Beara Way

Beara Way
Een verborgen parel in Ierland

In het zuiden van Ierland, waar Lamb’s Head verdwijnt in de Atlantische Ocean, ligt de Beara Peninsula. Een schiereiland vol heuvels, zonnedauw en zwarte kliffen. Er ligt ook een wandelpad, de Beara Way. Nog niet zo heel bekend en daardoor redelijk rustig. Maar wel lekker uitdagend, precies het soort pad waarvan mijn wandelhart sneller klopt.

 

Dag 1 Glengarriff – Adrigole, 18 km
Langs een hoedenwinkel en een begraafplaats die zich om een paar enorme rotsen heen krult, loop ik Glengarriff uit. Parallel aan de weg naar Adrigole stroomt een brede beek lui met me mee. De Caha Mountains aan de rand van mijn blikveld hullen zich vandaag in grijze rokken. De wolken laten een miezer los die zo fijn is dat de kleine druppeltjes eerder naar beneden dwarrelen dan vallen. Gelukkig hoef ik maar een klein stukje langs de drukke weg, dan mag ik afslaan naar een zijweg die zich kalm richting het State Forest slingert. Bij Lady Bantry’s Lookout sla ik rechtsaf, omlaag het bos in. Even verderop een handwijzer van de Beara Way met drie opties, Glengarriff, Kenmare en Adrigole. Wie kiest voor Kenmare loopt de Beara Way tegen de klok in en ik ga nog een stukje omlaag naar Adrigole. Door de bomen heb ik geen zicht op de bergen, maar ze houden de miezer wel een beetje tegen. Het pad golft op en neer en komt even later weer terug op de asfaltweg. Die volgt de route langer dan me lief is, hoewel het bos uiteindelijk wijkt en de omgeving aangenaam ruig wordt. Aan beide zijden van de weg word ik verwend met door groen omhulde rotsen, de toppen nog verborgen in het wit. In de diepte bruist een beek, maar de watervallen die ik hoor, worden door dichte struiken afgeschermd van mijn nieuwsgierige blik. Een Chinees stel komt me tegemoet en vraagt of ik direct uit Glengarriff kom of de lange route heb genomen. Een stemmetje in mijn achterhoofd begint meteen te piepen. Is er nog een weg? Langer en mooier? Ik geef de stem een mentale optater en bevestig dat ik inderdaad de kortste weg uit Glengarriff heb genomen. Het stel is opgelucht. Ze moeten nog naar Bantry en op de pas was het zicht minder dan tien meter. Ik verheug me op de klim, zelfs met dat beperkte uitzicht. Maar eerst gaat de asfaltweg nog een tijdje door, tot ik in een vallei kom met twee eenzame boerderijen bij een klein meer. Daar mag ik de asfaltweg dan eindelijk verlaten en steek de beek over via een stoere, stenen brug. Een klein stukje verder wijst de markering naar een indrukwekkend hoge overstap over het prikkeldraad van een schapenweide. Het is een luxe, ijzeren geval met gegroefde treetjes en een forse leuning, waarvan de bovenste twintig centimeter geel is geverfd voor betere zichtbaarheid. Er is zelfs een gebruiksaanwijzing, voor het geval dat. Ik neem de eerste overstap en daarna nog een tweede, onderwijl de paar schapen die beschutting zochten bij een stenen muurtje terug de regen in jagend. En dan wordt het leuk. Klimmen! Het pad is niet zwaar, afgezien van het stijgingspercentage. Grind en rotsen, maar goed beloopbaar. Het zigzagt omhoog en zigt en zagt dan nog wat verder. Zo af en toe houdt de grindweg op en moet ik onvervalst ramblen. Voorzichtig een pad zoeken over verende turf en langs plassen waarvan mijn stokken testen hoe diep ze zijn. De markering is hier overdreven goed, de palen met een gele kop staan zo dicht opeen dat je er bijna domino mee kunt spelen. Verdwalen is onmogelijk. De Beara Way is een paar jaar geleden opgeknapt en dat is duidelijk te merken. Toch vraag ik me af hoeveel schade het landschap kan verdragen als het pad nog drukker wordt. Nu al zie ik de voetstappen van vele voorgangers, omgeploegde turf, een enkele tegel op de slechtste stukken. Nee, laat dit maar een van de verborgen parels van Ierland blijven, voorbehouden aan de fijnproevers onder de wandelaars.

Als de wolken even optrekken, ontdek ik een meer in de diepte waarover fijne flardjes wit stil als een geest voorbij drijven, maar tien minuten en een heuvel later kan ik het water nergens meer vinden. Zo rond kwart voor twaalf besluit ik dat het tijd is voor een lunchpauze. Ik plant mijn achterste op een rots, met mijn rug naar een vallei gevuld met wolken. Als ik me even later half omdraai om wat broodkruimels te verstrooien voor de vogels, valt mijn mond nog net niet open, maar mijn wenkbrauwen maken wel een sprongetje richting mijn haargrens. De wolken zijn met zijn allen vertrokken naar een vallei verder en ik heb een prachtig uitzicht over gras en bos en heel in de verte het water van Bantry Bay. Zelfs Garinish Island is te zien, ook wel Ilnaculin genoemd, het eiland waar een rijk echtpaar in de 19e eeuw de tropische tuin liet aanleggen die nu dé attractie van Glengarriff is. Wat een cadeautje, zo ineens. Ik geniet intens en maak foto’s. Dan vind ik het mooi geweest en volg de gele palen verder omhoog, opnieuw de wolken in tot de top op zo’n 500 meter. Het blijft puzzelen waar ik mijn voeten plant, de grindweg verschijnt af en toe, maar verdwijnt ook regelmatig en dan is er alleen gras en onbetrouwbaar turf waarin je diep kunt wegzakken als je even niet oplet. Zelfs op deze hoogte lopen schapen, die luid blatend vluchten voor het geschraap van mijn stokken over de kale rots. Zo opeens ontdek ik aan mijn rechterhand het kabbelend water van een meer. Ik kan de andere over niet zien, maar het wekt de indruk van een groot water. De markeringen wijzen me een pad langs de oever, maar de omvang blijft een mysterie. Even verderop weer het eerste teken van beschaving: een schapenhek. Bij weer zo’n enorme overstap staat een handwijzer, een bordje wijst op de gebruikelijke route naar Adrigole en een ander naar de emergency exit: een weg 1600 meter lager. Dit is de eerste keer dat ik een pad tegenkom met een nooduitgang. Bijzonder. Ik bestijg de overstap en volg het prikkeldraad dat aarzelend afdaalt richting Adrigole. Het pad loopt min of meer parallel aan het hek, maar dat betekent allerminst dat het er ook makkelijker op wordt. Vlak bij het hek is de turf stukgelopen. Soms is er zo’n grote afstap dat het makkelijker is om gewoon met twee benen tegelijk te springen. Dan gebeurt het onvermijdelijke. Hoewel mijn stokken in stevige grond grijpen, verdwijnt mijn rechterbeen tot aan de knie in de slappe turf. Ik voel de modder zich meteen aan mijn been vastzuigen, maar door me achterover te laten vallen, krijg ik mijn voet weer terug. Dik onder de modder, dat wel. Even later waag ik het een grote modderplas over te steken via een stuk hout, maar dat blijkt gladder dan gedacht en ik beland op mijn knieën in de modder. Nu ja, mijn broek was toch al vies en veel erger dan dit kan het niet meer worden. Het zicht was tot nu toe steeds minder dan 100 meter, maar dan pakken de wolken opeens hun biezen en onthullen de kust: een lappendeken van rechte, kleurrijke akkertjes, poppenhuizen en een diepblauw water. De lange vingers van een volgende berg grijpen in de Atlantische Oceaan. Die wil ik ook! Eerst verder naar beneden, terwijl het weer en het zicht steeds beter worden. Voorzichtig daal ik verder af, tot ik uitkom op een asfaltweg en dit keer heb ik geen bezwaar. Ik kom nu ook weer huizen tegen. Bij de eerste staat de voordeur open en een hond spoed zich naar buiten om geaaid te worden. Slechte waakhonden hebben ze hier. Ik dacht dat het nu gedaan was met de natuur, maar dat blijkt een vergissing. Waar de weg scherp naar links draait, strekt zich een graspad voor me uit. Ik zou eraan voorbij zijn gelopen, ware het niet dat langs de kant een markering sneu plat op de grond ligt. De pijlen wijzen echter rechtdoor en nadat ik de markering tegen een rots overeind heb gezet, laat ik het gras mijn schoenen schoonpoetsen. Het graspad brengt me naar een rivier die luid zingend over de rotsen stroomt. De ijzeren brug golft onder mijn voeten. Aan de andere kant is alweer zo’n mega-overstap en ik kom terecht in het eerste van twee weilanden vol hoog gras. Voorzichtig zoek ik mijn weg om de plassen en koeievlaaien heen. Tegenover een school is dan een laatste overstap en dit keer brengt het asfalt me dan ook echt naar het eind van deze etappe bij Peg’s Shop. Toch kan ik het niet laten iets door te lopen naar de baai, waar het deze middag laag water is. Een vlakte vol oranje zeewier strekt zich uit naar de Atlantische Oceaan, in de verte ligt een zeehond op een rots. En Hungry Hill torent boven me uit, met 685 meter de hoogste top van de Caha Mountains. Maar die bewaar ik voor morgen.

 

Dag 2 Adrigole – Castletown Beare 22 km
Vanaf Peg’s Shop riskeer ik mijn leven door over de weg naar de baai te lopen. Hoewel er snelheidslimieten gelden, denken de Ieren blijkbaar dat deze in mijlen staan aangegeven in plaats van kilometers. Gelukkig kom ik algauw bij de baai, waar langs de kademuur ruimte is om veilig te lopen. Dit keer is het vloed en drijft het oranje zeewier gemoedelijk op de lome golven. Alleen een enkele rots steekt er nog bovenuit. Ik loop verder naar een brug en mag dan de racebaan verruilen voor een rustige weg waar alleen enkele aanwonenden op pad zijn. Direct nadat ik rechtsaf sla, kijk ik tegen een hoge bergwand aan, waar zich een indrukwekkende waterval naar beneden stort. Het is de Mare’s Tail waterval, de hoogste waterval van Ierland. Met zijn verschillende stromen die zich dooreen vlechten, lijkt het ook echt op een paardenstaart. Heel bijzonder. Als ik dichterbij kom, zie ik in een veld mijn eerste Keltisch monument, een standing stone. De meeste stenen zijn duizenden jaren oud en hebben een religieuze betekenis of waren onderdeel van een graf. Geen idee welke heidense betekenis deze gladde steen heeft, maar ik ben toch blij hem gezien te hebben. Nog geen paar meter verder is er weer zo’n typisch Ierse overstap. Het ramblen begint! Over de flanken van Gortnarea klim ik omhoog. Best pittig, met een rugzak van 13 kg. Gisteren had ik het geluk dat onze gastvrouw toevallig naar Adrigole moest en mijn rugzak meenam, zodat ik het met een dagrugzak afkon. Vandaag moet ik het helemaal zelf doen en dat is even wennen. Met mijn twee stokken hijs ik me omhoog door een weiland vol beekjes die het water van gisteravond afvoeren naar oceaan. Zo nu en dan is het even soppen, maar het valt enorm mee vergeleken bij gisteren. Toch breekt het zweet me al snel uit, want ook het weer is beter en zelfs de zon komt door. Ik parkeer mijn rugzak op een steen om mijn dunne jas op te bergen en loop in T-shirt verder. Steeds hoger klim ik, tot de rotsen talrijk worden en de schapen schaars. Tot nu toe ben ik nog maar weinig dieren tegenkomen, met verbazing kijk ik dan ook naar een regenworm die een bloedzuiger met zich meetorst. Jakkes. Niet veel later een nieuwe verbazing: zonnedauw! In Nederland is het vleesetende plantje zeldzaam, maar het moeras van Ierland is bij uitstek geschikt. Op een ijzeren rooster boven een plas die zelfs de routebouwers te gortig vonden om te voet te trotseren, kniel ik neer om een plantje te fotograferen. Erg leuk. Even verderop groeit zelfs een heel bosje, de grond ziet er rood van. Dat hierboven nog genoeg insecten voorkomen voor de planten om te overleven. Voorzichtig loop ik om de zonnedauw heen, al ontkom ik er bijna niet aan bij het springen over de talloze stroompjes een paar plantjes te pletten onder mijn lompe schoen. Wanneer ik eindelijk de top van de Gortnarea bereik, in de schaduw van de nog veel hogere Hungry Hill, strekt zich Bantry Bay voor me uit, de punt van Bere Island duidelijk zichtbaar in de heldere morgen. Ik maak even een uitstapje naar een rots die flink van het pad afligt om het eiland in de lengterichting samen met de omringende bergen te kunnen fotograferen. Daarna volg ik de grindweg waar de route me op heeft doen belanden. Dit loopt lekker, even flink doorstappen. Bantry Bay blijft boeien, in het water de ringen van mosselkwekers en een piepklein eilandje, Roancarrigmore, met een fraaie witte vuurtoren erop. De weg daalt ook weer en dat is minder, elke meter omlaag, moet ik straks natuurlijk weer even hard omhoog. En dat moment komt al snel. Een markering wijst omhoog. Is goed, doe ik. Eh…hoe? De routebouwers laten het aan mijzelf over om op avontuur te gaan, want de markeringen staan hier ver uiteen en daardoor is het puzzelen waar ze de wandelaars naartoe willen hebben. Ik speur de grond af naar de aanwijzingen die de wandelaars voor mij achterlieten, verkleurd gras, een voetafdruk in de modder. Zo stijg ik langzaam, tot ik de volgende markering spot, op een vlakte van grote, platte rotsen. Deze markering draagt een extra mededeling: ‘Caution: rocks slippery when wet’. Tot nu toe liep ik onbezorgd over de rotsen en zelfs waar ze nat waren, vonden mijn profielzolen prima houvast. Na de vermaning word ik prompt onzeker en voorzichtig. En dat is maar goed ook, want even verderop heeft zich een bruinzwart mos op de rotsen genesteld dat verraderlijk glad is. Zorgvuldig zoek ik een pad over droge stukjes rots en pollen gras. Waar ik er niet aan ontkom me op de natte rots te begeven, zoek ik een plek waar de rots gegroefd is, zodat mijn stokken en zolen toch voldoende houvast hebben. Toch is het een opluchting het vochtige gras aan de andere kant te bereiken. Ik volg het pad verder de bergen in en spring over een smal beekje aan de voet van een steile waterval. Aan de andere kant werkt ik me door een veld vol lage varens. En dan loop ik tegen een schapenhek aan zonder de inmiddels bekende overstap. Ik volgde toch echt een veelgebruikt en ingesleten pad. Wat nu? Het hek naar beneden volgen is geen optie, dat is zeker verkeerd. Maar dan wel? Heel in de verte, een stuk hoger, ontdek ik weer een markering. De vraag is nu alleen: hoe kom ik daar? Ik moet terug en boven de waterval zien te komen. Na een korte pauze wil ik terug de varens induiken en ontdek juist dan een pad links van de waterval omhoog. Ik volg de zigzaggen en tot treden uitgesleten voetstappen omhoog, tot ik weer op het goede pad sta. Niet omlopen, altijd goed. Ik daal nu af, een Engels stel in roze shirts volgend. Even hoef ik me geen zorgen te maken over de ondergrond, want hier is alleen hard gras en rotsen. Heerlijk. In de diepte zie ik Park Lough liggen, een rond meertje vol witte lelies en wolgras langs de randen. Als ik een grindweg bereik en erlangs loop, zie ik libelles vliegen, maar geen vogels. Langzaam buigt het karrenspoor zich naar de volgende vallei, Comnagapple Glen. En hier sta ik dan toch even bewonderend stil. Waar de andere valleien bestonden uit gras, bezaaid met rotsen, is dit een vallei van rotsen, met dunne strookjes gras ertussen. Grijs steen domineert van bergwand tot bergwand en niemand die zo gek is om hier schapen te laten grazen. Een grijs huisje valt nauwelijks op in al dit natuurschoon, ik zie het alleen maar omdat mijn oog wordt getrokken door de waterval ernaast. De weg klimt en gaat over in gras. Bij een bulderende beek draait de route terug en meteen word ik gekieteld door een zacht briesje, dat ik niet voelde toen ik het in de rug had. Ik volg het pad en de markeringen, die elkaar nu regelmatig genoeg opvolgen om niet aan de richting te hoeven twijfelen. Ik blijf ramblen, zelf mijn weg zoeken door het lage gras en de plassen. Zonnedauw is overal. Ik durf bijna geen stap te zetten, maar moet verder. Elke pas veroorzaakt een klein fonteintje en de druppels die op mijn broek belanden, voelen heerlijk koel aan. In de baai tekent Bere Island zich steeds duidelijker af, het schiereiland Rerrin vooruitwerpend als een reddingsboei naar het vaste land. Een nieuwe grindweg dient zich aan en die volg ik een hele tijd, om de flank van Maulin heen. Juist als de weg zich naar Castletownbere richt en ik daken van huizen bijna kan onderscheiden, keert de route het dorp de rug toe. Opnieuw de heuvels in, waarvan de toppen nu langzaam vaag worden in de omlaagtrekkende wolken. Een stukje meer gras, meer turf kan er altijd nog wel bij. Nog een keer herhaalt dit geintje zich en dan vind ik het minder grappig. Ik ben wel toe aan een lekker koud en ongezond suikerdrankje. Volgens de kaart moeten hier ergens megalithische tombes moeten zijn, maar het vinden van één bepaalde rotsformatie in een grasveld vol rotsen is niet makkelijk. Zolang er geen bordje bij staat ‘Dit is een graf’ vermoed ik dat ik aan de meest bijzondere monumenten zonder met mijn ogen te knipperen voorbij loop. Ik kijk wel om me heen en uiteindelijk zie ik iets waarvan ik vermoed dat het een graf zou kunnen zijn. Nog wel in de dekheuvel, zoals de hunebedden in Drenthe vroeger ook met aarde waren bedekt. Voor de zekerheid neem ik een foto. Ik kan vanavond wel googelen of dit nu ook echt het graf was. Eindelijk bereik ik dan de laatste grindweg die me definitief naar Castletownbere voert. Langzaam maar zeker daalt de weg en dienen de eerste tekenen van beschaving zich weer aan. Twee grote kralen waarin niet zo lang geleden schapen zijn geschoren, de resten wol liggen nog op de betonnen vloer. Een boerderij waar een bordercollie rondloopt. Als ik hem aanhaal, springt het beest van schrik de struiken in alsof ik hem hard heb geslagen. Vreemd, ik heb veel slecht opgevoede of zelfs agressieve honden meegemaakt, maar nog nooit een die zo bang was voor mensen. Even verderop weer een hond, opgesloten in het wrak van een auto met het raampje op een kier. Met water en brokken, dat wel, maar als hondenhok krijgt de auto van mij een dikke onvoldoende. Uiteindelijk is er dan een asfaltweg, die ik nog verrassend lang moet volgen voor ik uitkom bij een beek, de Kista, die na een kort stukje met me te zijn meegehuppeld de baai van Castletownbere instroomt. Het zit er op voor vandaag. Op naar de ijskoude cola!

Dag 3 – Bere Island, 31 km
De veerpont naar Bere Island is een roestige schuit, ontdaan van alle franje. Via een smalle trap beland ik in de stuurhut en vandaar stap ik het groene bovendek op, waar touw en twee accu’s rond mijn voeten liggen. De verf op de reddingsboeien is zo ver afgebladderd dat de naam van het schip niet meer leesbaar is. De motor doet het gelukkig nog prima en acht minuten later stap ik de wal van Bere Island op. Ik volg de weg omhoog naar een kruispunt waar de Beara Way zowel links- als rechtsaf slaat. De informatiefolder raadt aan dit rondje tegen de klok in te lopen en daarom volg ik de markering naar rechts. De weg passeert een paar huizen en eindigt bij een overstap, maar als ik het hek probeer, gaat dat gewoon open. Bij het volgende hek even verderop heb ik minder geluk en moet ik alsnog klimmen. Ik volg een grindweg langs de bunkers en pillbox van Fort Point. In 1796 mislukte de Franse invasie van Ierland door slecht weer. Tijdens een hevige storm bleven de schepen in Bantry Bay liggen en de 14.000 soldaten kwamen nooit aan land. Daarna onderkenden de Britten wel het strategisch belang van Bere Island. Ze bouwden onder meer vier Martellotorens en een signaaltoren. De pillbox stamt uit 1905. Veel liever dan naar dit betonnen geweld kijk ik naar de kust, want zowel aan de overkant van het water als op het eiland zie ik indrukwekkende kliffen waar de golven zich op stukbijten. Na nog weer een overstap beland ik op een groen grasdijk afgezet met platte stenen. Heerlijk makkelijk lopen zo. Waar het graspad links omhoog krult, zie ik een paadje naar rechts dat ik toch echt even moet verkennen. Ik volg het naar beneden en word rijkelijk beloond voor mijn nieuwsgierigheid. Prachtige rotsen die vanaf het pad niet te zien waren, domineren het water. Het is de plek waar Piper’s Point op het vaste land en Naglas Point op het eiland elkaar bijna raken. De smalle doorgang in Bantry Bay biedt een fraaie aanblik. Na even stil te staan om te genieten, volg ik het paadje terug naar de grasdijk. Die voert me snel en zeker naar de vuurtoren op Ardnakinna Point. De witte toren is niet heel hoog, maar waakt standvastig over vissersboten wanneer die met volle ruimen terugkeren naar de haven. Hier houdt de grasdijk op en mag ik weer de bergen in. Helaas kan ik er maar kort van genieten. De mist die ik aan de overkant van het water al zag, daalt nu ook over het eiland neer en het zicht wordt almaar slechter. Wanneer ik een meertje passeer, kan ik maar net het wolgras aan de rand van het water onderscheiden. Het is vreemd stil, zelfs de verre branding wordt overstemd door het geluid van mijn ademhaling. Op een enkele kreet van een zeemeeuw na hoor ik zelfs geen vogels. Zo af en toe miezert het, maar het zijn de onschuldige Ierse drieminutenbuitjes waar ik aan gewend ben geraakt. Ik neem niet eens de moeite een jas aan te trekken en loop heerlijk in T-shirt verder. Het pad slingert zich de heuvel op, langs rotsen en paars bloeiende heide. Op 240 meter bereik ik de ruïne van een signaaltoren. Met een vlaggenmast werden boodschappen doorgegeven aan vergelijkbare torens op Sheeps Head en Blackballs Head. Alleen op dagen zonder mist, neem ik aan. In 1959 werd de toren getroffen door bliksem en een hevige storm in 1964 betekende de genadeslag. Een paar stenen muren staan nog overeind, maar dat het ooit een toren is geweest, zou ik niet hebben geraden. Het pad swingt verder en komt uit op een grasdijk, die onverwachts nog verder stijgt voor hij afdaalt naar een weg die ik via een overstap bereik. Aan de overkant in een veld moet de Gallán staan, een standing stone uit de bronstijd die mogelijk het centrum van het eiland markeert. Heel vaag kan ik de steen onderscheiden, een donkergrijze vorm in de lichtgrijze mist. Volgens mijn kaart is de route vanaf nu makkelijk, over de weg naar het schiereiland Rerrin. Maar de routebouwers hebben nog een paar verrassingen voor me in petto. Het begint bij een onverwachte overstap die me op het grindpad naar een Martellotoren zet, die ik even later bereik. De stompe, iets taps toelopende toren lijkt op een dikke molen zonder wieken. Volgens een bordje (ja, hier wel!) kun je de toren beklimmen en heb je van bovenaf een prachtig uitzicht. Dat uitzicht zit er vandaag niet in, maar als ik de binnenkant wil bekijken, ontdek ik dat de ingang zich op de eerste verdieping bevindt. Van de trap die er ongetwijfeld ooit was, zijn alleen wat resten over. Heel ironisch dat de Britten het ontwerp van de toren hebben gejat van de Fransen, nadat eind 18e eeuw op Corsica een klein garnizoen Fransen met drie kanonnen zich de Britten en hun 106 kanonnen lang van het lijf konden houden. Door dan maar, een beetje gokkend naar de richting. Gelukkig gok ik vrijwel altijd goed en ik kom op een smal pad tussen twee weides, vol hoog en nat gras en kleurrijke bloemen. Zo goed mogelijk zoek ik me een weg naar een donkere lijn hoge struiken. In Nederland zou dat een weg betekenen, maar hier brengt de overstap me naar een volgende weide waar het gras minstens zo hoog staat. De volgende overstap heeft wel asfalt aan de andere kant en dit keer vind ik dat niet zo erg. Maar opnieuw wijken de markeringen af van wat mijn kaart beloofde. De weg die ik volg gaat over in een grindweg die eindigt bij een autowrak op de oever. Op een betonnen pier is een enorme, roestbruine turbine achtergebleven. Ik loop een paar meter terug naar een overstap die in alweer een ruig weiland uitkomt. Dit keer is het een kort stukje, algauw kom ik aan bij een strand vol bruin zeewier, bestaand uit korte strengen die als een slechtzittende pruik over de stenen zijn gedrapeerd. Vanaf een afwateringsbuis tot aan de branding groeit groen mos, bijna fluorescerend fel. Waarschijnlijk gevoed door zoet regenwater uit de rioolbuis, maar het contrast met het donkerbruine zeewier is opmerkelijk. In de verte staat een blonde koe met twee kalfjes en natuurlijk moet ik juist daar langs. Ze vlucht voor me uit, telkens een stukje verder, tot zij rechtsaf rent en ik naar links mag. Links? Waar dan? Ik zie alleen zeewier, onderaan een klif. Heel in de verte zie ik een markering, boven me. Ik besluit te klimmen en vind dan een pad, of wat daar voor door moet gaan tenminste. Waren de paden tot nu toe uitdagend, het volgende stuk grenst aan het onmogelijke. Na een weiland met kort gras en door koeien stukgelopen grond volgt een serieuze wildernis vol akelige stekelplanten die me dwars door mijn broek heen prikken. Varens reiken tot mijn middel, zo dicht dat ik mijn voeten onmogelijk nog kan zien. En natuurlijk stap ik dan in een afwateringsgeul en is mijn rechtervoet meteen doorweekt. Eén markering is volkomen overwoekerd, andere zijn nauwelijks zichtbaar in dit oerwoud. Meer op gevoel en de hint van een pad dan op de markeringen volg ik de kustlijn van Lawrence’s Cove. Elke stap is een worsteling om vooruit te komen, met mijn stokken probeer ik de planten van me af te houden die hardnekkig aan me blijven trekken. Wie dit heeft bedacht, moet zich eens hard op het hoofd krabben. Blijkbaar waren ander wandelaars verstandiger dan ik en kozen voor de weg, want hier geen duidelijk platgetreden gangetje door het groen, geen omgebogen gras als aanwijzing van een wandellegioen. Even is het niet leuk meer. Dan worden de markeringen weer iets talrijker en het pad iets makkelijker. Het ergste is voorbij, maar het duurt me nog veel te lang voor ik het veilige comfort van de weg weer bereik en opgelucht kan ademhalen. Mijn sokken soppen in mijn schoenen, die deze week nog geen moment droog zijn geweest. Nu mag ik dan echt over de weg naar Rerrin, het schiereiland met het dorp dat dezelfde naam draagt. Zou de markering me nu opnieuw een weiland in leiden, dan zou ik toch wel even aarzelen of ik daar nog toe bereid was. Gelukkig leidt het asfalt me snel en zeker naar Rerrin, waar een korte rondwandeling begint rond Lonehart Battery, een oud fort. Op weg ernaar toe passeer ik een aantal grijze kazernes, die zo af en toe nog in gebruik zijn tijdens oefeningen. Het fort is omheind en omringd door een diepe gracht vol bomen. Enkele roestige kanonnen wijzen landinwaarts. Interessanter vind ik het landschap erom heen. Het zicht is iets verbeterd en in de verte ontdek ik Roancarrigmore, het eilandje met de vuurtoren. Ook de kustlijn met zijn kliffen en rotsen is prachtig. Met een grote boog loop ik om het fort heen, meer naar de zee kijkend dan het grijze beton. Eenmaal terug op het asfalt volg ik een andere weg terug naar het dorp. Het begint te regenen en pas nadat ik al doorweekt ben, realiseer ik me dat deze bui niet na drie of zelfs na tien minuten ophoudt. Te laat om nu nog een regenbroek aan te trekken. Vloeibare zonneschijn, noemen de Ieren het en met die vrolijke gedachte loop ik verder. Langs de weg is er nog een wedge tomb, en soort hunebed van grote, platte stenen Ze staan nu schots en scheef door elkaar, als een mislukt domino-project. Ik ben even niet meer in de stemming om er lang bij stil te staan, hoe bijzonder het ook mag zijn. Over de weg loop ik terug, maar bij een kruising ontbreekt de markering. Ik besluit de Beara Way-fietsroute terug te volgen naar de pont. Ook die weg klimt vrolijk verder en nadat de regen is gestopt, neemt mijn humeur een vergelijkbare vlucht omhoog. Dan ben ik plotseling terug bij Gállan, de standing stone, die nog steeds nauwelijks te zien is in de dichte mist. Vanhier is de Beara Way voor wandelaars weer gemarkeerd naar de pont. Tegen de tijd dat de boot me komt halen, ben ik, op mijn schoenen na, alweer bijna droog.

 

Dag 4: Castletownbere – Allihies, 15 + 5 km

 

De palmbomen langs de kade kunnen niet verhullen dat de haven van Castletownbere er een is voor werklui. Hier geen slanke jachten, maar grote vissersschepen en een reddingssloep. Op het water drijft regenboogkleurige olie tussen plastic flessen en stukken piepschuim. Ik krijg het gevoel dat toeristen hier worden getolereerd, het is beslist geen hartelijk welkom. De route voert door de hoofdstraat, die uitkomt op een groot plein. Dat wordt opgesierd door een groot Keltisch kruis ter ere van de mannen en vrouwen van het Berehaven Battalion, die van 1916 tot 1923 voor de Ierse Republiek vochten. Dat is precies honderd geleden. Geen wonder dat de onafhankelijkheidsverklaring bij huizen en pubs trots achter de ramen hangt en te koop is in souvenirwinkels. Ik ken de IRA alleen als een terroristische organisatie die in Noord- Ierland aanslagen pleegde, maar ik ben dan ook niet goed op de hoogte van Ierse geschiedenis. Sinn Féin, de politieke partij waaruit de IRA voortkwam, bestond namelijk al langer en in 1918 wonnen ze de verkiezingen met overmacht. Op 21 januari 1919 vormde Sinn Féin een regering en verklaarde Ierland onafhankelijk. Een lange en bloedige oorlog later werden 26 counties verenigd onder de naam Ierse Vrijstaat op 6 december 1922. Weer wat geleerd.

Langs MacCarthy’s, gekozen tot de beste pub van 2016, loop ik het dorp uit. De heuvels zijn mistig, van Bere Island is het geringste strookje kust te zien. Dit keer zie ik niet op tegen een stuk asfalt, er wacht een beloning. Anderhalve kilometer buiten Castletownbere staat in een weiland met koeien een cirkel van twaalf grote stenen, de Derreenataggart Stone Circle. Drie van de twaalf stenen zijn omgevallen, negen staan er nog overeind. De steencirkel, zo’n drieduizend jaar oud, werd gebruikt voor ceremonies en rituelen. De lijn van de ingang, geflankeerd door de hoogste stenen, naar de laagste, centrale steen precies daartegenover komt overeen met bepaalde heldere sterren en bijzondere zon- en maanstanden. Het is ontnuchterend om te bedenken dat een plek die ooit zo’n centrale plaats innam in een gemeenschap, een heilige plek, nu een weiland vol koeienvlaaien is. Maar tijden veranderen en ook onze kerken worden een voor een omgebouwd tot appartementen.

Even voorbij de steencirkel moet ik volgens de kaart naar rechts, om over de schouder van Miskish Mountain te kruipen. Helaas is dit stuk van de Beara Way afgesloten wegens boswerkzaamheden. Het is zaterdag, dan zal er vast niet worden gewerkt? Toch is het niet moeilijk de keus voor het asfalt te maken. De zware machinerie zal de bospaden aardig hebben omgeploegd en het zicht is nihil. De uitzichten waar ik gisteren nog op hoopte, kan ik wel vergeten. Daarom volg ik de aanwijzing op en loop over het asfalt verder, waar ik de route over drie kilometer weer op zal pikken. Er is een troostprijs bovendien, nu kom ik langs Teernahillane, een oud fort. Al lopend kijk ik ernaar uit, maar als ik er dan eenmaal ben, herken ik de ronde verhoging die oprijst uit een glad gazon amper als fort. In hooguit drie minuten loop ik erom heen. Met een houten pallisade, zal de plek goed verdedigbaar zijn geweest, maar het lijkt me te klein om meer dan één familie een toevluchtsoord te bieden. Ik loop verder en kort nadat de Beara Way er weer bij is gekomen, passeer ik een immense stapel boomstammen. Ze hebben niet overdreven met hun boswerkzaamheden. Het kleine stukje omgeving dat ik kan zien, wordt iets ruiger. Er verschijnen rotsen en grote stenen en ik betreur de mist. Niet veel later dient zich bos aan en ik snuif de geur van bomen diep naar binnen. Heerlijk. Overal langs het pad hoor ik water stromen, maar de begroeiing is te dicht om de beekjes te kunnen zien. Eindelijk mag ik het asfalt dan verlaten, een halfverharde grindweg leidt me kwiek richting Allihies. Met bomen aan beide kanten van het pad voel ik me hier thuis, ook al begint het weer flink te regenen. Op mijn weg omhoog passeer ik een zijpad waar onlangs hout is geoogst, het is een slagveld van takken en stammen, modder en kuilen. Nu begrijp ik waarom ze de lus naar Miskish Mountain hebben afgesloten. De na een eerste bultje laat de weg zijn spierballen zien en begint steil te klimmen. Het lijkt wel of ik pap in mijn benen heb, ik kom amper vooruit. Af en toe staat ik stil om op adem te komen, maar de weg klimt genadeloos verder. Na elk topje volgt een volgende piek en pas na drie kwartier ben ik boven. Dan buigt het pad zich even hard weer naar beneden en plotseling begint mijn linkerknie luidruchtig te protesteren. Iets wat moet buigen, buigt niet helemaal lekker en ik voel elke stap. Dit is nieuw en niet bepaald welkom. Gelukkig houdt de knie zich na een korte rust weer koest en kan ik zonder problemen verder. Een dappere vader heeft zijn drie zoons mee naar buiten genomen en loopt me tegemoet. Langs de weg verschijnen ook weer schapen en een enkel huis. Dan ontdek ik in een veld een vreemde, vierkante toren. Het blijkt het pomphuis van Koalog kopermijn te zijn geweest, die water wegpompte uit de mijnschacht, vierhonderd meter lager. Het zand dat na het extractieproces overbleef en ook werd weggepompt, heeft ervoor gezorgd dat er aan de kust onder Allihies nu een zandstrandje is. Om de een of andere reden vind ik stenen cirkels van duizenden jaren oud interessanter dan een mijn uit 1842 en na een kort fotomoment loop ik weer door, de weg tussen twee hagen volgend naar beneden. Vanaf de oprit van een huis komt me een klein keffertje tegemoet, die met me meeloopt richting Allihies. Als hij rent, doet hij dat op drie pootjes, maar voor het lopen gebruikt hij er vier. Zelfs als ik de grote weg bereik en het dorp de rug toekeer om de Beara Way te volgen richting Dursey, blijft het hondje bij me. Soms verdwijnt het even onder een heg of onderzoekt het een huis waarvan de oprit niet is afgesloten met een hek, maar telkens als ik kijk, is het beestje voor, naast of achter me. Verschillende automobilisten moeten uitwijken en ondanks dat het niet mijn hond is, voel ik me toch een beetje schuldig. Gelukkig bereik ik kort daarna de B&B en terwijl ik mijn natte schoenen vol oude kranten prop, begint het hondje aan de lange weg naar huis.

Aan het eind van de middag klaart het weer aardig op en besluit ik het stukje van de Beara Way langs de kust naar Allihies te lopen. Datzelfde pad neem ik waarschijnlijk ook op de terugweg van Dursey Island, maar terwijl het schiereiland links van de B&B nog steeds in dichte mist is gehuld, is Allihies Point aan de rechterkant volkomen helder en daarvan maak ik dankbaar gebruik. Het lusje begint aan de rand van het strand, waar de golven stuk slaan op de rotsen. Heel anders dan de kalme branding in Nederland, maar nog niet erg spectaculair. Dat wordt al snel anders. Hoe verder ik kom, hoe hoger de kliffen en hoe indrukwekkender het uitzicht. Misschien is het juist doordat er in Nederland geen kliffen voorkomen, dat ik er zo door ben gefascineerd. De rotsen zijn prachtig in hun messcherpe formaties, de branding wit van alle luchtbellen als het kolkt en draait, zich tussen de nauwe rotsen doorperst en zich omhoog werkt langs de steen. Mijn camera snort tevreden. Het pad golft over het gras langs de rand van de kliffen. Niet te dicht bij de rand, al kan ik het af en toe niet laten om er iets dichter naar toe te lopen dan verstandig is. Bij één zeer fraaie inham wil ik zo laag mogelijk een foto maken. Languit in het gras liggen is de makkelijkste optie, dit is geen plek waar ik mijn evenwicht wil verliezen. Volgens de handwijzer aan het begin duurt dit pad twee uur, maar al veel te snel ben ik aan het eind ervan. Over de weg loop ik naar Allihies, waarna ik bij een pub het hondje weer tegenkom. Hij blijkt hier wel vaker rond te scharrelen en komt uiteindelijk altijd weer thuis.

Dag 5: Allihies – Ballaghboy – 26 km
Vanuit mijn slaapkamerraam kan ik de toppen van de heuvels zien en ondanks dat het pijpenstelen regent, geldt dit in Ierland als een mooie dag. Wanneer ik de route bij de brug over de Ballydoneganrivier weer oppik, krijg ik gelukkig alleen te maken met de korte Ierse drieminutenbuitjes. Langs het strand volgt de route een grindweg, om even later de kust te volgen over het korte gras. De route is redelijk vlak, alleen een kloof verspert me de weg. Ik daal af en klim aan de andere kant net zo hard weer omhoog naar een weiland vol blonde koeien. Even kan ik het niet laten naar de rand van de afgrond te lopen, waar het water als een fontein omhoog spuit als het een rots tegenkomt. Een paar weilanden en mega-overstapjes verder kom ik weer op een weg, die langs een eenzaam, geel huis leidt. Dan begint het klimmen weer, want de Beara Way gaat over de flanken van Lackacroghan, een bergje van 260 meter. Misschien juist wel omdat hij zo laag is, zigzagt het pad nauwelijks, maar gaat het heel onaardig steil omhoog. Eenmaal boven staan de markeringen een eind van het pad af, maar daar trek ik me niets van aan. Zolang ik de oceaan aan mijn rechterhand zie, zit ik goed. Uiteindelijk krult het pad een heel end terug om de berg om weer op de verharde weg te komen. Hier kan ik kiezen uit de Garinish- en de Finkeellus. De Garinishlus loopt dichter langs de kust en gaat over een iets lagere heuvel, en daarom sla ik rechtsaf langs Garinish strand. Terwijl ik over het asfalt loop, begint mijn linkerknie weer te zeuren. Dat verbaast me. Hier vraag ik er toch niet teveel van? Gelukkig verdwijnt de pijn weer en kom ik even later zorgenvrij bij een handwijzer die omhoog wijst, terug naar de weg en de enige kabelbaan van Ierland. Dat is niet de richting die ik verwachtte, maar ik zie verder geen markeringen meer, dus neem ik het smalle graspad dat tussen twee hagen weer naar de weg slingert. Eenmaal op de top van de heuvel verschijnt Dursey Island aan de horizon. Een in zee uitstekende vinger, Illanebeg, is al praktisch van het eiland afgebroken. Hier stond tot juni 1602 een kasteel, O’Sullivan Castle. Tijdens een negenjarige oorlog van gaelic irish chieftains met de Engelsen werd het verwoest en alle bewoners vermoord, wat bekend staat als het Dursey Massacre. Op weg naar de kabelbaan passeer ik mijn B&B en daar laat ik mijn zware rugzak achter, om alleen met een lichte dagrugzak verder te gaan. Ik had me al afgevraagd of de kabelbaan nog wel zou gaan met deze zware wind, maar juist als de parkeerplaats bereik, komt de gondel vanaf het eiland mijn kant op. Het is een kleine cabine met twee bankjes, die maximaal zes personen of 1 koe kan vervoeren. Hoewel de cabine flink schommelt als ik instap, glijdt hij volkomen stabiel de Dursey Sound over. Er zijn twee routes naar Dursey Head, de verre punt van het eiland, een hoge en een lage. Hoewel het eiland maar 1,5 km breed en 6,5 km lang is, worden die 6,5 km wel ingenomen door drie bergen: Knockaree, Foilbolus en Foilaninna De laatste is met 252 de hoogste en daarop staat dan ook een signaaltoren uit de Napoleontische oorlog. Ik neem de bergen de maat en weet: dit kan ik. Natuurlijk kies ik voor de hoge route. Toch valt het nog niet mee, zelfs al passeert de route de 171-meter hoge top van Knockaree onderlangs. Vergeleken met de spectaculaire bergen van de eerste en tweede dag, zijn deze alleen maar groen en hoog. Toch geniet ik van de inspanning. Aan de andere kant van de berg kom ik op een breed graspad dat ik volg naar Foilbolus, de tweede berg. Ook daar hoef ik gelukkig niet over de top, maar wanneer ik de rand van een weiland bereik, zie ik verder geen markeringen meer. In de oceaan aan mijn rechterkant zie ik wel twee eilanden, Bull Rock en Cow Rock, en nieuwsgierig volg ik een pad daar naartoe. In een zee die maar iets minder grijs is dan de lucht, zijn de twee eilanden donkere vormen zonder reliëf. Even later zijn ze door een nieuwe regenbui weer helemaal aan het oog onttrokken. Dichterbij lokken de stukjes klif me aan die ik diep beneden met zie en loop ik naar de rand van de afgrond. In plaats van de verwachte vogelrijkdom, zie ik alleen een paar meeuwen zitten op de vrijwel verticale rotsen. De golven zijn zoals steeds indrukwekkend, maar een nieuwe regenbui komt net op het verkeerde moment en ik laat mijn camera in zijn hoesje. Uiteindelijk besluit ik dat ik ver genoeg op avontuur ben geweest en beklim de laatste heuvel, terwijl de miezer me in het gezicht slaat en het zicht steeds slechter wordt. Wanneer de signaaltoren opdoemt uit de mist, is het zicht amper nog twintig meter. Van de toren is alleen nog een ruïne over, maar in zijn hoogtijdagen was het een indrukwekkend bouwwerk. Ook na de toren blijft de markering schaars, maar er is slechts één richting en dat is recht vooruit. Als ik Dursey Head bereik is het even droog en helder. Precies op de laatste meters eiland, staat een kleine, vierkante ruïne. Geen idee wat hier heeft gestaan, misschien een verdedigingswerk of een vuurtoren? Niet veel verder in zee zie ik de golven breken op een andere eilandje waarop zeker weten de resten van een vuurtoren staan: Calf Rock. De 36-meter hoge vuurtoren is tijdens een storm in op 27 november 1881 verwoest en alleen de gietijzeren basis is nog duidelijk zichtbaar. Hoewel de vuurtoren bemand was, waren de drie vuurtorenwachters en drie andere mannen op dat moment niet in de toren. Ze waren echter wel gestrand en reddingspogingen door de Britse kanonneerboten Seahorse en Amelia mislukten. Na twaalf dagen lukte het zeven dappere vissers om de mannen van het eiland te halen, ondanks het nog steeds slechte weer. Aan een rots in Ballaghboy die uitkijkt op Calf Rock hebben nazaten van een van de redders een plaquette bevestigd ter nagedachtenis aan deze heroïsche daad.

Op goede dagen kun je vanaf deze plek hopen dolfijnen of walvissen te zien, maar vandaag is het geen goede dag en na de dappere vissers een mentaal saluut te hebben gegeven, keer ik op mijn schreden terug. Pas in het gehuchtje Tilickafinna, met welgeteld één geel huis, valt er iets te kiezen. Dit keer kies ik voor de makkelijke weg terug, de asfaltweg die langs lege weides leidt. De ruïnes zijn talrijk, schuurtjes van gestapelde stenen zonder dak. In Kilmichael en Ballynacallagh staan iets meer huizen, waaronder één vakantiehuis, maar waarom je hier een huis zou willen huren, is mij een raadsel. Tenzij je als schrijver zonder afleiding een boek wilt afmaken, dan zit je hier wel goed.

Vlak voor ik terug ben bij de kabelbaan, valt me in de diepte een kleine begraafplaats bij de ruïne van een kerk op. Ik daal af en loop langs de graven. De meeste lijken te stammen uit de jaren ’50 tot ’70, toen hier blijkbaar nog meer mensen woonden. De kerk stamt echter uit begin 16e eeuw. Het blijkt en een kapel te zijn geweest, gebouwd door een Spaanse bisschop. Al in 1602 was er niet meer van over dan een ruïne. Nu staan drie muren nog half overeind, mos groeit tussen de stenen. En zoals wel vaker vraag ik me af: welke monumenten laten wij na voor onze nazaten? Met deze gedachten overbrug ik de laatste meters naar de kabelbaan, die me weer terugbrengt naar de bewoonde wereld.

Dag 6: Ballagboy – Eyeries, 26 km
De Garinishlus die ik gisteren heb gemist, begint bij de kabelbaan en daarmee start ik mijn dag terug naar Allihies en verder naar Eyeries. Het is onverwacht helder weer en ik kan de signaaltoren op Dursey Island duidelijk zien in het ochtendlicht. De branding stuift nog even onstuimig op de kust af en in de verte hangen grijze luchten. Na de overstap bij de parkeerplaats van de kabelbaan bereik ik een dicht tapijt van gras en mos en begin langzaam te klimmen. De route gaat iets landinwaarts, maar als ik de kans krijg, volg ik ondanks de waarschuwingen op het pad te blijven een spoortje naar de kliffen. Hoe hoger ik kom, hoe fraaier Dursey Island zich voor me uitstrekt, Bull Rock een klein stipje aan de horizon. Steeds meer rotsen vermengen zich met het gras en het spoor windt zich eromheen. Wanneer het gevaarlijk dicht bij de kliffen komt, keer ik terug naar het officiële pad en het topje van de berg, waar ik Dursey Island helemaal kan zien, kleiner lijkend dan het daadwerkelijk is. En dan kom je boven en zie je ineens een rotsblok ter grootte van een Smart-auto en vraag ik me, ondanks dat ik op een berg sta, toch af: hoe komt die nu hier? Helaas hebben sommige vragen geen antwoord en ik daal redelijk steil af naar Garinish Point. Aan de ander kant van de baai strekt Cod’s Head zich uit naar zee, een rafelige bergketen die vaagblauw blijft. Bij een haventje kom ik weer op een asfaltweg en stap flink door langs voetballende jongens en een boerderij waar een paar katten en een handvol pluizige kittens net eten hebben gekregen. Een meeuw profiteert mee, maar vlucht als ik langs kom stampen. Een van de kittens heeft nog niet door hoe hij het best aan de andere kant van een hek kan komen. Hij balanceert perfect op de onderste horizontale stijl en laat zich dan voorzichtig aan de goede kant vallen. Bij Garinish kies ik terug voor dezelfde route als de heenweg gisteren. Die is mooi en groen en niet heel zwaar. Bovendien is het een stuk rustiger en korter dan het alternatief over de weg. Ik volg de grindweg omhoog en buig dan af naar de flank van de Lackacroghan. Net voorbij de top daalt het pad even hard als de waarde van het Britse pond na het Brexit-referendum. Ook hier geldt dat dalen makkelijker gaat dan stijgen en ik ben in een wip beneden. De weg terug langs de kust, over asfalt en gras, blijft schitterend, de kleurrijke huizen van Allihies tegen een dramatisch canvas van hoge bergen. Toch vallen me ook nieuwe dingen op, zoals de helderheid van het groene riet langs een beekje dat zich naar zee spoedt. Maar ik sta niet lang meer stil. Bovendien begint het weer te miezeren, opdat ik niet vergeet dat ik in Ierland ben. De Slieve Misikish Mountains, een moment eerder nog zo heerlijk duidelijk en imponerend, hullen zich in grijstinten. Gelukkig duurt de bui maar kort en niet lang daarna loop ik over de weg Allihies binnen. Omdat ik nog een paar boodschappen moet doen, kies ik voor het dorp en niet de fraaiere kustroute. Iets zwaarder beladen dan een uurtje geleden vind ik aan de andere kant van het dorp dan eindelijk de afslag naar Eyeries, maagdelijke grond. Na een paar meter grindpad mag ik meteen lekker klimmen. Eerst langs één meertje dat wordt gevoed door een kleine waterval, daarna een tweede, verscholen achter een dikke muur. Verderop toont een rots waarom in deze streek koper werd gedolven. Grijs mos heeft zich vastgezet op een steen die allerlei tinten bruin vertoont boven een gat waar water in staat. Een oude mijnschacht? Het is leuk om daarover te fantaseren, een onderwaterwereld, die je als duiker kunt verkennen. Maar het water dient waarschijnlijk om te voorkomen dat iemand de mijn ingaat en verdwaalt, zoals in Limburg nog wel eens voorkomt. Even later wordt de route aangenaam zwaar en mag ik lekker omhoogklauteren langs een beekje. Heerlijk puzzelen, waar zet ik mijn voet neer, welke rots ligt los en welke niet? Ik steek een beekje over, overwin de laatste meters en sta dan op een grindweg die verder de bergen in slingert. Ergens beneden me zie ik nog de restanten van mijnbouw. Een klein gebouwtje met een toren. Een andere keer misschien. Nu kijk ik nog één keer om naar Dursey Island en keer het dan de rug toe. Over de top ontvouwt zich een nieuw landschap: Coulagh Bay met zijn vooruitstekende Iveragh Peninsula en daarop de geweldige bergketen Macgillycuddy’s Reeks, nog wazige vormen, toppen die in elkaar overgaan. Als ik de weg verder naar beneden volg, blijkt de grond langs de kust verdeeld in nette vakjes weiden en akkers, bespikkeld met boerderijen en af en toe een bomenrij. Op een heel andere manier even schitterend als de bergen erachter. Inmiddels is de zon losgebroken en ik begin de warmte behoorlijk te voelen. Als ik de grindweg verlaat, doe ik dat in niets meer dan een T-shirt. Ik kom terecht in een drassige weide, een smal pad dat over de rug van de 488 meter hoge Knockoura loopt. De iets lager Miskish Mountain verschijnt als een vriendelijke reus aan de horizon. Het weiden worden doorsneden door kleine stroompjes, de aarde heeft zich volgezogen met water en het pad is modderig en bij tijd en wijle ook behoorlijk glad. Ik doe niet bewust mijn best om door alle plassen en poelen te stampen, maar ik vermijd ze ook niet. Wat is anders het voordeel van waterdichte schoenen als je je ook nog zorgen moet gaan maken dat ze schoon blijven? De markeringen blijven met enige regelmaat verschijnen en wenken me steeds een stukje lager te gaan. Tot er een me linksaf stuurt naar een overstap en ik langs een naamloos riviertje mag lopen. Bij een brug steek ik over en al na een paar meter grindpad, mag ik tot mijn grote plezier een tweede weide in, dit keer op de huid van Miskish Mountain. Het pad is redelijk kapotgelopen door vee en ik zie verschillende koeienvlaaien, hoewel alleen schapen vluchten voor mijn nadering. Dan zie ik even verderop een koe liggen, natuurlijk precies op het pad. Wanneer ik bij te dichtbij kom, staat ze met grote tegenzin op. Door dan, over deze vrolijke weide. Dit is het soort pad waar ik als wandelaar van houd, waar de aarde mijn voeten vriendelijk verwelkomt en bij elke stap meer energie teruggeeft dan ze kreeg. Eyeries nadert en dat begint met een weg die ik oversteek. Aan de andere kant een korte grindweg, waar een hond onderdanig voor me gaat liggen. Als ik hem mij heb laten ruiken en hij het aandurft geaaid te worden, geef ik hem wat liefde. Het is een heerlijk beest en even ben ik bang dat ook deze hond me een eind gaat volgen, maar hij luistert als ik hem streng naar huis stuur. Een stukje verderop is er een graspad tussen twee hagen in, waarvan een enkele braam met nare stekels. Even later zijn het vooral varens die me insluiten en mijn horizon groen kleuren, ik heb totaal niet het gevoel dat ik al bijna in een groot dorp ben. Toch gebeurt het nadat ik de Kealincharivier oversteek en nog een eenzame standing stone op de foto zet. Het eindpunt. Ik ben nog niet eens moe.

Dag 7: Eyeries – Lauragh, 26 km
De zee is kalm vandaag. De golven sabbelen rustig aan de lage rotsen en terwijl ik het pad weer oppak, bedenk ik hoe snel ik verwend ben geraakt door de Beara Way. Ik ben nauwelijks nog onder de indruk van kliffen die niet minstens tien meter hoog zijn. Het pad voert over grasranden en af en toe een strandje vol gladde, roze stenen. Eén keer is er een stukje zandstrand. Het is helder en ik kan heerlijk ver kijken, de bergen aan de overkant van Coulagh Bay zijn nu een stuk helderder dan gisteren. Ik zie huisjes en velden. Ik passeer het kleurrijke Eyeries aan de linkerkant, huizen in alle kleuren van de regenboog, zo fel als een snoepwinkel. Wat vrolijk en wat anders dan dat saaie bruin en grijs dat Nederland domineert. Een flink stuk voorbij het dorp draait het pad dan landinwaarts, door hoge varens en waarachtig een klein stukje bos. Meteen geniet ik en ik besef hoezeer ik bomen heb gemist op de kale hellingen. Aan de andere kant van een overstap kom ik uit op een weg. Van rechts nadert een andere zwaar bepakte wandelaarster die vanuit Eyeries de weg heeft genomen in plaats van de kustroute. Ze is druk bezig met haar mobiel. Misschien heeft ze iets belangrijks te vertellen, maar ik ben blij dat de mijne uitstaat en ik niet wordt afgeleid van het landschap om me heen. Ik volg de weg een behoorlijk stuk, tot die flink stijgt en ik een rustiger zijweg in mag. Daar is er algauw een overstap naar een graspaadje langs Lough Fadda, een langgerekt meer. Het is geweldig lopen. De zon is gaan schijnen en ik geniet van de uitdaging die de soppige grond me biedt. Het pad daalt en brengt me op een weg, vanwaar ik de blauwe schittering van Ardgroom Harbour kan zien. Helaas slingert de weg er vandaan, om de berg Cleanderry heen. Aan de andere kant draai ik terug naar de bergkam, die ik in de lengte volg. De ruïne van een huis of schuurtje steekt prachtig af tegen de bergen aan de overkant van Kenmare River, dat geen rivier is, maar gewoon een baai. Twee wandelaars komen met tegemoet, het blijken Nederlanders te zijn, hier op vakantie voor de vogels en planten. Ik had me niet gerealiseerd dat de talrijke kwikstaarten niet de gewone grijze, maar de donkerder rouwkwikstaarten zijn. Na een kort praatje daal ik af naar Ardgroom, al net zo suikerzoet gekleurd als Eyeries. Bij het plaatselijke winkeltje annex bakkerijtje drink ik wat en net als ik weer op pad ga, begint het hard te regenen. Wat een betere plek om te schuilen dan de bakkerij met zijn vitrine vol heerlijk ogende taarten. Jammer dat ik er maar één kan proeven. Net voor het eind van het dorp sla ik een zijweg in, ondanks het door een buurtbewoner opgehangen ludieke bordje: verboden voor backpackers. Het is een rustige weg zonder verkeer die na een paar kilometer toch uitkomt op de hoofdweg naar Lauragh. Ik volg de hoofdweg langs bordjes van de route afwijzen naar standing stones en stone cirkels. Helaas staat er geen afstand bij, anders was ik misschien wel gaan kijken. De stone cirkel bij Castletownbere was 1,5 km vanaf het 1e bordje en dat vind ik net te ver. Hoewel de regen weer zachtjes valt, gloeien de bergen over het water op in de zon. Uiteindelijk wordt het ook aan mijn kant weer droog en wanneer de route de weg verlaat en ik de 363-meter hoge Kaacragh aanschouw, doe ik mijn jas snel weer uit. Het pad kruipt traag omhoog naar een lage pas, waardoor ik de top onderlangs passeer. Eenmaal over de top verschijnt een idyllisch meer, dat groter wordt naarmate ik dichterbij kom. Op het water van Kilmakilloge Harbour vaart een miniatuurbootje. Fijne lijnen geven aan waar de schipper mosselen kweekt. Mijn oog wordt ook getrokken door de tegenoverliggende bergwand, waar de rotsen in een vreemde krul uit de aarde steken. Je kunt er makkelijk een patroon in zien, maar wat betekent dat dan? Het glad geschoren gras brengt me snel naar beneden, waar een grindweg langs een stone cirkel en standing stones voert. Eerlijk gezegd zie ik het verschil tussen de twee niet. Nog weer verder en dit keer komt een Duitse familie me tegemoet. Ze lopen langs een schuine rotswand, waar één straaltje water over een bedje van groene algen naar beneden stroomt. Iets verderop aan de andere kant van een overstap een bos, met een aangenaam smal pad over ritselende bladeren. Wat ik aanzie voor bomen, blijken enorme rododendrons te zijn en ook de hulst, die ik alleen ken als struik, bereikt hier T-rex-proporties. Het bos wordt aangenaam duister, een tunnel van bladeren die naar vochtige aarde ruikt. Het soort bos waaraan verhalen over kabouters ontspruiten en dan niet de Rien Poortvliet-versie met vriendelijk ronde neuzen en een gesteven rode puntmuts. Dan bereik ik de weg die ik een behoorlijk eind volg richting Lauragh, hoewel ik het dorp zelf vandaag niet te zien krijg. Mijn B&B is een end erbuiten, met zowel aan de voor- als achterkant uitzicht op de prachtige bergen. In de vensterbank een boek van Dolf Jansen, die hier in 2007 een huis kocht om zijn Ierse roots te verkennen. Hij woonde er vier maanden en schreef er met zijn vriendin een boeiend, bij vlagen hilarisch, boek over dat ik helaas niet in één dag uit kan lezen. Maar ik kan het proberen.

 

Dag 8: Lauragh – Glengarriff, 36 km

 

De laatste dag is ook meteen de langste en daarom ga ik een uur eerder dan gewoonlijk op pad. En als laatste plaagstootje krijg ik meteen een fikse bui op mijn kop. Ik steek een rivier en een drukke weg over en beland dan op een rustig weggetje dat niet zozeer golft, het is een achtbaan. Omringd door hoge struiken en bomen stijg en daal ik tot het me de pas overbrengt. En bij wijze van afscheidsgroet toont Ierland haar schoonheid in volle glorie: een lange reeks bergen een de horizon, glashelder en prachtig. Het water van de Kenmare Bay een smal lint aan hun voeten. En als om het nog feestelijker te maken, verschijnt er over een verre bergtop een regenboog. Met zoveel zon en regen tegelijk had ik me al verbaasd over het uitblijven ervan. Ik volg de weg verder en ontdek dan in een schapenweide aan de rechterkant een aantal steenhopen die lijken op hunebedden. Zouden zit weer steengraven zijn? Niet veel verder wacht aan de andere kant van een drukke weg een overstap. Hieruit blijkt dat ik in een andere county ben: in plaats van de superdegelijke ijzeren overstapjes met leuning is dit een even stevig houten exemplaar met een uitstekende handgreep. Vanhier volg ik de route naar Bonane, maar vreemd genoeg staat er Tuosist op de markering. Zolang de route maar overeenkomt met de kaart ben ik tevreden. Eventjes loopt de route parallel aan de weg waarover je naar Kenmare kunt lopen. Juist dat is de reden dat ik voor de fraaie routeverkorting naar Bonane heb gekozen. Geef mij elke dag maar bergen! Ik volg een vaag pad naar een paaltje, maar hoewel daarop wel het gele mannetje staat dat me al vanaf het begin vergezelt, zie ik geen pijl naar links of rechts. Uiteindelijk moet ik rechtsaf, weet ik, maar waar precies? Ik loop nog een stukje door, een ogenschijnlijk pad volgend, maar beland in hoog en nat gras. Nergens een volgende markering te zien. Een heuveltje biedt een goed uitkijkpunt en ik speur de omgeving af naar de markering die ik heb gemist. Heel in de verte valt me een wit stipje op. Met mijn camera zoom ik in en wanneer ik de foto terugkijk, kan ik hem nog verder vergroten. Heel vaag, maar duidelijk genoeg zie ik een geel mannetje op een paal, naar rechts, precies de richting waarvan ik al wist dat ik erheen moest. Ik loop een endje terug tot ik het hoge en natte gras verruil voor wat minder opdringerig groen en begin dan aan mijn trek terug naar het pad. Ik kom een andere markering tegen, veel dichterbij, die ik blijkbaar heb gemist. Toch fijn om weer op de goede weg te zijn. Langzaam stijg ik de vallei uit. Het is niet zwaar, maar wel onophoudelijk klimmen. Naarmate ik hoger kom, steekt er een heerlijk verkoelend windje op. Vlak voor de bergkam, in de schaduw van de 414-meter hoge Knockagararnetop kom ik voor het eerst een aantal houten planken tegen, met kippengaas bespannen. Dat is voor het eerst, hoewel de grond hier niet drassiger is dan ik eerder ben tegenkomen. De planken zien er nieuw uit en eerlijk is eerlijk, het is lekker om weer een flink door te kunnen stappen. Wanneer ik de top nader, verheug ik me op het uitzicht aan de andere kant. Elke berg is als een verrassings-ei zonder de chocolade, en verbergt een geschenk in zich. Dit keer bestaat het cadeau uit een dal met twee meren, Clonee Lough en Lough Inchiquin, door een dunne strook groen en een weg van elkaar gescheiden. De afdaling duurt langer dan de klim, maar het is een plezier, nog verhoogd door de Amerikaanse wandelaars die ik tegenkom en met wie ik een praatje maak. Eenmaal beneden is er een laatste overstap en kom ik uit op de oprit van een boerderij. Aan weerszijden grazen schapen, die precies voor me uitrennen op mijn weg verder naar benden. Langs de weg staat een bordje naar een famine house en een stone cirkel, maar dit keer laat ik de toeristische attracties aan me voorbij gaan. Weer een stukje lager passeer ik een betonnen kraal, waar een grote kudde schapen een vers likje blauwe verf krijgt. Verder naar beneden, tot ik waar de Ameenrivier zich klaterend over haar bedding stort. Hier verrassend veel toeristen, maar er is dan ook een parkeerplaats en een steencirkel waarvoor je twee euro entree moet betalen. De steencirkel staat op een heuvel vanwaar je volgens het bordje ook een fantastisch uitzicht moet hebben op de twee slanke watervallen in de verte. Ik volg de weg langs het tweede meer in de richting van de watervallen, maar kom er niet heel dichtbij. Dit is waar de route van de kaart aftuimelt en omdat de resterende afstand naar Glengarriff maar een paar centimeter van de volgende kaart in beslag neemt, heb ik niet de moeite genomen die te kopen. Ik moet het dus nu puur op de markering doen, maar omdat die me tot nu toe nog niet in de steek heeft gelaten, heb ik er alle vertrouwen in. De weg eindigt bij een beekje, waar een klein groepje wandelaars luncht. Een vrouw zit op de brug en biedt aan op te staan, maar het water staat zo laag dat ik via de stenen bedding oversteek. Dan begint er weer een klim, traag maar vasthoudend. En het zal niet de laatste zijn vandaag. Gelukkig is er een oud karrespoor en valt het klimmen me niet al te zwaar. Dat geldt niet bepaald voor de afdaling. Die blijkt namelijk een van de meest uitdagende kunststukjes van de hele Beara Way. Dit is geen pad, het is een glijbaan. Dikke, diepe modder waarin je voeten wegglippen. Ik begin anders te lopen, plant eerst mijn hielen diep in de natte aarde alsof het sneeuw is en pas als die houvast hebben gevonden, neem ik de volgende stap. Mijn stokken redden me meermalen van een val. Vreemd genoeg wordt de grond vaster naarmate ik lager kom. Als het even kan, loop ik over het gras. Niet alleen omdat gras de drogere stukken heeft opgezocht, maar ook om te zonnedauw te vermijden die ik rond mij weer zie groeien. Wanneer de grond dan eindelijk enigszins horizontaal wordt en ik weer normaal kan lopen, schiet ik snel twee weides door en beland dan weer op het asfalt. Ik volg de weg een endje richting Bonane, maar nog voor ik het dorp bereik, is er de splitsing. Wie naar Kenmare gaat, loopt door naar Bonane en vandaar over de weg verder. Ik sla rechtsaf richting Glengarriff. Dit schijnt de oude weg van Kenmare naar Glengarriff te zijn, maar ik kan me nauwelijks voorstellen dat dit ooit een hoofdweg is geweest. Misschien in de tijd van paard en wagen? De weg is smal, zonder ruimte om elkaar te passeren. Hij slingert en duikt, soms net zo steil als de Keutenberg in Limburg. Wel is het aangenaam groen, met bomen en grote struiken. Dat heb ik toch wel gemist de laatste dagen. Het landschap is overweldigend groen, maar zonder bomen niet altijd heel spannend. Tot op het laatst houdt de weg zijn koers voor me verborgen. Ik zie het eind van de vallei naderen, maar waar precies de weg de pas overgaat, blijft een mysterie. Pas bij de laatste bocht, als ik al vermoed dat de weg doodloopt in een schapenweide, is er een plotselinge slinger en bereik ik het hoogste punt. Jammer dat ik geen Nederlandse vlag heb meegenomen om te planten. Aan de andere kant van de bergen strekt zich een groene vallei voor me uit, vol bossen. Een lust voor het oog. De weg daalt nu langzaam naar beneden, langs één huisje met een bordje ‘community alert area’. Ik moet erom lachen. Community? Als het niet om de verse bloemen achter het raam was, zou ik denken dat het huis onbewoond was. Ik kom uit op de drukke hoofdweg naar Glengarriff, waar juist een aantal fietsers voorbij razen. Die heb ik hier nog niet veel gezien. Er wordt druk aan de weg gewerkt en of er nu een markering is weggehaald of ik gewoon teveel op het verkeer let en hem mis, ik loop verkeerd, rechtstreeks naar Molly Gallavan’s toe. Bepaald geen straf, want niet alleen wordt daar schitterend (en peperduur) Iers handwerk verkocht, ook hebben ze heerlijk gebak. De eigenaren kennen me nog van mijn bezoek aan hun ‘Irish Ball Night, een avond vol zang, muziek en verhalen en nadat ik ben bijgekomen wijzen ze me een sluiproute om weer terug te komen op de Beara Way. Ik loop een eindje terug langs de weg, over het gedeelte dat is afgesloten voor het verkeer, en pak dan de loop walks op, de gemarkeerde rondwandelingen waarvan ze er in Ierland zoveel hebben. Die sturen me de vallei in, over een grindpad waarop een boer op weg naar zijn weiland behoorlijk wat mest heeft achtergelaten. Stinken! Aan de andere kant van de vallei kom ik de weg tegen, waarvan ik al vermoedde dat ik die moest hebben. De markeringen van de Beara Way staan er zoals verwacht en ik volg de weg naar een allerlaatste bergkam. Vlak voor het eind van de vallei loopt de weg dood op een oprit. Als sluiproute van Glengarriff naar Kenmare is de weg waardeloos. Via een overstap kom ik op een oud karrespoor, wat vroeger misschien nog wel de oude weg was. Opnieuw bewaart de berg zijn tanden voor het laatst, in de laatste honderd meter stijgt de weg harder dan in de vijfhonderd meter daarvoor. Wel kijk ik uit op een communicatiemast en dat betekent meestal een onderhoudsweg. Op de top een kleine teleurstelling: ik zie geen water. Ik had gehoopt Glengarriff te kunnen zien liggen, of tenminste Garinish Island. Maar zelfs het water van Bantry Bay blijft nog achter een heuvel verborgen. Een tweede teleurstelling is de onderhoudsweg. Een weg kun je het nauwelijks noemen. Grindweg evenmin. De keien die hierop liggen, zouden genoeg zijn om elke as te breken. Voorzichtig ga ik naar beneden, de stenen al evenmin vertrouwend als de modder op de vorige bergen. Ook nu zijn mijn stokken mijn betrouwbare extra benen. De weg komt uit op een asfaltweg die ik volg tot ik via een achterdeur Glengarriff State Forest binnenglip. Er is een weiland vol schapen en een spannende brug. De beek stroomt met me mee, ingesloten door het groen en daardoor onzichtbaar. Er is modder waarover stenen zijn gelegd die een zuigend geluid maken als je erop stapt. En er is een heerlijk klein slinger-sluippaadje tussen de bomen door. En dan kom ik de markeringen tegen van de rondwandeling die ik op mijn rustdag in Glengarriff ook al heb gedaan. Nu ken ik de weg weer en weet: het is niet ver. En inderdaad, amper een half uur later sta ik dan op de grote weg naar Glengarriff en nog weer twee kilometer verder loop ik langs de kerk en de begraafplaats het dorp binnen. De cirkel is rond.