Abel Tasman Coast Track

De Abel Tasman Coasttrack: een onverwacht cadeautje (2015)

 Volgens de legende was de Polynesische zeevaarder Kupe rond 925 de eerste die het land zag. Omdat er laaghangende bewolking over de heuvels hing, noemde hij het Aotearoa, het land van de lange witte wolk. In 1642 noemde Abel Tasman de eilanden naar een Hollandse provincie Nieuw Zeeland. Tegenwoordig is het een paradijs voor avonturiers,  wandelliefhebbers én fans van Lord of the Rings. Ik ben alle drie en daarom loop ik hier de komende zes weken zeven wandelpaden en één IML. Dit is de Abel Tasman Coast Track.

Dag 1 Marahau – Bark Bay Hut, 19 km
Waar ben ik in hemelsnaam aan begonnen? Dit pad is veel te mooi om in twee dagen af te raffelen. Het begint al bij de monding van de Marahaurivier, een houten brug die me vanaf de parkeerplaats over het water leidt. Over die eerste honderd meter doe ik zowat een half uur. Hoe kan ik de pracht omschrijven die daar op je afkomt? De plassen die de wolkenlucht spiegelen, ingesloten door bruinrood rietspul, met op de achtergrond de bergen die langzaam omlaag buigen naar zee. Kleine reigers stappen er rond, op hoge gele poten, druk jagend. Regelmatig slaan ze toe, hun zwarte, dolkachtige snavel razendsnel in het water priemend en weer boven komend met een visje. En heilige ijsvogels! De Nieuw-Zeelandse variant van onze bontste vogel. Op de brugleuning zitten er wel drie! Helaas zijn ze te schuw om me dichtbij te laten komen, maar het silhouet is onmiskenbaar. Als ze wegvliegen, vangt hun rug het zonlicht en zie ik iets van die uitbundige kleuren waar ze om bekend staan. Heel anders dan hun Nederlandse broertjes, maar niet minder sierlijk. Het achterland is eigenlijk het minst interessant. Water, kortbruin gras en dan de bekende groene bergen die de horizon domineren. Het blijft mooi, maar ik heb het vaker gezien. Deze tocht draait om de zee, de Zuid Pacific. Nadat ik eindelijk het water ben overgestoken, volgt het pad golvend de bergwand. Een dunne bomenhaag scheidt me van zand en zee. Zo nu en dan is er een paadje naar beneden en ik neem een kijkje op Tinline Bay. Dit stuk kijkt nog terug naar het tegenover Marahau gelegen schiereiland,  een dunne bergketen aan de horizon. De golfslag is hier veel minder heftig dan aan de westkust, waar de Tasman Zee enorme brekers het strand op gooit. Hier spelen bedaarde golfjes met zand en steen. Ik zie kanovaarders, zeilboten en een enkele snelle motorsloep, maar de branding is vrij van surfboards. Het strand ligt bezaaid met bruine keien en als ik naar links kijk, zie ik net boven de vloedlijn een grot. Stappend over stenen die net niet onder water staan, kan ik tot bij de ingang komen. Aan de donkere lijn op de rotsen zie ik dat het getijdeverschil hier kan oplopen tot meer dan een meter. Zo bedaard is de zee dus ook weer niet, als het water sterk genoeg is om deze grot te bouwen. Maar hoewel ik strand best mooi vind om te zien, heb ik onder mijn voeten liever vaste grond. Ik keer terug naar het brede, makkelijke pad, dat stijgt tot we een flink eind boven het water zitten en door de bomen heen geniet ik van de prachtige vergezichten. Even draait het pad weg van het water, naar de Tinline kampeerplaats. Daar is ook een kleine rondwandeling, maar vandaag loop ik alle zijpaden voorbij. Ook de stukken waarbij ik door het bos word ingesloten, loop ik na zoveel weken prachtige natuur gedachteloos. Natuurlijk ben ik liever in het groen dan in de betonnen stad, maar ik verbaas me vandaag niet meer over de boomvarens en het mos. Ik verheug me even niet meer op de fantail en tomtit. Het is de zee die trekt. Het diepblauwe ansichtkaartwaardige water, het maagdelijke zand, de rotsen die het bos ondersteunen.

En dan is er Apple Tree Bay, een stuk strand dat zo verschrikkelijk mooi is dat ik acuut naar beneden wil. Een stukje achter het strand ligt een sierlijke waterplas, gevuld met reigers en bruin riet. Er staat een picknickbank bij en hoewel de klok nog geen twaalf uur aanwijst, besluit ik dat het lunchtijd is. Ik moet nog even wachten, pas vijf minuten later dient zich het pad naar het strand aan en kan ik gehoor geven aan mijn gevoel. Ik nader de plas voorzichtig, om de Canadese ganzen niet te verstoren. De paar reigers rusten, maar houden me wantrouwend in de gaten. Een meeuw trappelt driftig met zijn poten in het ondiepe water en slokt de diertjes op die zo aan de oppervlakte komen. Als ik neerstrijk op de picknickbank, bij twee andere wandelaars, kijk ik uit over de zee naar Fisherman Island en Adele, genoemd naar de vrouw van de Franse ontdekkingsreiziger Dumont D’Urville die in 1827 langs de oostkust voer.

Met de wandelaars, die naar Marahau gaan, praat ik over de weg die komen gaat. Over de getijden waar je rekening mee moet houden en het gebrek aan gefilterd water in Anchorage en Bark Bay hut. Voor deze tocht heb ik veel spullen die ik niet gebruik in het hostel in Nelson achtergelaten, waaronder mijn waterfilter. Mij rugzak is hierdoor heerlijk licht, maar ik ben nog nooit zo onvoorbereid op een tocht geweest als nu. Gelukkig krijg ik van het stel een strip waterzuiveringstabletten die ze na deze eerste tocht niet meer nodig hebben. Voor nu drink ik van de liter vruchtensap die ik, met zoveel ruimte in mijn rugzak, heb meegenomen. Als ik verder loop, moet ik weer terug naar boven. Het strand maakt hier plaats voor rotsen en je kunt niet verder langs de branding. Als ik klim, zie ik aan een zwartgeblakerde stam van een boomvaren en een omgekruld blad. Hoe zou hier nu brand kunnen ontstaan?  Zo nu en dan is er een beek met kraakhelder water, een hangbrug of korte stevige plankier. Ik loop door, terwijl de begroeiing door de arme grond lager wordt. Bij Stilwell Bay leidt mijn nieuwsgierigheid me opnieuw naar het water. Een stroompje graaft grillige vormen in het zand en een smalle toren van rotsen staat als een eenzame uitkijkpost voor de kust, getooid met hardnekkige bomen. Omdat het strand ophoudt, ga ik dezelfde weg naar boven. Nu het pad van de zee wegdraait, kan ik vaart maken. Het pad is zo breed en egaal dat ik me bijna geen wandelaar meer voel, maar me een toerist op een zondagse wandeling door een stadspark waan. Dan kom ik op het punt waarop ik een keuze moet maken: omlaag naar Anchorage Hut en de laagwaterroute door Torrent Bay of de keuze nog even uitstellen en pas vlak voor Torrent Bay voor hoog of laag kiezen. Even kies ik de veiligste optie, maar ik keer op mijn schreden terug. Ik wil de zee weer zien, dat wat dit pad zo de moeite waard maakt om te lopen. Het is rond 15.54 laagwater en ik neem aan dat dit geldt voor de hele kustlijn. Hoewel het nog iets vroeger is, gok ik erop dat ik de baai veilig kan oversteken. Het afdalen gaat snel en ik voel het in mijn knieën. Vanaf mijn nog iets hogere positie zie ik wandelaars een drassige baai oversteken. Ik had gelijk. Toch is het fijn dat een andere wandelaar bevestigt dat ik nog een uur heb om veilig over het slik te lopen. De hut is de verkeerde kant op en hoewel ik niet veel drinken meer heb, vind ik zelfs vijf minuten omlopen teveel. Ik stap het strand op, waar mensen in bikini zonnebaden en kinderen zwemmen. Kanovaarders hebben hun vaartuig op het droge getrokken en genieten van de zon. En dan loop ik daar, in t-shirt en lange broek, haastig bijna. Wat had ik hier graag een dag langer over gedaan. Maar vanwege de paasvakantie zijn alle hutten morgen volgeboekt en moet ik het doen met die ene kans die me in de schoot is geworpen. Dit pad stond niet op de planning, maar door een lift vanaf de Heaphy track naar Nelson kan ik het toch in mijn al zo drukke schema proppen. En wat ben ik blij dat ik dat heb gedaan. Dit is zo de moeite waard. Ik kon maar één hut boeken en ik heb nog geen flauw idee hoe ik hier morgen weer weg kom. Maar als je iets graag wilt, moet je er wat voor over hebben. Ik vertrouw erop dat op de een of andere manier de puzzelstukjes vanzelf op hun plaats zullen vallen.

Aan het eind van het strand gaat de route het  bos in en klimt. Even ben ik in verwarring, maar dan zie ik het bord dat zowel Cleopatra’s poel als de baai aanwijst. Ik heb geen zwemkleding bij me en loop de beroemde poel voorbij naar de baai. Een klein heuveltje verder sta ik dan met mijn schoenen in het slik. Het is nog een beetje vochtig en ik kies ervoor dit stuk niet op blote voeten te overbruggen. Mijn handdoek is een van de dingen die ik dacht niet nodig te hebben en ligt nog in Nelson. Hoge palen met een oranje schijf wijzen de weg langs een enorme rots met een paar boompjes erop. Opnieuw verbaas ik me over het getijdeverschil. Het water komt hier straks tot boven mijn hoofd. Vanuit de heuvels loopt nog een dun stroompje over het zand. De stomp van een boom, met nog een enkele tak eraan, is bezaaid met kleine schelpjes. Het zand vertoond gaten en ronde kringen, sporen van het leven dat onder het slik wacht tot het water weer terugkeert. Genietend loop ik naar de overkant en ik voel een rust over mij komen die ik eerder niet had. Dit maakt de dag de moeite waard. Vanaf nu denk ik niet meer aan tijd, aan hoe laat ik waar wil zijn, hoe het kan dat ik vandaag misschien wel acht uur ga doen over twintig kilometer. Ik ga genieten en zie wel waar ik strand. Aan de andere kant van de baai loop ik een dorpje in, Torrent Village. Ik kan me niet voorstellen dat je van hier forenst naar je werk. Het zal een vakantiedorpje zijn, pensionado’s misschien. Het heeft twee ‘straten’ van zand, die wel echte namen hebben, en verrassend veel brandslangen. Er is ook een toilet én water, waarvan ik hoop dat het vers is. Hier vul ik alsnog mijn camelback. Dat had ik in Marahau willen doen, maar bij de openbare toiletten was voor het eerst alleen handgel en geen kraanwater. Vlak voor ik het dorpje verlaat, kom ik langs een strand waarvoor een rots prachtig spiegelt in het dunne laagje water dat op het zand is achtergebleven. Aan de vloedlijn liggen een motorboot en sloep te wachten op het opkomende getij. Opnieuw besluit ik dat het niet nodig is mijn schoenen uit te doen en dit keer krijg ik daar spijt van. Terwijl ik de motorboot nader en mijn foto’s maak, komt er opeens een golf opzetten die mijn enkels overspoelt en de vloedlijn meters landinwaarts verplaatst.  Mijn sokken, mijn schoenen, alles is nat. Het geeft niet, ik overleef het wel. Het is warm water en mijn voeten lijden er niet onder. Ik verlaat het strand en klim weer, terwijl het hoogwaterpad zich bij de track voegt. Zo nu en dan is er een zijpad naar een uitzichtpunt en hoewel het best lange stukken zijn, terug naar de zee, kan ik de verleiding maar moeilijk weerstaan. En lang niet altijd is er iets te zien, door de bomen die het uitzichtpunt omringen. Maar zo is Nieuw Zeeland. De natuur gaat boven het gemak voor de mens. Bij een uitzichtpunt, vlak voor Bark Bay Hut, heb ik dan wel vrij uitzicht op een klein eilandje en de wind die patronen in het water tekent. Er staat een bankje, we worden hier echt verwend! Een muisje scharrelt rond mijn voeten. Terugkijkend naar rechts zie ik de vele opeenvolgende baaien, de groene landpunten die zich uitrekken in zee. Ik kan nu al niet meer zien waar ik vanmorgen begonnen ben. Bark Bay Hut is nog maar een half uurtje en als ik langzaam weer daal naar zeeniveau en het parelwitte strand zie, weet ik dat ik vanmiddag ga genieten. De hut ligt echter niet aan het strand zelf, dat privilege is gereserveerd voor kampeerders. Nog één baai ligt ertussen, maar het is laagwater en dan is het strand alsnog snel bereikt. Het water is fris, maar dit keer is het geen gletsjerwater en met plezier loop ik het water in. Het is nog een heel end voor het water diep genoeg is om daadwerkelijk te zwemmen en als het zover is, is het heerlijk. Er is een lichte golfslag die me terug naar het strand duwt en af en toe krijg ik wat flink zout water binnen. Na een paar lome baantjes houd ik het voor gezien. Verfrist loop ik terug naar de hut voor een tweede sensatie: een douche! Een koude weliswaar, maar toch is het een ongekende luxe om het zout van de zee van je af te spoelen en in schone kleren te schieten. Mijn natte sokken hang ik op de waslijn achter de hut. Met een koude avondmaaltijd en een krantje keer ik terug naar het strand, waar ik geniet van het laatste zonlicht. Ik heb het hier prima voor elkaar.

Dag 2 Bark By hut – Mutton Cove Campsite, 23 km
Terwijl ik mijn ontbijt van muesli-repen eet, komt het getijde opzetten in de baai waar de hut op uitkijkt. Dat gaat verrassend snel. Dacht ik voor het ontbijt nog dat ik de laagwaterroute makkelijk kon nemen, halverwege de sompige vlakte doe ik toch maar mijn sokken en schoenen uit om door een paar stroompjes te waden, die algauw tot mijn knieën komen. Een grote oranje driehoek wijst me de weg naar waar het pad door het bos weer verder gaat. Als ik vlak bij de rotsen ben, schieten een paar visjes weg in het heldere water. Wat grappig. Het pad duikt het bos in en nu kan ik gedachteloos verder lopen. Nu ja, helemaal gedachteloos is het niet. Waar ik juist níet aan probeer te denken, is waar ik vannacht zal zijn en of ik überhaupt zal slapen. Vanwege de paasvakantie zijn alle hutten volgeboekt en moet ik dit pad in twee dagen lopen. Vanaf eindpunt Wainui is er geen vervoer terug naar de bewoonde wereld. Ik was van plan die 23 km naar Takaka te lopen, ’s nachts, in het licht van de volle maan. Maar de getijden leggen me beperkingen op. Na ongeveer 11 km steekt het pad een diepe baai over, Awaroa Bay. Je kunt de baai twee uur voor en twee uur na laagwater oversteken. ’s Ochtends is laagwater om 03.41 en ’s middags om 3.54. Oeps! Wat dat voor mijn plannen betekent, daar wil ik even niet aan denken.

Het pad stijgt flink zo’n 100 meter en het is een venijnig klimmetje. Met hetzelfde tempo daalt het pad ook weer, naar de oude granietmijn van Tonga, waar begin 1900 het graniet voor enkele gebouwen in Wellington en de kathedraal in Nelson is gedolven. Behalve wat vierkante blokken steen en de betonnen voet van een hijskraan is er niet veel meer te zien van de mijn. Er is een strandje bij, maar dat is erg klein. In een rustig tempo loop ik door. Gezien de getijden heb ik geen haast meer. Na even weer het bos in te kronkelen, komt het pad uit bij Onetahuti Beach. Vanaf grote hoogte kijk ik op het strand neer waar   een watertaxi komt aanscheuren. Die laadt enkele kano’s uit, terwijl er op het strand al best veel liggen. Kanovaarders hebben hier overnacht en er komen nog enkele wandelaars aanlopen die vanhier met de kano verder gaan. Voor de zekerheid vraag ik het nog even, maar de taxi komt niet tot aan Wainui. Ik loop verder langs de branding, waar het zand net even iets compacter is en makkelijker loopt. Aan het eind van het strand is er een houten plankier gemaakt over de Richardson beek, die we anders hadden moeten doorwaden. Een sierlijk lint geel zand vleit zich langs de oever en slingert naar de groene heuvels. De plankier voert over bruin riet en langs lage struiken. Het is erg mooi. Eenmaal terug bij de bergen is het weer tijd om te klimmen. Ik doe langzaam aan, maar loop wel de afslag naar Awaroa Lodge & Café voorbij. De extra tijd die ik heb, wil ik op het strand doorbrengen en niet lurkend aan een cola of wifi. Ik kom onderweg veel andere wandelaars tegen en raak in gesprek met de Spaanse Anna, een cameravrouw die een jaar verlof heeft genomen om de wereld rond te reizen. Zij heeft voor morgen een bus vanaf Wainui geboekt, om 11.40. Kijk, dat biedt mogelijkheden. We lopen samen op en het is best gezellig. Als we de Awaroahut naderen, leidt het pad ons naar een grote waterplas, waar we streng worden gemaand deze pas over te steken binnen 2 uur voor en na laag water. Even zijn we in verwarring. Die oversteek was toch pas ná de Awaroahut? Dan zien we langs het strand de bekende palen met oranje cirkels. We volgen ze langs de privéhuizen. Het water staat hoog en als ik lage schoenen aan had, zouden mijn voeten zeker nat zijn geworden. Als we over het kleine reepje strand lopen dat langs Awaroa Bay is overgebleven, besluit ik alsnog mijn sokken en schoenen uit te doen. Zo komen we eerst bij de kampeerplek en daarna de hut. Het is net twaalf uur en volgens een mededeling van de ranger kunnen we niet eerder dan 14.30 oversteken. Dat is aan de veilige kant, want volgens mijn gids moet het al om 14.00 uur kunnen. Als ik even het water inloop, in de hoop te kunnen zwemmen, merk ik dat het daar niet diep genoeg voor is. Nergens komt het echt hoger dan mijn knieën. Maar om nu al naar de overkant te lopen, vind ik iets te vroeg. Verderop zal het vast dieper zijn. Ik ga in het zand liggen en geniet van de zon. Toch ben ik ongeduldig, ik wil nog zoveel doen vandaag, nog zoveel zien. Het pad gaat verder naar Totaranui, waar veel wandelaars een watertaxi nemen terug naar Marahau. Terwijl volgens de gids juist het laatste stuk het mooist is, met een interessante zijtrip naar Separation Point, waar een vuurtoren én een zeeleeuwenkolonie is. Net voor half drie zie ik vanaf de overkant de eerste wandelaars beginnen met oversteken. Ik knoop mijn schoenen aan mijn rugzak en begin op sandalen te lopen,  gewaarschuwd voor de vele schelpen in het zand. Het gaat makkelijk, al is de stroming in de diepere stukken best sterk. De stokken geven me een voordeel boven de wandelaars die zonder hulp overeind moeten blijven. Als ik weer op het slik kom, zie ik een klein krabbetje in zijn hol schieten. Aan de overkant veeg ik met een oude sok het zand van mijn voeten en trek verse sokken aan. Daarna zet ik er een flink tempo in. Nu spant het erom. Ga ik het daglicht verslaan of niet? Ergens is het jammer dat ik niet één dag extra had om het pad te lopen, zodat ik wat rustiger aan kon doen. Dit pad is zo ongelooflijk mooi dat je het rustig tot je wilt nemen, op je wilt laten inwerken zoals een goede wijn. Vanaf de ander oever gaat het pad verder naar Waiharakeke bay, waar we een klein stukje over het strand lopen. Gezien de klif aan het einde ervan wacht me daarna een flinke klim en daarin krijg ik gelijk. Het gaat erg steil omhoog en aan de andere kant net zo hard weer omlaag. Ik zweet nu flink en het gaat lekker. Bij Goat Bay wacht weer een stukje strand, maar precies waar het pad eindigt en het strand begint, heeft een beekje het nodig gevonden naar zee te stromen. Door een speling van de aarde ligt er een flinke plas waar je niet omheen kunt. Bij wijze van brug ligt er een ronde boomstam over het water. Zonder veel vertrouwen in mijn balanceerkunsten gebruik ik mijn stokken om op de stam overeind te blijven. Dat ik daarvoor bijna hurkend over de stam moet lopen, neem ik voor lief. Aan de andere kant van Goat Bay wacht een nieuwe heuvel, maar deze brengt me dan in het langverwachte Totaranui. Ik had een soort dorpje verwacht en gezien de hoeveelheid mensen die er rondlopen had het dat best kunnen zijn. Het is een enorme camping, waar tenten en caravans met zonnepanelen grote campers afwisselen. Het bezoekerscentrum is vanwege de tijd of Pasen al gesloten. Even ben ik in verwarring hoe ik verder moet, maar dan zie ik een wegwijzer die me naar een imposante bomenlaan dirigeert. Deze macrocarpabomen zijn in 1855 door William Gibbs geplant, toen hij hier een modelboerderij bouwde. De grond is echter te arm voor landbouw en de boerderijen faalden. Ik loop de afslag naar Takaka voorbij en volg de brede grindweg langs een B&B tot aan een grasveld. Daar denk ik even dat ik verkeerd ben gelopen, tot ik in de verte de vertrouwde oranje driehoek zie. Op het gras lopen zwarte vogels met een rode snavel die tot op hun kop reikt. Zouden dit pukeko’s zijn? Het pad klimt en draait, tot de zee niet meer is dan een vage herinnering. Pas bij Anapai Bay bereik ik het strand weer. Onder de bomen is een echtpaar druk bezig met het opzetten van hun tent. Inmiddels is het vijf uur geweest en ik las een korte stop in voor een paar muesli-repen. Ik begin me ook af te vragen hoeveel daglicht ik nog heb. Ik wil door, maar het moet wel een vakantie blijven. Als ik bij Mutton Cove een ranger tegenkom die brandhout verzamelt voor het kampvuur van de kampeerders, valt me de suggestie van Anna in. Kamperen en dan morgen samen met haar de bus van 11.40 nemen. Ik heb niet geboekt, maar kan vast wel bij de chauffeur betalen. En als ik vroeg opsta, heb ik morgen nog genoeg tijd voor de zeeleeuwenkolonie. Ik vraag of ik alsnog kan overnachten en het blijkt dat de kampeerplaatsen in het noorden van het pad niet zijn volgeboekt. Ik heb dan wel geen tent en geen matje, maar het heeft me altijd leuk geleken eens in de buitenlucht te overnachten en dit is er de perfecte plek voor. Het is warm, droog en ik leg mijn slaapzak neer op het stand, met uitzicht op zee. Is dat een mooi gespreid bedje of niet? Als ik na zonsondergang het warme kampvuur verlaat en wil gaan slapen, ontdek ik dat buiten slapen toch niet ideaal is. Ik was de condensatie vergeten. Naarmate de lucht afkoelt, daalt vocht neer, ook op mijn slaapzak, die inmiddels al flink nat is. Ik leg me erbij neer dat het een lange, oncomfortabele nacht wordt. Bij een kraan aan een houten paal poets ik mijn tanden. En dan hoor ik opeen: ‘Rinda?’ Het blijkt de Spaanse Anna te zijn, die hier in een kleine tweepersoonstent kampeert. Ruimhartig maakt ze plaats voor mij en hoewel het ondanks mijn kleren toch nog koud is in de slaapzak, lig ik beter dan op het zand.

Dag 3 Mutton Cove – Wainui, 9 km
Een paar stappen buiten de tent sta ik op het strand. Ik staar naar de twee zwarte lijfjes die parallel aan het zand door de zee golven. Zeeleeuwen! Wat een fantastisch begin van de dag. Als de zon eenmaal op is en Anna en ik hebben ontbeten, pakken we snel onze spullen en gaan op weg. We willen allebei naar Separation Point, de rotspunt die de Tasman Bay van de Golden Bay scheidt, maar veel tijd is er niet. We volgen het strand tot een rotspartij, waar we via een grove trap overheen klimmen. Aan de andere kant is opnieuw een strand, dit keer zonder zand en met grote, ronde rotsen. Voorzichtig werken we ons naar de overkant, waar we dan een bospad in mogen. Langs de kust klimmen we omhoog, omringd door bos en met af en toe uitzicht op de kust die we al hebben verkend. Na een half uurtje komen we bij de splitsing naar Seperation Point en laten onze rugzakken achter bij een boom. Voor de Whariwharangihut moeten we straks dit zijpad in. Maar eerst gaan we door, veel lichter zonder onze rugzakken. We ontsnappen aan het bos en staan dan op een hoge klif. Diep beneden ons zien we een kleine, witte vuurtoren, al lijkt het meer op een eenvoudig baken dan op een ronde toren met een licht in de top. Als ik had geweten dat het zo dichtbij Mutton Cove was, had ik beter gisteravond kunnen gaan. Volgens de gids rusten de zeeleeuwen uit op de warme rotsen en zo vroeg in de ochtend is het vast nog veel te fris. Maar als we onze ogen over de rotsen laten dwalen, is Anna de eerste die een grote zeeleeuw ontdekt. Het luie dier beweegt amper en is nauwelijks te onderscheiden van de steen. Voorzichtig klauterend dalen we af richting het water. Dan ontdekken we aan de rechterkant nog meer zeeleeuwen. Een grijs, volwassen mannetje ligt lui te zonnen. Vier veel kleinere, zwarte zeeleeuwen spelen met elkaar in een poel onder de rotsen. Ze tuimelen, buitelen en hebben het prima naar hun zin. Heel vaag horen we hun opgewonden kreten. We dalen nog verder af naar de vuurtoren, maar door de hoek van de uitstekende rotsen kunnen we de zeeleeuwen nu niet meer zien. Wel zien en horen we Jan van Genten, die op een kluitje bij de vuurtoren zitten. Zowel Anne als ik hebben al flink wat foto’s gemaakt, voor ik het me opvalt dat de vogels niet bewegen en nep zijn. Ik besluit dan toch maar de informatieborden te lezen en daar staat op dat de nep-vogels echte Jan-van-Genten ervan moeten overtuigen dat het hier veilig is om te nestelen en te broeden. Om het overtuigender te maken, worden continue de juiste vogelgeluiden afgespeeld. We lachen om onze vergissing en klimmen dan weer terug naar boven. Eenmaal terug bij de splitsing pakken we onze rugzakken weer op en beginnen nu aan onze trek naar Winui Bay, waar we uiterlijk 11.20 moeten zijn om de bus naar Nelson te halen. Het eerste stuk loop ik flink door en geef het tempo aan. Anna, die normaal gesproken iets langzamer loopt, houdt me prima bij. Na nog weer een flinke klim dalen we af naar het strand van Whariwharingi Bay. Hoewel er niets meer aan herinnert, is dit waarschijnlijk een historische plek. In december 1642 voer Abel Tasman deze baai in, op expeditie om in opdracht van de VOC nieuwe landen te ontdekken. Zoals in die tijd gebruikelijk, vuurde hij een kanon af om aan te geven dat ze voet aan wal zouden zetten. De plaatselijke Maori, de Ngati Tumatakokiri, vatte het kanonschot echter op als een oorlogsverklaring en lanceerde hun waka, een oorlogskano. In de daarop volgende strijd werden vier Nederlandse zeelieden gedood. Abel Tasman lichtte daarop het anker en voer weer naar zee. De baai noemde hij Moordenaers baai, om het incident te gedenken. De naam is sindsdien wijselijk aangepast naar Golden Bay, wat niet zozeer de aanduiding is voor een enkele baai, maar het hele gebied. Zowel de Maori als het incident zijn door de tijd en het bos opgeslokt. Alleen de naam van het nationaal park, Abel Tasman herinnert nog aan de ontdekkingsreiziger. In 1942, precies 300 jaar na die eerste ontdekkingsreis werd het eerste gebied door de overheid aangekocht. Sindsdien is het nationale park flink uitgebreid, hoewel het nog steeds het kleinste van Nieuw Zeeland is.

We stappen aardig door en bereiken ruim op tijd de Whariwharangi hut. Dit is een van de meest authentieke hutten die ik op mijn tochten ben tegengekomen. Het lijkt wel een normaal woonhuis en dat is het ook. Oorspronkelijk een boerderij uit 1897 werd het in 1980 omgebouwd naar een DOC-hut. Vandaar klimt het pad opnieuw, maar dit keer heel geleidelijk. Het pad is ook een stuk breder, alsof het oude karrespoor naar de boerderij nog helemaal intact is. Het leidt ons langs de heuvels met telkens weer een ander uitzicht op zee. Waar bij eerdere tochten de heuvels van rots waren, hier zijn ze opgebouwd uit zand, als is het soms zo grijs dat je het zand makkelijk voor rotsen aan kunt zien. Dat het toch echt om zand gaat, zien we in de namen en liefdesverklaringen die in de blote stukken heuvel zijn gekrast en aan een stuk bos dat een geel litteken vertoont waar de bovenlaag en de bomen die er wortelden zijn weggespoeld. Nu doen we het rustiger aan, we hebben tijd genoeg. Ruim voor 11.00 uur zijn we bij de parkeerplaats die het einde van alweer een prachtige tocht aankondigt. Het is me gelukt! Liever nog had ik dit pad in drie of beter nog, in vier dagen gelopen. Maar ik ben blij en dankbaar voor de kans die ik heb gekregen en de vriendelijkheid die ik onderweg heb ervaren. Wat heb ik weer een geluk gehad!