Chantonnay

Vier dagen puur wandelgenot (2013)

Natuurlijk heeft elke vierdaagse zijn charme en ik heb overal met plezier gelopen. Maar Chantonnay… Wow! Wat een natuur! Wat een heerlijke paadjes! Hoog gras en zompige modder, talloze privéterreinen en zelfgebouwde bruggetjes. Een keur aan bloemen en zingende vogels. Zó mooi. Beter dan dit wordt het voor een wandelliefhebber niet.

Dag 1 – 42 km
Bussen zetten ons af bij een landhuis, ver buiten Chantonnay. Theo zet er meteen flink de pas in en haakt aan bij de Belgische Martin. Marleen loopt ook ergens voor me, terwijl Dirk, Harrie en Tinie verdwijnen tussen de vele wandelaars die na mij komen. We beginnen met brede zandpaden en grind, slingerend langs de heuvels. De zon laat zich niet zien, maar het is warm en heerlijk wandelweer. Na ongeveer 3 km krijgen we enkele graspaden waar de brem geel bloeit en ik ben blij dat mijn schoenen redelijk droog blijven. Aan de horizon zien we een van de vele slanke watertorens die de heuvels domineren. Met enkele overstapjes komen we in het stroomgebied van La Petit Lay terecht, een prachtig meanderend beekje dat vrolijk naast ons voortkabbelt. Ik heb wat moeite om te genieten, piekerend over problemen op mijn werk, maar uiteindelijk komt de rust van het land over mij. Zoveel zingt, zoveel bloeit. Het bos is hier zo anders dan in Nederland. Een groene bodem, vol paarse, witte en blauwe bloemetjes. Een palet van vriendelijke kleuren, om vrolijk en gelukkig van te worden. Geweldig. Er zijn voorden waar we beekjes proberen over te steken zonder dat onze voeten het water raken. We steken een bruggetje over bij een boerderij en betreden niet voor het laatst privéterrein. Sierlijke paarse wilde hyachinten hebben zich tegen een rotswand genesteld, hun kopjes bescheiden gebogen, een fraaie krul in de blaadjes. Naast de rots ontdek ik een de resten van een stenen muur en vraag me af wie hier heeft gewoond. In een soort moerasgebiedje haal ik Marleen in. Net als ik is ze bezig te onthaasten: dit gebied is eenvoudig te mooi om met flink tempo doorheen te raggen. Samen genieten we. We staan stil, we kijken. Het is zo vredig hier. Wat is dit bijzonder. Een boom heeft zich langs het pad neergevleid, maar dood is hij niet. Vier takken zijn tot volwassen bomen uitgegroeid. Andere bomen krommen zich over het pad, zodat we moeten bukken om onze weg te vervolgen. Na een weiland steken we de beek over via een van pallets gemaakte brug. Kort daarom klimmen we omhoog naar de eerste wagenrust in Mouilleron-en-Pareds. Daar kunnen we van alles krijgen, van chocolade tot een soort gesuikerde winegums en fruit. Drinken is er ook genoeg en ik haal mijn eigen beker tevoorschijn om iets in te schenken. Een goede manier om de hoeveelheid afval te beperken en het zal ook wel een aantal bekertjes in de natuur schelen. Net na de wagenrust zie ik een Frans bordje dat ik niet kan lezen en een hekje dat leidt naar een soort oorlogsmonument. Nieuwsgierig geworden ontdek ik het graf van Georges Clemenceau, een Franse arts en politicus die zijn land in 1918 naar de overwinning op de Duitsers leidde.

Weer verder langs een breed water, dat niet lijkt te stromen, tot we bij een schutsluis komen en het zich donderend naar beneden stort. De rand van het weiland waarover we lopen, is erg drassig. Nu kost het moeite om droge sokken te houden, maar door met een wijde boog om de plassen heen te lopen, lukt het ons. Als toetje komen we door een gebiedje waar de rotsen hoog boven ons uittorenen. Begroeid met klimplanten en varens, valt hun grootte nauwelijks op in het bos. Pas wanneer we het bos verlaten en ze zich hoog boven de struiken verheffen, raken we onder de indruk. We steken een weg over en vervoegen ons weer bij een beekje. Dan is er een fikse heuvel die we moeten beklimmen en dat doen we graag. Aan de andere kant van weer een heerlijk slingerend modderpaadje komen we bij een akker. Hier zijn lange banen van plastic over het land getrokken, hoewel ik toch vermoed dat ze er geen asperges telen. Blijkbaar wordt de methode voor meer gewassen gebruikt, maar het blijft gissen welke groente er in de aarde verborgen ligt. Een mooi gezicht is het wel. Alweer door een weiland dalen we af. We mogen een beekje oversteken met stapstenen en bereiken dan de wagenrust, waar we een heerlijk stokbrood krijgen aangeboden.

Bij deze wagenrust ontmoet ik Toos, een WS-er die ik ken van gezicht en waar ik niet eerder mee heb gewandeld. Nu gaan we samen verder, slechts zo nu en dan asfalt trotserend. De Fransen willen dat we aan de rechterkant van de weg lopen en dat voelt onnatuurlijk en onveilig. Als er geen bordje staat on ons eraan te herinneren, lopen we gewoon links. Vlak voor weer een volgende rust, passeren we een klein kasteeltje dat zijn sierlijke torens verbergt achter dikke bomen en een muurtje met rode dakpannen. We mogen een superleuk tunneltje onderdoor, al ben ik blij dat er geen water in de goot naast ons staat. Aan de rand van Chantonnay mogen we kiezen: de moeilijke of de makkelijke route. Toos kiest voor de makkelijke route, voor mij staat altijd de moeilijke op het menu. Die zijn vaak veel mooier! Ik verheug me op een traktatie en de routebouwers maken hun belofte waar. Zeker wanneer er wordt gewaarschuwd voor gladheid, ga ik van plezier iets sneller lopen. Glad is het gelukkig niet op het schuine modderpad langs een beekje. We slingeren langs de oever, omhoog en omlaag. Een oude schuurdeur overbrugt een wel erg nat stuk, verderop liggen schijven hout als stapstenen in de natte aarde. Halverwege het beekje is er een modderspoor naar een naastgelegen weiland. “De nooduitgang,” grapt een Duitser achter mij. Ik loop langzaam, puur omdat ik zo geniet. We komen uit bij een weg waar de andere lopers zich weer bij ons voegen. Wat hebben ze iets leuks gemist! Een grasveld, met nóg meer modder, brengt ons naar de laatste wagenrust. Daarna alweer een geweldig modderpad, belegd met pallets. Het doet me genoegen, de routebouwers hadden ons gemakkelijk over de weg kunnen sturen. Langzaam naderen we Chantonnay. Aan de horizon zie ik weer enkele watertorens. We lopen langs een weg richting de stad, veilig beschut in een tunnel van groen, alsof je wordt omhelst door de natuur. Bij een talud is een touw aan de bomen gespannen om ons omhoog te helpen. Dit hebben we gelukkig niet nodig. We steken het spoor over en gaan aan de andere kant weer naar beneden. Daar is opnieuw een tunnel van bomen, die een heel eind slingerend doorgaat. Na een verwaarloosde wijngaard zet het pad ons af aan de rand van Chantonnay. Hier lopen we even langs een drukke weg, maar dat neem ik de routebouwers niet kwalijk, nog vol van het plezier van de afgelopen 40 km. Je zou verwachten dat we de natuur nu wel hebben gehad, maar ze hebben nog een laatste verrassing voor ons in petto: we komen langs het stoompje Mosée, waarin prachtige bloemen groeien. Toch voelen de laatste 3,5 km door de bebouwing erg lang en ik ben blij als ik bij de finish ben.

Dag 2 – 42 km
Net als gisteren beginnen we met een stuk asfalt, met een paar akkerranden ertussen om ons eraan te herinneren dat dit wel Chantonnay is. Ze hebben immers een naam hoog te houden. Ik haak aan bij Martin en we lopen de hele dag samen. Na de eerste wagenrust mogen we omlaag, het bos in. We komen uit bij een beekje en volgen een spannend modderpad langs de oever. Ook hier is het heerlijk groen, mer paarse en witte bloemen. We steken het water over en er volgt weer een heuvel met bloemen. In het volgende bos is een rotsbeekje dat over een bedding van stenen omlaag dwarrelt. Zo af en toe moeten we behoorlijk klimmen door velden met boterbloemen. In de verte hebben we weer uitzicht op een van de kenmerkende watertorens. Veel andere wandelaars komen we niet tegen, maar even halen we Marleen in. De dag begon bewolkt, maar nu begint het warm te worden en onder een blauwe lucht lopen we verder. We hebben er geluk bij, want somige paadjes die we voorgeschoteld krijgen, zouden bij regen superglad zijn geweest. Zelfs nu ga ik op een schuin aflopend modderpad onderuit. Mijn voeten schuiven onder me weg en ik leg me neer op de grond. Vallen kun je het nauwelijks noemen. Ik maak foto’s van enkele prachtige bloemen en Martin loopt door. Bij de volgende wagenrust halen Marleen en ik hem weer in. Ik loop met hem door en Marleen blijft achter. Hierna lopen we een vierkantje om een weiland heen, over een hobbelig, ongelijk graspad. Heerlijk. We gaan over privéterrein langs de oever van een klein riviertje. Dit zijn plaatsen waar je als toerist echt niet komt en ik geniet van het voorrecht dat ik als wandelaar in Chantonnay geniet. Vandaag geen kastelen onderweg, maar wel enkele boerderijen die bijna een vesting lijken, beschermd door een hoge muur met een grote en een kleine poort, waarvan de hengsels nog zichtbaar zijn in de muur. Het moet hier best gevaarlijk zijn geweest in vroeger tijden, als dit soort bescherming nodig was. Veel leven bespeuren we niet, ook in de dorpjes die we aandoen zien we amper mensen op straat. Wel is er een groepje honden dat gezellig samen in de zon ligt te loungen, alleen een klein keffertje verdedigt zijn erf luidruchtig. Ik heb nu wel goed trek en de rust in St. Hilaire le Vouhis is meer dan welkom. We zitten er bij een kerkje op een heuvel, pal in de wind. We blijven niet lang.

Na de rust lopen we weer langs een akker, waar folie fraaie lijnen tekent tot aan de horizon. Daarna is er een graspad langs een rivier, met fiere bomen vol maretakken en een witte sjerp van fluitekruid rond hun voeten. Als we uit het bos tevoorschijn komen, moeten we een weg oversteken, maar de pijl die ons het grindpad indirigeert, ontbreekt. Al twijfelend volgen we de asfaltweg tot de eerste kruising, om daar de bevestiging te krijgen dat we verkeerd zitten. Terug naar de grindweg, waar we even later alsnog een pijl tegenkomen. We dalen af naar een schitterend nat dal. Een beekje stroom over het pad en met stapstenen zoeken we onze weg naar het droge. Wat jammer dat er nu geen andere wandelaars zijn om te fotograferen. Lachend toont Martin zich bereid een stukje terug te lopen. Een paar beekjes en akkers verder zien we een vreemd gebouwtje langs het pad. Het blijkt een ‘lavoir’, een gemeenschappelijke wasgelegenheid bij een heldere bron. Dorpelingen, meisjes van 13 jaar oud, kwamen hier om de was te doen. Bijzonder, maar ook wat onhandig, zo’n eind buiten het dorp. Tegen de tijd dat we bij de laatste rust komen, ben ik wel toe aan een toilet. Het bord op het houten huisje, ‘af en toe zaagsel gebruiken’, is echter zo ontmoedigend dat ik besluit het tot de finish vol te houden. We naderen Chantonnay en op het punt waar we gisteren de keuze kregen tussen een makkelijke en moeilijke route, gaan we dit keer linksaf langs het spoor. We komen uit bij de brug en de verwaarloosde boomgaard. Dit keer gaan we echter niet naar de weg die we gisteren met touwen bedwongen, maar slaan een ander paadje in. Hierdoor blijven we tot vlak voor de finish in het bos.

’s Avonds is er nog een toetje. Een tocht van 14 km naar een kasteel in Signourais. Het is een groepswandeling en voor de start is er een groep jachthoornblazers die een prachtig lied laat horen. Om mijn voeten rust te geven, loop ik op sandalen, maar die zijn wellicht niet zo geschikt voor de grindpaden die we krijgen voorgeschoteld. In het donker komen we bij het kasteel aan. Dat is prachtig uitgelicht. De buitenmuren zijn nog intact, de binnenplaats is gras. Ook hier geven de hoornblazers weer een concert. In ons eigen tempo gaan we terug, een slinger van lichtjes langs de heuvels.

Dag 3 – 42 km
Zo’n grote boomgaard heb ik nog nooit gezien. Wel twee miljoen bomen, volgens de folder die we in onze handen krijgen gedrukt als we uit de bus stappen. We gaan dwars door een kas vol bloeiende palmbomen, langs oeroude olijfbomen en kunstig spiralende buxusstruiken. Ik loop vandaag met Hennie, Tiny en Toos, die verrassend hard van start gaan. Via een smal paadje verlaten we het terrein. Het voert naar een bos langs een ravijn. Aan de overzijde torenen de rotsen honderden meters boven het dal uit, met her en der geelbloeiende brem tegen het steen. Een oude groeve, denkt Toos. Er valt zoveel te zien! Het is schitterend. Door het maken van foto’s raak ik wat achterop en eenmaal in een dorpje maak ik vaart om de anderen in te halen. We gaan naar beneden, maar niet ver, want aan de andere kant van het dorp wacht al een volgende heuvel om te beklimmen. Op de top steekt een Mariabeeld boven de rotsen en struiken uit. Ruige natuur, ik geniet. Dan volgen een aantal torens achter elkaar, sommige ruïnes van een halve meter hoog, andere nog redelijk intact. De functie is niet direct duidelijk, tot er drie op een rij verschijnen, waarvan één nog smalle wieken heeft. Molens! Hierna wordt het landschap minder spectaculair, maar niet minder fraai. We hebben uitzicht op verre velden en twee witte watertorens. We komen uit bij een oorlogsmonument met beeltenissen van mensen soldaten in verschillende functies die voor Frankrijk hebben gevochten. Uiteindelijk bereiken we een dorp waar zo her en der foto’s hangen van vervlogen tijden. Foto’s van soldaten, van mensen dansend om de molens. Algauw worden we weer een privéterrein opgestuurd, dit keer de oprit van een vestingboerderij. Het beeld van een vestigng wordt nog verstekt door het toiletuitbouwtje dat halverwege uit de gevel steekt, zoals kastelen dat ook wel hebben. We lopen door het gras van een weiland, de koeien die ons belangstellend bekijken veilig weggesloten achter een elektisch touwtje. Bij een manege is de tweede wagenrust en direct na het verlaten ervan word ik afgeleid door een Mariabeeld in een vervallen kappelletje. Een enorm kruis staat erboven. We zijn nu heel dichtbij een van die sierlijke watertorens die de heuvels rond Chantonnay domineren en van dichtbij zijn ze nog mooiter dan van veraf. We lopen er omheen en mogen hem van alle kanten bewonderen. Hij steekt mooi af tegen de donkerblauwe wolken die regen beloven. Tot nu toe hebben we het vrij makkelijk gehad, met droge bospaadjes, grind en asfalt. Dan krijgen we gelukkig een holle weg waar we tot onze zolen wegzakken in de modder. Ik weet niet waarom ik modder zo leuk vind, maar ik geniet ervan. Geleidelijk is de lucht betrokken en de wind aangewakkerd. Het wordt fris. Dan begint het te regenen. Even kijk ik het aan, maar als de druppels groter worden, trek ik toch mijn poncho aan. Het blijkt maar een kort buitje en bij de volgende rust aan de rand van een stuwmeer kan hij weer uit. Na een snelle greep uit het aanbod van chocolade en gesuikerde winegums lopen we langs velden van wuivend gras met een machtige boom op een heuveltop. We lopen vlak langs het water en letten op onze voeten om niet in het water te stappen. Ik haal een steentje uit mijn schoen en terwijl ik even stil sta, springt een grote vis met zijn hele lijf uit het water. Via een oude brug steken we het water over en lopen langs de andere over terug. Het lijnenspel van gras, water en nog bruine akkers is schitterend. Het is zo vredig hier. Je komt vrijwel geen Fransen tegen, geen auto’s met harde muziek uit de boomboxen, geen vliegtuigen. Niets verstoort het geluksgevoel dat de zingende volgens en olijke bloemen over ons uitstorten. Wandelen als een God in Frankrijk. Voor dagen als deze is het spreekwoord uitgevonden.

De laatste rust is bij een kasteeltje dat zo te zien nog gedeeltelijk wordt bewoond. Het gazon is kort geschoren, maar even verderop buigt het frame van een plantenkas zich over hoog opgeschoten gras. Langzaam lopen we terug naar Chantonnay. Gras- en grindpaden, zo nu en dan wat modder. We komen weer langs een Lavoir en dit keer is het water zo helder dat we de kikkers op de bodem kunnen zien zitten. We verwachten het kasteel van gisteravond nog eens in daglicht te kunnen zien, maar we gaan met een ruime boog om het Signourais heen. We komen Chantonnay binnen en de laatste 3,5 km zijn zwaar. Mijn voeten zijn moe en het tempo is eigenlijk iets te laag voor me geweest vandaag. Toch laat ik Toos niet alleen, na een hele dag samen te hebben gelopen. Zoals het hoort komen we samen over de finish.

Dag 4 – 42 km
Geen bussen vandaag, maar twee grote lussen om Chantonnay zelf. Op de kaart bij de start zag het er niet veelbelovend uit, maar dat blijkt mee te vallen. Dit is Chantonnay. Het is hier altíjd mooi. We zijn snel de stad uit en lopen langs een akker. Hoewel de dag grauw begon, werpt de zon prachtige stralen door de wolken heen. Ik loop weer met Martin en via een graspad komen we bij een boerderij uit de met twee poorten, die er indrukwekkend uitzien. Terwijl ik een steentje uit mijn schoen pulk, leest Martin op een bordje dat de boerderij uit de 15e eeuw stamt. Helaas is het poortgebouw het enige wat redelijk intact is. Langs een ronde toren die even oud is als de boerderij, lopen we een smal paadje op. Het paadje leidt naar een vijver waar het water zo hoog staat dat er een pallet aan te pas moet komen om ons droog over te zetten. Dan blijkt de achterzjide van de boerderij een prachtig kasteel te verbergen.We komen uit op een graspad waar we de pijlen voor de terugweg al kunnen zien en even later ontdekken we zelfs de tweede wagenrust. Maar dat weten we dan nog niet. Schijn bedriegt. We buigen af naar St. Mars des Prés. Vlak voor het dorp is er opnieuw een lavoir en hier zwemmen zelfs twee goudvissen in. We worden door een netwerk van steegjes en achterafstraatjes geleid, tot we aan de andere kant van het dorp bij een weiland vol bloemen uitkomen. Met aan onze rechterhand een smal beekje, banen we ons een weg door het hoge gras. De zon is doorgebroken, het is heerlijk. Wat heb ik toch een geluk dat ik hier mag lopen. Het weiland gaat over in een smal pad tussen de bosjes. Ik verbaas me. Wie komt hier ooit, behalve wij? Toch kom ik na een paar honderd meter een verkeersbord tegen, dat waarschuwt voor een spoorwegovergang. Een grapje van een student, denk ik nog. Tot ik even verderop een tweede bord tegenkom met twee schuine strepen, nog 200 m. naar het spoor. En warempel: we komen uit bij een weg en een paar stappen verder is ook echt een spoorwegovergang. Even lopen we paralel aan het spoor en krijgen dan een verscholen pad om van te snoepen, vol boomwortels, stenen en zuigende modder. Via een rustige weg en graspaden kuieren we naar de tweede wagenrust die we vanmorgen al zagen. Nog twee keer komen we een lavoir tegen, ik verbaas me erover dat ze zo algemeen zijn. We zien geen mensen die de lus nog moeten ingaan en lopen verder naar Puybelliard, waar we op een terrasje neerstrijken. Andere wandelaars volgens ons voorbeeld en binnen de kortste keren is het gezellig druk. Geweldig, zo in het zonnetje. Na een tijdje gaan we door en lopen via een pas ingezaaid akker Chantonnay weer binnen. We komen niet verder dan de rand van het dorp, een verwaarloosd park voor het personeel van de bedrijven op het industrieterrein. Er is een trimbaan met talloze oefenapparaten, maar gezien het hoge gras eromheen worden ze niet gebruikt. Korte tijd lopen we langs de grote weg en nadat we onder de snelweg zijn doorgelopen dalen we het talud af naar een oude spoorlijn. We volgen de tunnel van bomen en fluitekruid en dan mogen we weer langs de akkers lopen. Uiteindelijk komen we weer even in Chantonnay om aan te sluiten bij de 12 km. Meestal zijn de korte afstanden niet zo heel spannend, maar niet deze keer. Wat volgt zijn de meest prachtige kilometers van de dag. We gaan weer privéterrein op, een smal pad door een prachtig bos, met een modderig beekje ernaast. We letten constant op onze voeten en daardoor moeten we echt stilstaan om te genieten. Luisteren naar de volgens, kijken naar de vele bloemen, hoe het water het licht vangt dat door de bomen wordt gefilterd. Door de heerlijke kronkelpaden vliegen tijd en kilometers voorbij. We klimmen het dal uit naar een wagenrust. Ik besluit de dixie eens van binnen te bekijken, maar zodra ik de deur opendoe, besluit ik dat het bij bekijken blijft. Dat je in openbare toiletgebouwtjes nog een hurktoilet tegenkomt, daar kan ik wel tegen, maar in een dixie? Het is bijzonder smerig en zelfs al ben ik niet binnen geweest, ik voel me vies. We gaan verder en dit keer zijn de aangeboden touwen erg welkom on ons over een rotspad naar beneden te helpen. Na alweer een lekker kronkelpad komen we uit bij twee tegen de rotsen aangebouwde huizen langs een rivier. Ik zie een hagedisje wegschieten in de muur. We steken een beekje over via een zelfgebouwd bruggetje en slingeren langs het dal. Dan klimmen we het dal weer uit voor een volgende heuvel. Net als je denkt dat het niet mooier kan worden, is er een pad met wel 30 cm dikke laag modder. Stilstaan is niet handig, je schoenen worden bijna van je voeten getrokken. Het bordje van 3.5 km hebben we al gehad en nog zitten we midden in de natuur. Op de plek waar we het asfalt bereiken, lijkt het wel alsof er een trekker heeft gereden. Nog één weiland, nog een paar straten en dan is daar de finish. Veel te vroeg. Ik zou hier nog wel dagen willen lopen. Wat hebben ze hier een fantastische 4daagse.