toe heb ik puur op de witte eikeltjes van de national trail gelopen en niet in de gids op de kaart of de routebeschrijving bijgehouden waar we zitten. Daarom is het even puzzelen voor ik besluit dat we rechtdoor moeten. Wanneer we een soortement trap afdalen, komen we een Engelsman tegen die bevestigt dat we goed zitten. Hij blijkt een vrijwillig boswachter in het Lake District te zijn en is erg spraakzaam. Hij vertelt dat korhoen in Engeland worden gekweekt en dan worden losgelaten voor de jacht. Geen van drieën zien we hier de lol van in. Met enige moeite nemen we afscheid en lopen door naar een bijna onzichtbaar café voor een welverdiende pauze. Bij het café is ook een winkeltje met een slagerij, brood, tomatenpuree en souvenirs. En dat terwijl er in de verste verte geen dorp te bekennen is. De verkoopster legt uit dat het vlees afkomstig is van hun eigen koeien op het landgoed en dat veel boeren uit de omgeving er kopen. Opnieuw kost het moeite om ons los te maken van de spraakwaterval en wanneer we buiten staan, komen de zes Engelsen van gisteren juist aanlopen. Weer wacht ons een korte, maar stevige klim naar een heidegebied, Cringle Moor. Als we aan de andere kant van de heuvel weer afdalen, zien we een tweede korhoen en dan zelfs een derde. Wow! We blijven stijgen, afdalen en weer stijgen. Onze moeite wordt beloond met een prachtig uitzicht en met de Wain Stones, een indrukwekkende rotsformatie die ik in dit verder kalm golvende landschap niet verwachtte. Het is niet meteen duidelijk hoe het pad vandaar verder gaat een ik volg een uitgesleten geitenpaadje om de stenen heen. Aan de andere kant is het nog maar een voet breed en strijken de heidestruiken tegen mijn broekspijpen. Ik begin te twijfelen. Waar is mijn mooi geplaveide pad gebleven? Via de uitgesleten voetstappen van honderden wandelaars voor ons hijsen we ons omhoog tegen de steile bergwand. Daar komt het geplaveide pad van rechts. Oeps! We volgen het naar links en stappen vrolijk verder. En alweer komt er een korhoen aanvliegen. Deze verdedigt duidelijk een territorium, want hij komt steeds dichterbij en drentelt van links naar rechts over het pad terwijl hij ons met gestrekte nek hooghartig aankijkt. Op zo’n twee meter afstand blijft hij staan en ik kan prachtige foto’s maken. Ik moet zelfs uitzoomen omdat hij anders te dichtbij is. Uiteindelijk besluiten we het beestje niet verder te plagen en lopen door. Rond 14.00 uur sluiten de wolken ons dan toch in en begint het te miezeren. Samen met de harde wind wordt het fris, maar we verwachten dat het niet ver meer is naar de eindbestemming en trekken ons er niets van aan. Miezer is nog geen regen, toch? Een breed grindpad voert ons snel door Urra Moor. Langs het pad staan een soort grensstenen, waarvan één met een lachend gezicht erop, De Face Stone, zoals de steen bekend staat, komt terug in de routebeschrijving en zo weten we zeker dat we goed zitten. Wel fijn om die bevestiging te krijgen. Zo nu en dan zien en horen we korhoenders, maar we hebben er weinig aandacht meer voor. Wat vanmorgen nog zo bijzonder was, is al heel snel gewoon geworden. In totaal zien we er wel een dozijn, ver en dichtbij.

Kort daarop bereiken we de voormalige Victorian mineral railway, de spoorweg tussen de ijzergroeve van Rossdale en Teesside. Hier nemen we afscheid van de Cleveland Way en het hoge talud neemt de functie van houvast over. Van hier tot het eind hoeven we alleen de spoorweg maar te volgen en over het fijne grind loopt het makkelijk. Helaas miezert het nog steeds behoorlijk en om de gids te sparen, werp ik alleen korte blikken op de kaart. Ik heb de routebeschrijving niet uitgebreid gelezen, waarin staat dat we de spoorweg acht kilometer moeten volgen. Daardoor verwacht ik het einde redelijk snel en als het na een half uur en zelf een uur uitblijft, begin ik me zorgen te maken. Zowel Astrid als ik koelen flink af en dat is geen goede zaak. Met brede bochten zwiert de spoorweg om de lage dalen heen. Het zicht wordt steeds slechter, tot we hooguit dertig meter ver kunnen kijken. Onder andere omstandigheden zouden we zelfs nu genieten, want de heide blijft prachtig. Zoveel tinten en vormen. Geen weg, geen huis te zien. Juist dat ‘geen huis’ zouden we nu graag anders zien. Dan komen we bij een steen waarop ‘Blakey’ staat en hoewel ik weet dat ik hier geen dorp kan verwachten, staat de Lion Inn, ons hotel, in het gehuchtje Blakey Ridge. Vanaf het talud zien we een klein rood dak. Een modderig karrenspoor leidt ernaar toe. Er staat geen bord, geen markering. Langs het pad ligt alleen een steen met wat vergane verfstrepen. We lopen naar het dak toe, maar het blijkt een veeschuur te zijn. Teleurgesteld keren we terug naar het talud. Dan lichten de wolken even hun witte rokken en zien we verder naar achteren een tweede, groter rood dak. Zou dat het zijn? Of het nu het hotel is of niet, ik wil er naartoe. We zien geen andere weg naar links, dus keren terug naar het modderpaadje. We lopen de schuur voorbij en komen bij een stenen muurtje. Een parkeerplaats vol auto’s. De Lion Inn! Bijna waren we er voorbij gelopen, maar we hebben het gevonden. Dankbaar maken we gebruik van het ligbad om weer op temperatuur te komen en we dineren aan een tafel voor de loeiende open haard. Heerlijk.

Dag 9 Blakey Ridge – Littlebeck, 28 km
Door gisteren wijs geworden trekken we in onze regenkleding de witte wereld in. Mist is overal en als we aanlopen, miezert het. Van ellende stop ik zelfs mijn camera in mijn rugzak, een zeldzaamheid. De eerste kilometers gaan over een asfaltweg. Saai, erkent ook de schrijver van de wandelgids, maar het is niet anders. Er is wel een alternatiefje door de heide, maar dat is moerassig en zeer slecht begaanbaar. Ondanks de mist rijden sommigen als maniakken en dat terwijl er af en toe ook gewoon schapen oversteken. Gelukkig mogen we na een tijdje een tweede, rustiger weg in en kunnen we niet veel later een stukje afsnijden door de heide. Zoals de gids al voorspelde is het pad erg slecht. Vele wandelaars voor ons hebben om de grootste plassen heen een nieuw paadje gemaakt, maar zo nu en dan blijft het puzzelen en moeten we zelf op ontdekkingstocht. Voor ik een stap neem, test ik de grond met een van mijn stokken en één keer verdwijnt die zowat tot halverwege in de modder. Alleen doordat ik de boodschap dan al wel heb begrepen, gaat de stok er niet tot aan het handvat in. Ook dit overleven we en we komen uit op een weg die we maar een klein stukje hoeven te volgen voor we het een grindpad naar Glaisdale inslaan. Eerst wordt het lichter, dan wordt het droog. Hoewel we niet het gevoel hebben veel te zijn gedaald, komen we onder de wolken en voor ons strekt zich een groene vallei met enkele boerderijen uit. Door de heide murmelen talloze beekjes, sommige stromen brutaal over het pad. Opnieuw vliegen korhoenders regelmatig voorbij en vermaken ons met hun gorgelende geluidjes. Maar ook goudplevieren laten van zich horen. Mijn camera krijgt weer zijn vaste plekje aan mijn rugzak en snort tevreden. De weg die we lopen laat zich makkelijk volgen en vlak voor Glaisdale raken we aan de praat met een Engelsman die ondanks twee nieuwe knieën, twee nieuwe heupen en reuma blijft wandelen. Top! Pas wanneer hij over de Brexit begint, nemen we afscheid. Geen politiek aan mijn hoofd tijdens mijn vakantie. In Glaisdale genieten we zelfgebakken taart in een piepklein theehuisje in iemands achtertuin. Al gauw stromen er meer wandelaars binnen en maken we plaats. Door het dorp dalen we steil af naar de rivier Esk. Even is de route lastig te vinden, maar gelukkig staat ook hier een duidelijke markering. Daardoor missen we wel de Bedelaarsbrug, die volgens de gids zeker de moeite waard is. Volgens een groepje Engelsen is die maar een paar meter verderop, aan het oog onttrokken door een spoorbrug en met plezier lopen we er naartoe. Het is inderdaad een beste brug, maar het mooist is natuurlijk nog het verhaal dat erbij hoort. De brug is in 1619 gebouwd door Thomas Ferris. Dat was een arme man, die verliefd was op de dochter van een rijke boer. Hij vatte het plan op om naar zee te gaan om zijn fortuin te maken. De nacht dat hij Glaisdale verliet, stond de Esk door de regen zo hoog, dat hij zijn vlam niet kon bezoeken. Uiteindelijk keerde hij als rijk man van zijn reizen terug en bouwde de brug, zodat andere geliefden nooit zo van elkaar gescheiden zouden zijn zoals hij en zijn nieuwe vrouw.

Na de brug lopen we terug naar het pad en gaan verder door een prachtig bos vol blauwe en witte bloempjes. De regen van gisteren heeft ook hier zijn sporen nagelaten, want het is ongelooflijk modderig en spekglad. Gelukkig is ook hier de route geplaveid met platte stenen en alleen waar die ontbreken, glibberen we op eigen kracht voort. In de diepte horen we het water met kracht brullen. Als we het bos uitkomen, is het vlakke asfalt een opluchting. Om Egton Bridge te bereiken moeten we de Esk nogmaals oversteken en dit keer doen we dat niet via een brug, maar stapstenen die door generaties wandelaars zijn uitgesleten. Ze zijn gelukkig niet glad en we hoeven geen grote stappen te maken en zo komen we veilig aan de overkant. Het katholieke geloof is hier nog sterk aanwezig en het plaatsje heeft daarom de bijnaam ‘het dorp dat de Reformatie is vergeten’. We bezoeken de kerk en die is bijzonder. In de muren is een kruisweg aangebracht, in driedimensionale, kleurrijke beelden. Er zijn de relieken van een heilige, Nicolas Postgate, die na de massahysterie over de vermeende installatie van een katholieke paus op 82-jarig leeftijd werd opgehangen en gevierendeeld in York. Ook staat er het model van een schuilkerk uit de 17e eeuw, die in 1830 is teruggevonden toen een bediende per ongeluk met haar hand door het pleisterwerk sloeg en de verborgen ruimte ontdekte. Na de kerk lopen we een klein stukje terug voor het pad over een landgoed naar Grosmont. In een weiland zien we maar liefst drie fazanten, twee hanen en een hen. Ook horen we in de verte een stoomfluit en af en toe het gepuf van een trein in beweging. We wijken af van de route en doorkruisen een weiland naar een onbewaakte spoorwegovergang. Maar hoewel we de trein regelmatig blijven horen, verschijnen er geen witte wolkjes aan de horizon en komt het gepuf niet dichterbij. Na een tijdje vruchteloos te hebben gewacht, vervolgen we onze route. Dan komen we een Engelsman tegen die vertelt dat de trein waarschijnlijk naar Whitby gaat, precies de andere kant op. Maar wanneer we Grosmont binnenlopen, zien we de stoomtrein op het rangeerterrein net voorbij het snoezelige stationnetje geduldig staan te puffen. Hoewel de trein pas over een uur vertrekt, rijdt hij al wel vast het station binnen, zodat de talloze wachtende toeristen zich kunnen uitleven met hun camera. Voldaan en tevreden verlaten we het dorp via een erg steile heuvel van 33%. Nog even de spieren strekken voor we mogen dalen. En nog steeds is de Noordzee nergens te bekennen. De weg gaat dwars door een heidegebied waar schapen grazen. Veel automobilisten rijden zo hard dat ze vast zelf voor hun eigen kebab willen zorgen. Volgens de gids moeten we rechtsom langs twee steencirkels. We proberen een klein paadje uit en hoewel we genoeg stenen zien, kunnen we er geen cirkel in ontdekken. We keren terug naar de weg en volgen die, tot we weer een stukje mogen afsnijden door de heide. Waren onze schoenen net een beetje schoon… Nadat we de A169 zijn overgestoken, volgt nog een laatste heidegebiedje voor we de rand van Littlebeck bereiken, ons eindpunt van vandaag. Omdat de zes Engelsen alle kamers in de B&B hebben gereserveerd, logeren wij bij een vriendin van de eigenaresse. Maar we eten wel gezamenlijk en dat is weer erg gezellig.

Dag 10  Littlebeck – Robin Hood’s Bay, 21 km
Meestal word ik de laatste dag bedrukt door een gevoel van weemoed. Het einde nadert. Wat ging het snel. Zo niet bij de Coast to Coast. Tot de laatste kilometer blijft het intens genieten. Het begint al aan de rand van Littlebeck, waar we een bijna tropisch aanvoelend bos in worden gestuurd. Zo intens groen en vochtig dat ik me even weer in Nieuw Zeeland waan. In de diepte bruist een beek alsof het een rivier is. Het pad hoog boven het bruine water is extreem modderig. Een echt Olat-paadje en dat in Groot Brittannië. We glijden en schuifelen langs plassen en over boomwortels. Af en toe liggen er platte stenen om het wandelen iets makkelijker te maken of een houten plankier, maar dat is een uitzondering. Alleen onze stokken houden ons overeind. We genieten met volle teugen. Het pad levert ons af bij ‘the Hermitage’, een rots die in 1754 is uitgehold voor een plaatselijke leraar, George Chubb. Het waarom vertelt de gids er niet bij. Het is te klein voor een kluizenaarshut. Van hier volg ik het pad naar beneden, zoals vaker meer vertrouwend op de kaart dan de routebeschrijving.  Dit keer is dat niet de juiste zet, want even later wordt duidelijk dat we niet op de goede plek zitten. Er is een splitsing die noch op de kaart, noch in de routebeschrijving staat. Ik kies het pad dat de beek volgt en op richtingsgevoel en gehoor komen we uit bij de rechteroever van een waterval die we van links hadden moeten naderen. Gelukkig kan ik me nu weer oriënteren en ook staat hier een markering van de Coast to Coast. Ook staan er twee wegwijzers, een voor een pad zonder stapstenen en een voor een pad met. Na onze positieve ervaringen met eerdere stapstenen, kiezen we er ook nu vol vertrouwen voor de beek zonder veilig-saaie brug over te steken. Wanneer we aan de rand van het water staan, moeten we even slikken. Dit zijn geen stevige, vierkante stapstenen die een heel end boven het water uitsteken. Dit zijn grote, platte platen waar het water soms  een paar centimeter en soms heel wat hoger overheen stroomt. We laten ons niet kennen en schuifelen voorzichtig naar de overkant. Ook aan de andere kant van het water gaat het bos nog een heel stuk door. Wat geweldig. Ik had niet gedacht dat de laatste dag nog zo mooi en leuk zou zijn. Het blijft een avontuur om overeind te blijven op de dikke, kleverige modder, maar uiteindelijk zien we licht en komen we op een asfaltweg terecht. Die volgen we omhoog naar de rand van Sneaton Low Moor. Daar wijst een handwijzer richting Hawsker, het laatste plaatsje voor we de Noordzee bereiken. Klein probleempje: we zien geen pad. Schapen grazen tussen hoge, bruine pollen. In de verte wijst een donkere verkleuring in de heide op iets dat een pad zou kunnen zijn. Maar waar begint het? We kuieren op goed geluk tussen de pollen door en volgen aan de andere kant de geringste buiging van het korte gras. Even later wordt het paadje duidelijker, maar dat betekent allerminst dat het ook makkelijker is. Ik geloof nooit dat het pad al lang in gebruik is. Daarvoor is het te nieuw, te smal en vooral: te nat. We moeten dwars over de heide om de ergste plassen te vermijden en als natuurliefhebber vind ik het vervelend om planten te vertrappen. Het pad valt echter nog mee vergeleken met moeras dat we aan de andere kant van de drukke B1426 krijgen voorgeschoteld. Ook dit pad is alleen met scherpe ogen waarneembaar en wat zijn we blij met onze hoge, waterdichte schoenen. Waar het pad zelf onder water staat, gaan we er met een boogje omheen, wat even erg, zo niet erger is. We stappen pal in mos en lang gras, vertrappen misschien wel heel bijzondere planten. Het is een worsteling, maar wel een waarvan ons wandelhart een sprongetje maakt en die een vrolijke blos op onze wangen brengt. Uiteindelijk is daar dan een laatste heuvel en ziet Astrid als eerste de Noordzee. Als er geen schip had gevaren, was het ons niet opgevallen, want water en lucht hebben dezelfde grijsblauwe kleur. Daardoor lijkt het schip te zweven boven het dak van een boerderij. Het weer is niet geschikt voor luchtspiegelingen, anders hadden we beslist gedacht dat onze ogen ons bedrogen.

Wanneer we door een weiland lopen, hopen we dat het nu gedaan is met de modder. Maar dat is te vroeg gejuicht. Een laatste, lang en nauw pad vol gele modder en ongelijke stenen, voert ons omlaag tot we bij een weg uitkomen. Die volgen we richting High Hawsker, waarbij we nog even stoppen om de kleine peren, die al een paar dagen in Astrids koffer zitten, aan twee ezels en een paard te voeren. Langs de weg zien we een deur waarop een aanmoediging voor twee wandelaars is gekalkt. Je bent er bijna. Hoewel de felicitaties niet voor ons zijn, worden we er toch blij van. In High Hawsker is de pub nog gesloten en daarom wandelen we door naar twee vakantieparken. Het tweede heeft een café waar we voor de laatste keer pauzeren. Hier houden de Cleveland Way en de Coast to Coast elkaar opnieuw gezelschap en we maken dankbaar gebruik van de uitstekende markering. Tussen de stacaravans door dalen we af richting de kust. Net voorbij de laatste krijgen we ons eerste voorproefje van die typisch Engelse kunstlijn die in Nederland totaal ontbreekt: steile kliffen die indrukwekkend hoog boven het water uitsteken. Juist doordat het zo anders is dan de vriendelijke glooiing van een duin, het wuivende helmgras en goudgeel zand dat wij kennen, juist daardoor zijn we diep onder de indruk. We volgen het pad langzaam, want we zouden nog weken door kunnen lopen en het eind, dat nu snel nadert, komt altijd te vroeg. We volgen de golvende kustlijn langs de rand van de afgrond, waar soms het pad is weggeslagen en we een ommetje maken door een weiland vol schapen en koeien. Even verderop staan vier lammetjes aan de verkeerde kant van het hek en bij onze nadering vluchten ze steeds voor ons uit, tot ze wel erg ver van hun eigen kudde zijn. Dan is er een plek waar we met een boogje om ze heen kunnen lopen en speren ze terug naar mamma. Tot op het laatste kilometer vermoeden we niet dat er achter de volgende heuvel een heus dorp ligt. De bewoonde wereld lijkt zo ver weg. Zo ver we kijken alleen zee en groene weiden.  Toch is er dan die laatste klim, die laatste bocht en verschijnt Robin Hood’s Bay in de diepte. We dalen af langs steeds fraaiere huizen, tot we onze schoenen in het water van de Noordzee kunnen dopen. Er is een klein strandje, waar een kunstenaar van dik zand een dolfijn boetseert, maar verder is het vooral een grote vlakte van stenen en wier. Nadat we het dorp van alle kanten hebben bekeken, schuiven we aan bij de zes Engelsen, die inmiddels ook zijn gearriveerd. We tekenen het logboek in Wrainwright’s Bar en klinken op een prachtige tocht. Ik zou het zo weer doen.